Van Armoede tot Rijkdom of de verwezenlijking van voorspoed en vrede. Door James Allen.

Naar den Vijfden Druk van den Engelschen Uitgaaf
door G. Akersloot.

Dat de liefdezon Uw hart beschijn’
Zij make U blijde, vredig en rein,
De duistere schaduw der zelfzucht verdwijn!
Zoo moogt gij voor eeuwig gezegend zijn.

Vereeniging voor Psychisch Onderzoek
Amsterdam

Inhoud

Voorwoord

Ik zag om mij heen in deze wereld en ik bemerkte, dat zij overal overdekt was door de donkere schaduw van het verdriet en verschroeid door het gloeiend vuur des lijdens. Toen zocht ik naar de oorzaak daarvan. Ik keek overal rond, maar vond die niet; ik doorzocht boeken en vond ze evenmin; ik wierp een blik naar binnen en daar vond ik de oorzaak en zag tevens dat alles de eigen schuld was van den mensch. Toen ik nog verder en dieper zocht vond ik ook het geneesmiddel. Ik vond één wet, de wet der Liefde; één leven, het leven, dat zich naar die wet voegde; één waarheid, de waarheid van een bestreden wil en een rustig en volgzaam hart. Daarop bedacht ik een boek te schrijven, dat voor alle menschen, hetzij rijk of arm, geleerd of ongeleerd, wereldschgezind of niet, een hulpmiddel zou zijn om in zichzelf de bron te vinden van alle welslagen, van alle waarheid, van geluk en talenten. Langen tijd peinsde ik er over en eindelijk werd mijn gedachte tot werkelijkheid en nu zend ik het boekje uit in de wereld om zijn zending te vervullen. Ik hoop, dat het velen tot zegen en troost zal strekken, overtuigd als ik ben, dat het stellig zal opgenomen worden in de huizen en harten dergenen, wier gemoed geopend is voor de lessen die het bevat.

James Allen.

Eerste gedeelte: Het pad van den voorspoed

1. De les des kwaads

Onrust, smart en droefenis zijn de schaduwen, die ons leven verdonkeren. Er klopt geen hart in deze wereld, dat geen pijn heeft gevoeld, geen gemoed bestaat er, dat niet geslingerd is over de donkere wateren der smart, geen oog, dat niet de heete, verblindende tranen van onuitsprekelijken zielsangst heeft geweend. Daar is geen huisgezin waar de Engel des doods niet is binnengetreden, of waar ziekte onbekend is, deze twee verderf aanbrengende machten scheuren de harten vaneen en werpen het sombere doodskleed der smart over alles heen. In de sterke en schijnbaar onvernietigbare mazen van het net des kwaads worden allen nu en dan gevangen, en pijn, ongeluk en ellende vormen de lijfwacht van het menschdom.

Om aan deze sombere duisternis te ontsnappen, of om er min of meer licht in aan te brengen, nemen mannen en vrouwen tallooze hulpmiddelen te baat of bewandelen paden, waarlangs zij in stilte hopen tot een volkomen geluk te geraken, dat niet van hen zal weggenomen worden. Dit doen de dronkaard en de lichtmis, die zich in zinnelijk genot wentelen; dit doet ook de aestheticus, die de ongemakken der wereld buitensluit en zich omringt door ontzenuwende weelde; evenals de man, die naar roem en eer dorstend, alles gering acht voor het verkrijgen van dit doel; ook degenen die hun troost zoeken in het betrachten van vormelijke godsdienstplichten.

Het gezochte geluk schijnt ook tot allen te komen en de ziel wordt voor een tijd in zoete rust gewiegd, terwijl zij in zinsbegoocheling het bestaan des kwaads vergeet — maar de dag des ongeluks breekt eindelijk aan, of de machtelooze ziel wordt plotseling overvallen door een groote droefenis, een hevige verzoeking of een groote beproeving en het gebouw van het vermeende geluk stort geheel in puin.

Zoo hangt boven het hoofd van een ieder steeds het zwaard van Damocles, dat ieder oogenblik gereed is neer te vallen om het hart te verpletteren van dengene die niet door hoogere kennis beschermd wordt.

Het kind wenscht man te zijn; de man zucht naar het verloren geluk der kindsheid. De arme rukt aan den keten, waarmede hij gebonden is, en de rijke leeft dikwijls in vrees voor armoede of loopt de geheele wereld af om een schaduw te grijpen, die hij geluk noemt. Soms meent iemand volkomen vrede en voldoening gevonden te hebben in den een of anderen godsdienst, of in een wijsgeerig stelsel, of ook in een intellectueel of artistiek ideaal; maar in de ure van een overweldigende verzoeking blijkt de godsdienst ontoereikend te zijn, de philosophie een ongenoegzame steun, en in een oogenblik stort het gebouw van het ideaal, waaraan de bewonderaar jaren lang gearbeid heeft, in puin en gruis uiteen.

Is er dan geen weg, waarlangs men aan pijn en smart kan ontsnappen? Is er geen middel om de boeien der slavernij en des kwaads te verbreken? Is blijvend geluk, vaste voorspoed en voortdurende vrede een ijdele droom? Neen, er is een weg, en dit zeg ik met groote vreugde, waarlangs men aan het kwade kan ontsnappen; er is een middel, waardoor ziekte, armoede en tegenspoed terzijde kan gesteld worden om ons nooit weer te overrompelen; er is een methode, waardoor blijvende voorspoed ons kan verzekerd worden, die vrij is van omkeer tot tegenspoed en er bestaat een levenswijze, waardoor onverstoorde en eindelooze vrede en zaligheid ons deel kunnen worden. En de eerste schrede die ons leidt tot de verwezenlijking van al deze heerlijkheid is een goed begrip van den aard des kwaads.

Het is niet voldoende het kwaad te ontkennen of te negeeren, de aard ervan moet begrepen worden.

Het is niet voldoende God te bidden het kwade weg te nemen; men moet uitvinden waarom het bestaat en welke les er voor ons uit te leeren valt. Het dient nergens toe te morren en te razen of aan de ketenen te rukken, die u gebonden houden; gij moet weten, waarom gij gebonden zijt. Zie in uw hart en tracht uzelf te onderzoeken en te verstaan. Wees niet een ongehoorzaam kind in de school der ondervinding, maar begin nederig en geduldig de lessen te leeren, die u gegeven zijn voor uw stichting en eindelijke volmaking; want als het kwade goed verstaan wordt blijkt het geen onbegrensde macht of beginsel in het heelal te zijn, maar een voorbijgaande schijngestalte der menschelijke ondervinding en het wordt daarom een leeraar voor degenen die er nut uit willen trekken. Het kwade is niet iets abstracts buiten u; het is een ondervinding in uw eigen hart en door dat hart met geduld te onderzoeken en terecht te wijzen zult gij er langzamerhand toe geraken den oorsprong en den aard des kwaads te ontdekken, hetgeen spoedig zal gevolgd worden door de volkomen uitroeiing er van.

Alle kwaad is ter verbetering en ter herstelling en daarom niet blijvend. Het wortelt in onwetendheid, in onbekendheid met den waren aard en de betrekking der dingen en zoolang wij in dien staat van onwetendheid verkeeren, blijven wij aan het kwaad onderworpen. Er is geen kwaad in het heelal, dat niet het resultaat is van onwetendheid en het zou ons, indien wij er maar de rechte middelen op toepasten, tot hoogere wijsheid leiden en dan verdwijnen. Maar de menschen blijven leven in de boosheid en die gaat niet voorbij, omdat zij de les niet willen, leeren, die er voor hen in lag opgesloten. Ik heb een kind gekend, dat eiken avond, als zijn moeder het naar bed bracht, huilde omdat het niet met de kaars mocht spelen; en eens op een avond, toen de moeder een oogenblik niet oplette, greep het kind de kaars; het onvermijdelijke volgde en nu vroeg hij er nooit meer om. Door deze ééne dwaze daad had hij de les der gehoorzaamheid geleerd en was hij tot de kennis gekomen, dat het vuur brandt. Dit geval geeft ons een duidelijk voorbeeld van den aard, de beteekenis en het einddoel van alle zonde en kwaad. Zooals het kind door zijn eigen onwetendheid leed door het vuur, evenzoo lijden oudere kinderen door hun onbekendheid met den waren aard der dingen waarom zij weenen en waarnaar zij trachten en die hun na het verkrijgen slechts schade en nadeel aanbrengen; het eenige verschil is, dat in het laatste geval de onwetendheid en het kwade dieper en vaster ingeworteld zijn.

De duisternis is altijd het symbool van het kwade geweest en het licht van het Goede, in het symbool is de werkelijkheid, de volkomen vertolking er van verborgen; want, evenals het licht zijne stralen uitgiet over het heelal en de duisternis slechts een schaduw is door een klein voorwerp geworpen, dat eenige stralen van het onbegrensde licht onderschept, zoo is ook het licht van het verheven Goede de positieve en levenwekkende kracht die het heelal overstroomt en het kwade de onbeteekenende schaduw geworpen door het eigen ik, dat de verlichtende stralen onderschept en buitensluit, die trachten binnen te dringen. Wanneer de nacht de aarde in zijn zwart onderdringbaar gewaad hult, hoe dicht die duisternis ook is, toch bedekt zij slechts de kleine ruimte van onze halve planeet, terwijl het geheele heelal straalt van licht en iedereen weet, dat ’s morgens bij het ontwaken het licht weer gezien zal worden. Weet dan, dat wanneer de duistere nacht van droefheid, pijn of ongeluk neerdaalt op uw ziel en gij voortstrompelt met vermoeide en onzekere schreden, dat gij slechts uw eigen wenschen onderschept en dat de donkere, schaduw, die ligt tusschen het onmetelijke licht van uw vreugde en zaligheid en uzelf door niemand wordt geworpen door dan uw eigen persoon. Evenals de duisternis daarbuiten slechts een negatieve schaduw is, iets onwezenlijks, dat nergens vandaar komt nergens heengaat en geen blijvende plaats heeft, zoo is ook de duisternis daarbinnen slechts een negatieve schaduw, trekkend over de ziel, die opwast en uit het licht geboren is. „Maar”, zoo hoor ik iemand zeggen, „waarom moet men door de duisternis des kwaads heen?” Omdat gij door onwetendheid dit hebt willen doen en ook, omdat gij dit doende, goed en kwaad zoudt begrijpen en des te meer het licht op prijs zoudt stellen nu gij door de duisternis heen geweest zijt. Evenals het kwaad het resultaat is der onwetendheid, zoo gaat ook deze onwetendheid voorbij, wanneer de les des kwaads volkomen geleerd is en wijsheid treedt er voor in de plaats. Maar evenals een ongehoorzaam kind weigert zijn les in de school te leeren, zoo is het ook mogelijk te weigeren de les der ondervinding te leeren en dus blijft men in voortdurende duisternis en ondergaat de telkens wederkeerende straffen van ziekte, teleurstelling en smart. Degene dus, die vrij zou willen blijven van het kwaad, dat hem overal omringt, moet leerzaam zijn en gewillig om zich aan die tucht te onderwerpen zonder welke geen wijsheid of blijvend geluk ooit ’s menschen deel kan zijn.

Iemand kan zich in een donker vertrek opsluiten en zeggen, dat er geen licht bestaat, toch is het daar buiten overal en duisternis wordt alleen gevonden in zijn eigen klein vertrek. Dus kan men het licht der waarheid buitensluiten, of men kan beginnen de hinderpalen van vooroordeelen, zelfzucht en dwaling uit den weg te ruimen, die men rondom zichzelf opgeworpen heeft en zoo het heerlijke en alomtegenwoordige licht binnenlaten.

Tracht door ernstig zelfonderzoek u duidelijk te maken, dat het kwaad een voorbijgaand iets is, een zelfgeschapen schaduw, en geloof dit niet alleen op gezag van anderen; al uw pijn, droefenis en ongeluk is tot u gekomen door een onvermijdelijke en volstrekte natuurwet, omdat gij het verdient en die tucht u noodig is, en opdat gij, die eerst verdragende en dan begrijpende, sterker, wijzer en edeler zoudt worden. Wanneer gij dit ten volle begrepen hebt, zult gij in staat zijn uw eigen omstandigheden te vormen, om alle kwaad in goed te veranderen en met een meesterhand den draad van uw lot te weven.

Wachter, wat is er van den nacht?
Ziet gij reeds den lichtenden ochtendstond op de hoogten der bergen?
Heeft Aurora als heraut van het licht,
Haar schreden reeds gericht naar de toppen der heuvelen?

Komt het licht om de duisternis te verdrijven,
En al de booze geesten van den nacht te doen verdwijnen?
Aanschouwen uw oogen reeds de stralen der zon,
Hoort gij de stem des lichts, die alle dwaalbegrippen veroordeelt?

De morgen breekt aan met zijn zonnegloed,
Hij verguldt met gouden glans de kruinen der bergen.
Vaag onderscheid ik het pad, waarlangs zijn
glinsterende voeten komen, zieh keerende tegen den nacht.

De duisternis zal voorbijgaan en alles,
Wat de duisternis bemint en een afkeer heeft van licht,
Zal voor goed met den nacht verdwijnen:
Verheugt U! zoo zingt de voorbijsnellende Heraut

2. De wereld een weerkaatsing van ’s menschen gemoedstoestand

Uw wereld is, wat gij zelf zijt. Alles in het heelal wordt opgelost in uw eigen innerlijke ondervinding. Het komt er weinig op aan, wat buiten u is, het is alles een weerkaatsing van uw eigen toestand. Het maakt al het verschil, hoe uw innerlijk bestaan is, want alles daarbuiten zal daarnaar afgespiegeld en getint worden.

Alles wat gij met bewustheid weet, is bevat in uw eigen ondervinding; alles wat gij ooit weten zult moet gaan door de poort der ondervinding en zoo een deel van uzelf worden. Uw eigen gedachten, wenschen en aspiraties vormen uw wereld en voor u is alles wat er in het heelal bestaat van schoonheid, vreugde en zaligheid, leelijkheid, droefenis en pijn in uzelf vervat. Door uw eigen gedachten maakt gij of bederft gij uw leven, uw wereld, uw alles. Zooals gij van binnen bouwt door de kracht der gedachte, zoo zullen zich uw omstandigheden en uw uitwendig leven vormen. Hetgeen gij koestert in de diepste schuilhoeken van uw hart zal vroeger of later door de onvermijdelijke wet der reactie, zich een weg naar buiten banen en zich in uw uitwendig leven openbaren. De ziel, die onrein, laag en zelfzuchtig is, zinkt met groote juistheid steeds dieper en dieper in ongeluk en rampspoed; terwijl de ziel, die rein is, onzelfzuchtig en edel met dezelfde juistheid, zich verheft tot geluk en voorspoed. Iedere ziel trekt het hare tot zich en niets kan haar aanroeren wat niet bij haar behoort. Dit te verstaan is de. algemeenheid der goddelijke wet te erkennen. De voorvallen in elk menschenleven, die voor- of achteruitgang bewerken, worden er in gebracht door de kracht van het innerlijke leven der gedachten. Iedere ziel is een ingewikkelde combinatie van verkregen ondervinding en gedachten en het lichaam is slechts een geïmproviseerd voertuig voor de openbaring daarvan. Wat uwe gedachten dus zijn, dat zijt gij zelf en de wereld om u heen, de bezielde en de onbezielde draagt het kleed, waarmede uwe gedachten haar versieren. „Alles wat wij zijn is het resultaat van wat wij gedacht hebben; het is gebaseerd op onze gedachten en daardoor gevormd.” Zoo sprak Boeddha en daaruit volgt, dat als iemand gelukkig is, hij zulks is door zijn eigen gelukkige gedachten; als hij ellendig is, dan komt dit, omdat hij neerslachtige en ontzenuwende gedachten koesrert. Hetzij men vreesachtig is of onversaagd, dwaas of verstandig, neerslachtig of opgewekt, in de ziel ligt de oorzaak van die toestanden, nooit daarbuiten.

Maar nu hoor ik verscheidene stemmen in koor vragen: „Meent gij werkelijk, dat uitwendige omstandigheden geen invloed op onzen gemoedstoestand hebben?”

Dat heb ik niet gezegd, maar ik houd vol en ik weet, dat het een onfeilbare waarheid is, dat omstandigheden u alleen in zooverre kunnen raken, als gij dat zelf toelaat. Gij wordt door omstandigheden geslingerd, omdat gij geen recht begrip hebt van den aard, het gebruiken de kracht der gedachte. Gij gelooft (en van dit woordje geloof hangt al onze smart en vreugde af), dat uiterlijke dingen de macht hebben uw leven te maken of te bederven; door dat te doen onderwerpt gij u aan deze uiterlijkheden, gij bekent dat gij haar slaaf zijt en zij onvoorwaardelijk uw meester,; daardoor geeft gij ze een macht, die zij uit zichzelf niet bezitten en gij gaat onder in den strijd, niet tegen de omstandigheden, maar tegen de somberheid of vreugde, de vrees of hoop, de kracht of zwakheid, waarmede uw gedachten ze omkleed hebben.

Ik heb twee menschen gekend, die nog in de kracht des mannelijken leeftijds, de zuur verdiende spaarpenningen van jaren op eens verloren. De een was diep terneergeslagen, gaf toe aan zijn leed, zonder zich daaruit op te heffen. Toen de ander in het ochtendblad las, dat de Bank, waaraan hij zijn geld had toevertrouwd, gesprongen was en dat hij alles had verloren, zeide hij op kalmen en beslisten toon: »Het geld is weg, tobben en neerslachtigheid zullen het niet terugbrengen, alleen hard werken wel.” Hij zette zich met vernieuwden moed aan het werken, raakte weldra weder in goeden doen, terwijl de eerstgenoemde, die voortging met het veriies van zijn geld te betreuren en te morren over ongeluk, de speelbal en het werktuig bleef van den tegenspoed, in werkelijkheid eigenlijk van zijn eigen zwakke en slaafsche gedachten. Het verlies van het geld was een vloek voor den een, omdat hij die gebeurtenis omkleedde met sombere en naargeestige gedachten; het werd een zegen voor den ander, omdat hij er gedachten aan vastknoopte van energie, hoop en vernieuwde inspanning van krachten.

Als de omstandigheden de macht hadden van zegen of verderf te verspreiden, zouden zij dien zelfden invloed op een ieder hebben, maar het feit, dat dezelfde omstandigheid een goede of slechte uitwerking kan hebben op verschillende personen, bewijst dat het goed of kwaad niet in de omstandigheden ligt, maar alleen in het gemoed van hem, die ze ondervindt. Wanneer gij dit begint te verstaan zult gij uwe gedachten leeren beheerschen, uw gemoed onder tucht trachten te brengen, en den innerlijken tempel van uw ziel herbouwen, daaruit weglatend alle noodeloos en overtollig materiaal en in uw wezen opnemend alleen gedachten van vreugde en opgewektheid, van kracht en leven, medelijden en liefde, schoonheid en onsterflijkheid; en als gij dit doet, zult gij blijde en opgewekt worden, sterk en gezond, medelijdend en liefhebbend en schoon met de schoonheid der onsterflijkheid. Evenals wij de gebeurtenissen omhangen met het kleed van onze eigen gedachten zoo bekleeden wij ook de voorwerpen van de zichtbare wereld om ons heen en waar de een harmonie en schoonheid bemerkt, ziet de ander weerzinwekkende leelijkheid. Een enthousiastisch natuuronderzoeker liep eens het land af om aan zijn stokpaardje te voldoen en op zijn zwerftochten kwam hij aan een poel ondiep water, dichtbij een boerenhoeve. Toen hij bezig was een klein fleschje te vullen met het water om dit aan een onderzoek onder het microscoop te onderwerpen, weidde hij daarover uit, met meer geestdrift dan wijsheid tegen een onbeschaafden landbouwer die daarbij stond en sprak over de verdorven en tallooze wonderen, die de poel bevatte, waarop hij eindigde met te zeggen: „Ja, mijn vriend, in dezen poel zijn hon-, derd, neen, millioenen wezens, als wij maar het begrip en het werktuig hadden, waardoor wij ze zouden kunnen bespeuren.” Waarop de ongeletterde boer zeer zwaarwichtig aanmerkte: „Ik weet, dat het water vol padden zit, maar zij zijn niet lastig te vangen.”

Waar de natuurvorscher, het gemoed vervuld met de kennis van natuurwonderen, schoonheid, harmonie en verborgen heerlijkheid zag, bespeurde het gemoed van den oningewijde slechts een vuilen, en kwalijkriekenden modderpoel. De wilde bloem die de gedachtenlooze voorbijganger onder zijn voet vertreedt, is voor het geestesoog van den dichter een bode uit hemelsche gewesten. Voor den alledaagschen beschouwer is de oceaan slechts een eindelooze, eentonige watervlakte, waarover de schepen zich voortbewegen en waarop zij vergaan; voor de ziel van den musicus is de zee een levend iets en hij hoort verheven geluiden bij al haar wisseling. Waar het gewone verstand ramp en verwarring bemerkt, ziet de wijsgeer slechts de volkomen aaneenschakeling van oorzaak en gevolgen; waar de materialist niets ziet dan eindeloozen dood, bemerkt de mysticus hartklopping en eeuwig leven.

Evenals wij de omstandigheden en de voorwerpen omkleeden met onze eigen gedachten eveneens omhullen wij de zielen van anderen met het kleed onzer gedachten. Argwanende menschen denken dat iedereen argwaan jegens hen koestert; de leugenaar gelooft stellig dat hij niet zoo dwaas is te denken, dat er zoo iets bestaat als een werkelijk waarheidlievend persoon; de naijverige bemerkt naijver in elke ziel;

de gierigaard denkt, dat iedereen op zijn geld loert; hij, die zijn geweten heeft toegeschroefd om rijkdom te verzamelen, slaapt met een revolver onder zijn hoofdkussen, meenende, dat de wereld vol is van gewetenlooze lieden, die niets liever zouden doen. dan hem van alles te berooven en de mensch, die zich heeft overgegeven aan zinnelijkheid denkt dat heiligen huichelaars zijn. Aan den anderen kant ziet hij, die gedachten der liefde en des vredes koestert, in allen datgene, wat zijn liefde en sympathie opwekt; de eerlijke lieden vertrouwen iedereen en worden niet door booze vermoedens gekweld; goedhartige en menschlievende menschen, die zich verheugen over het geluk van een ander, weten nauwelijks wat jaloezie beteekent en hij, die tot de overtuiging gekomen is, dat hij van goddelijken oorsprong is, eerbiedigt ieders bestaan, zelfs dat der dieren. De menschen worden nog meer bevestigd in hun eenmaal gevormde meening, doordat zij ook al wegens de wet van oorzaak en gevolg hetzelfde tot zich trekken wat zij uitzenden, en zoo in contact komen met menschen die eveneens gezind zijn als zij zelve. De oude spreuk, soort zoekt soort, heeft een diepere beteekenis dan oppervlakkig wel gedacht wordt, want in de wereld der gedachten zoowel als in die des stofs zoekt alles zijns gelijke.

Wenscht gij vriendschap? Wees vriendelijk.
Vraagt gij naar Waarheid? Wees waar.
Wat gij geeft, vindt gij weer,
Uw wereld weerkaatst slechts uw beeld.

Als gij tot degenen behoort, die uitzien naar een betere wereld aan gene zijde des grafs en daarom bidden, dan is deze tijding van vreugde voor u, gij kunt nu reeds in die wereld van zaligheid ingaan; zij vervult het gansche heelal en is binnen in u, wachtend dat gij ze vindt, erkent en er bezit van neemt. Onze Heer en Meester die de innerlijke wet van ons gemoed kende, zeide: Wanneer men zal zeggen: ziet het is hier, of het is daar, gelooft het niet en gaat niet uit, want ziet het Koninkrijk Gods is binnen in ulieden.” Het eenige, dat gij te doen hebt is dit te gelooven. het eenvoudig te gelooven zonder er aan te twijleien en dan er over na te denken, tot gij het volkomen verstaat. Dan zult gij de wereld van uw gemoed trachten te reinigen en te zuiveren en terwijl gij voortgaat van openbaring tot openbaring, zult gij bemerken, dat de uitwendige wereld machteloos staat tegenover de innerlijke kracht van een ziel door hoogere machten beheerscht.

Wilt gij de wereld hervormen,
Verbannen al haar smart en kwaad?
Bedek de wildernis met bloemen,
Laat de woestenij bloeien als de roos, —
Hervorm dan uzelf.

Wilt gij de wereld verlossen,
Uit haar lange slavernij der zonde?
Verbind alle gebroken harten,
Delg uit de smart,
laat zoeten troost naar binnen
Verlos dan uzelf.

Wilt gij de wereld genezen
Van haar lange ziekte, haar smart en pijn
De heelende vreugd doen ingaan, (doen enden?)
En den bedroefden de rust weergeven? —
Genees dan uzelf.

Wilt gij de wereld doen ontwaken,
Uit haar droom van dood en strijd der duisternis?
Voer liefde en vrede in,
Met het licht en den glans des onsterflijken levens,—
Ontwaak dan zelf.

3. Een uitweg uit ongewenschte toestanden

Nadat wij gezien hebben, dat het kwaad slechts een voorbijgaande schaduw is, die door het eigen ik geworpen wordt over den verheven vorm van het eeuwig goede en dat de wereld een spiegel is waarin een ieder zijn eigen afbeelding ziet, gaan wij nu met vasten en zekeren tred voort naar die sfeer van perceptie waarin wij het begrip der wet bespeuren en verstaan. Met dit begrip komt de kennis tot ons, dat alles besloten is in een onophoudelijke werking van oorzaak en gevolg, en dat niets met mogelijkheid van de wet kan afgescheiden worden. Van de onbeduidendste gedachten, woorden of daden van den mensch tot de plaatsing der hemellichamen, alles is onderworpen aan de wet. Geen willekeurige toestand kan ook maar voor een oogenblik bestaan, want zulk een toestand zou een ontkenning en vernietiging der wet zijn. ledere levenstoestand komt dus voort uit een geordende en evenredige volgorde en het geheim en de oorzaak van iederen toestand ligt in die omstandigheid zelve. De Wet: „Hetgeen iemand zaait, dat zal hij ook maaien,” staat in vlammende letters op de poorten der Eeuwigheid en niemand kan dit ontkennen, noch er aan ontkomen. Hij, die zijn hand in het vuur steekt moet den gloed gevoelen, totdat de hitte van de brandwond uitgewerkt heeft en verwenschingen noch gebeden kunnen er eenige verandering in aanbrengen.

Precies dezelfde wet beheerscht het gebied des inwendigen levens. Haat, toorn, jaloezie, nijd, zinnelijkheid, begeerlijkheid, al deze zonden zijn zoovele gloeiende vuren en degene die ze slechts even aanroert moet de smarten der brandwonde dragen. Al deze gemoedstoestanden worden met recht „kwaad” genoemd, want het zijn de pogingen der ziel om in onwetendheid de wet te schenden en aldus verwarring en onrust daarbinnen te leiden, hetgeen vroeger of later aan het licht komt in de uitwendige omstandigheden, als ziekte, dwaling en ongeluk, samengaande met smart, pijn en wanhoop. Terwijl liefde, zachtmoedigheid, goedertierenheid en reinheid werken als verkoelende luchtstroomen op de ziel, die deze deugden zoekt en daar zij overeenkomen met de Eeuwige wet, worden zij openbaar in den vorm van gezondheid, een omgeving vol vrede, voortdurend succes en blijvend geluk.

Een grondig verstaan van deze groote wet, die het gansche heelal vervult, leidt tot het verkrijgen van dien toestand des gemoeds, die bekend staat als gehoorzaamheid. Te weten dat rechtvaardigheid, harmonie en liefde in het heelal overheerschend zijn, staat gelijk met te weten, dat alle disharmoniëerende en ongeregelde toestanden het gevolg zijn van onze ongehoorzaamheid aan die wet. Deze kennis leidt tot sterkte en macht en op die kennis alleen kan een waarlijk goed leven, dat samengaat met voortdurend succes en geluk gegrond worden. Geduldig te zijn onder alle toestanden en alle omstandigheden te beschouwen als noodzakelijke factoren in uw opleiding, beteekent u daarboven te verheffen en ze voor goed te overwinnen, zonder dat gij voor een terugkeer daarvan behoeft te vreezen, want door gehoorzaamheid aan de wet worden alle vijanden uit den weg geruimd. Iemand die zoo in gehoorzaamheid leeft, werkt in harmonie met de wet, hij heeft zich daarmede vereenzelvigd en als hij een overwinning heeft behaald, dan is dit voor goed geschied, wat hij bouwt kan nooit vernietigd worden.

De oorzaak van alle kracht, evenals van alle zwakheid ligt daarbinnen: het geheim van alle geluk en alle ellende is daar eveneens te vinden. Er is geen vooruitgang die niet in ons binnenste ontstaat en geen vast steunpunt voor voorspoed en vrede dan door geregelden voortgang in kennis.

Gij zegt, dat gij door omstandigheden vastgeketend zijt, gij verlangt naar betere gelegenheden naar een ruimer werkkring, verbeterde physieke toestanden en misschien verwenscht gij in uw hart het noodlot, dat u aan handen en voeten gebonden houdt. Voor u schrijf ik dit en tot u richt ik mij in de eerste plaatsluister naar mij en laat mijn woorden ingang vinden in uw hart, want wat ik u zeg is de waarheid: — „Gij kunt dien verbeterden toestand waarnaar gij wenscht in uw uitwendig leven aanbrengen, als gij met vast besluit u aan het werk zet om uw inwendig leven te verbeteren.” Ik weet, dat deze weg moeilijk schijnt in zijn begin (dat doet de waarheid altijd, alleen dwaling en zinsbegoocheling zijn in het eerst vol bekoring en aanlokkelijk), maar als gij op u neemt dien weg te bewandelen; als gij met volharding uw gemoed in onderwerping brengt, uw zwakheden uitroeit en aan uw zielskrachten gelegenheid geeft zich te ontplooien, zult gij verwonderd staan over de verbazende veranderingen, die in uw uitwendig leven zullen plaats grijpen. Terwijl gij voortgaat zullen gulden gelegenheden over uw pad gestrooid worden en de kracht en het oordeel om ze goed aan te wenden zullen vanzelf in u opkomen. Goede vrienden zullen u ongezocht tegemoet treden; sympathieke gemoederen zullen tot u getrokken worden als de stalen naald tot de magneet; boeken en alle uitwendige hulp, die gij behoeft zullen vanzelf tot u komen. Misschien wordt gij gekweld door armoede en gij zijt zonder vrienden en eenzaam, gij verlangt smachtend dat uw last verlicht moge worden, maar niettemin blijft die op u drukken en gij schijnt in in een voortdurend toenemende duisternis gehuld te zijn.

Misschien klaagt gij en betreurt gij uw lot; gij geeft de schuld aan uw geboorte, uw ouders, uw patroon of aan een onrechtvaardige Hoogere Macht, die zoo onverdiend armoede en ellende uw deel heeft doen worden, terwijl die aan anderen overvloed en genot verschafte. Houd op met uw klagen en morren, geen dezer dingen, die gij noemt zijn de oorzaak van uw gebrek; de oorzaak ligt in uzelf en waar de oorzaak is, daar is ook het geneesmiddel. Uw klachten op zich zelf bewijzen reeds, dat gij uw lot verdient. Daardoor toont gij aan, dat gij het geloof mist, dat de grondslag is van alle krachtsinspanning en vooruitgang. Er is geen plaats voor klagers in het gebied der wet en morren is zelfmoord der ziel. Door uwe houding verzwaart gij de ketenen, die u binden en gij verdiept de duisternis, waardoor gij omgeven zijt. Verander uw blik op het leven en dan zal uw uitwendig leven ook veranderen. Bouw uzelf op in geloof en kennis en maak u waardig voor een betere omgeving en verder reikende gelegenheden. Overtuig u eerst, of gij wel zooveel mogelijk nut trekt uit heheen gij hebt.

Misleid uzelf niet met de gedachte, dat gij geschikt zijt voor groote dingen, terwijl gij de kleine voorbijziet, want als gij die ruimer gelegenheden houdt verkrijgen, zou toch het voordeel niet blijvend zijn en gij zoudt weldra weder terugvallen tot uw ouden toestand om eerst de les te leeren, die gij over het hoofd hadt gezien. Even als een kind in de school eerst de beginselen moet leeren voordat het verder gaan kan, evenzoo moet gij om het groote goed te verkrijgen, dat gij begeert, met getrouwheid nuttig aanwenden hetgeen gij reeds bezit. De gelijkenis der talenten is een schoon verhaal, dat deze waarheid duidelijk maakt, want blijkt daaruit niet ten volle, dat als wij hetgeen wij bezitten misbruiken verwaarloozen of verlagen, al is ook nog zoo gering of onbeteekenend, dat ook dit weinige van ons zal weggenomen worden omdat wij door ons gedrag toonen, het niet te waardig zijn.

Misschien woont gij in een klein huisje en zijt gij omgeven door ongezonde en nadeelige invloeden. Gij wenscht naar een grooter en gezonder verblijf. Dan moet gij u daarvoor geschikt maken door eerst van uw huisje voor zooveel mogelijk een klein paradijs te maken. Houd het keurig netjes, zorg dat het er zoo lief en gezellig in uitziet als uwe middelen u maar veroorlooven. Kook uw eenvoudig voedsel met de grootste zorg en schik alles op uw bescheiden disch zoo smaakvol als maar mogelijk is. Als gij geen tapijt betalen kunt, laat uwe kamers bekleed zijn met den glimlach der gastvrijheid, vastgehecht met vriendelijke woorden door den hamer des gedulds. Zulk een kleed zal door de zon niet verschieten en het zal door voortdurend gebruik niet verslijten.

Door zoo uw tegenwoordige omgeving te veredelen zult gij u daarboven verheffen en boven de behoefte daaraan en te rechter tijd zult gij overgaan in de betere woning en omgeving, die reeds op u wachtte en waarvoor gij u nu geschikt gemaakt hebt.

Misschien verlangt gij naar meer tijd voor gedachte en krachtsinspanning en gevoelt gij, dat uw werkuren te hard en te lang zijn. Zie dan toe, dat gij zooveel mogelijk partij trekt van den weinigen vrijen tijd, die u overblijft. Het dient nergens toe naar meer tijd te verlangen, indien gij aireede verkwist het weinige, dat gij hebt; gij zoudt maar trager en onverschilliger worden.

Zelfs armoede en gebrek aan tijd en vrije oogenblikken zijn de rampen niet waar gij ze voor houdt, als zij u in uw vootuitgang hinderen is dit, omdat gij ze met uw eigen zwakheden hebt omhangen en het kwaad, dat gij er in ziet, ligt in werkelijkheid in uzelf. Tracht volledig en volkomen te realiseeren, dat in zooverre gij uw gemoed vormt en bewerkt, gij de maker zijt van uw lot en terwijl gij door de kracht der tucht dit meer en meer verstaat zult gij bemerken, dat deze zoogenaamde rampen in zegeningen kunnen omgezet worden. Dan zult gij uw armoede benutten voor het kweeken van geduld, hoop en moed en uw gebrek aan tijd tot het verkrijgen van snelheid van daad en beslissing, door de kostbare oogenblikken aan te grijpen als zij zich op uw weg vertoonen. Evenals op den slechtsten grond de schoonste bloemen gekweekt worden, zoo hebben ook in de duistere omgeving der armoede de heerlijkste bloemen der menschheid zich ontwikkeld en gebloeid. Waar moeilijkheden bestaan om tegen te kampen en tegenwerkende omstandigheden te overwinnen zijn, daar bloeit de deugd het meest en vertoont er haar heerlijkheid.

Misschien zijt gij in den dienst van een tiranniek meester of meesteres en gij vindt dat gij hard behandeld wordt. Beschouw ook dit als noodig voor uwe vorming. Vergeld de onvriendelijkheid van uw heer met zachtheid en vergevensgezindheid, Beoefen voortdurend geduld en zelfbeheersching. Weet deze omstandigheden aan te wenden tot het verkrijgen van zedelijke en geestelijke kracht, want door uw stil voorbeeld en invloed zult gij uw heer een les geven en hem zoover brengen, dat hij beschaamd is over zijn gedrag en gij zult terzelfdertijd u verheffen tot die hoogte van geestelijke kracht, waardoor gij in staat zult zijn te treden in een betere omgeving, wanneer die u aangeboden wordt. Klaag niet, dat gij een slaaf zijt maar verhef u door uw edel gedrag boven de sfeer der slavernij. Voordat gij u er over beklaagt, dat gij de slaaf van een ander zijt, overtuig u eens, of gij niet de slaaf van uzelf zijt. Schouw in uw binnenste; onderzoek u terdege en heb geen mededoogen met uzelf. Gij zult misschien slaafsche gedachten en wenschen ontdekken en in uw dagelijksch leven en gedrag slaafsche gewoonten. Overwin die, houd op met een slaaf van uzelf te zijn en niemand ter wereld zal de macht hebben u tot zijn slaaf te maken. Naarmate gij uzelf overwint, zult gij alle tegenwerkende omstandigheden overwinnen en alle moeilijkheden zullen voor u wegvallen. Klaag niet, dat gij door de rijken verdrukt wordt. Zijt gij er wel zeker van, dat gij, als gij rijk waart, anderen niet verdrukken zoudt? Bedenk, dat er een eeuwige wet bestaat, die volkomen rechtvaardig is en dat degene, die vandaag verdrukker is, morgen zelf verdrukt moet worden; hier is geen ontkomen aan.

Misschien waart gij vroeger (in een vorig bestaan) rijk en een verdrukker en betaalt gij nu slechts de schuld af, die nog op uw rekening stond bij de Eeuwige Wet. Beoefen daarom geestkracht en geloof. Vertoef voortdurend met uwe gedachten bij het Eeuwige Recht, het Eeuwige Goed. Tracht uzelf te verheffen boven het persoonlijke en het vergankelijke tot het onpersoonlijke en het onvergankelijke. Schud af het dwaze denkbeeld, dat gij benadeeld of verdrukt wordt door een ander en tracht te verstaan, door een dieper begrip van uw innerlijk leven en van de wetten, die dat leven beheerschen, dat gij slechts benadeeld wordt door datgene, bat in u is. Er bestaat geen meer verlagende en ziel vernietigende practijk, dan medelijden aan te kweeken met zichzelf. Zet dat van u af. Terwijl zulk een kanker uw hart wegvreet, kunt gij nooit verwachten tot hooger leven te geraken. Houd op met het veroordeelen van anderen en begin met uzelf te veroordeelen. Duld geen enkele handeling, wensch of gedachte in uzelf, die niet den toets kan doorstaan van onbevlekte reinheid, of het licht van zondeloos bestaan. Door zoo te handelen zult gij uw huis bouwen op de rots van den Eeuwige en alles wat vereischt wordt voor uw geluk en welzijn zal op zijn eigen tijd tot u komen. Er is werkelijk geen manier om zich blijvend te verheffen boven armoede of over welken ongewenschten toestand ook, dan door die zelfzuchtige en negatieve toestanden binnen in u uit te roeien, waarvan eerstgenoemde de weerkaatsing zijn en waardoor zij iri wezen blijven. De manier om waren rijkdom te verkrijgen is de ziel te verrijken met deugden. Buiten de ware deugd des harten bestaat voorspoed noch macht, alleen de schijn daarvan. Ik weet wel, dat er menschen zijn, die veel geld verdienen, zonder dat zij de deugd beoefenen, of zonder dat zij daarnaar wenschen; maar zulk geld is ook geen ware rijkdom en het bezit er van is vergankelijk en een bron van onrust. Lees het getuigenis van David: „Ik was nijdig op de dwazen, toen ik den voorspoed der boozen zag . . . Hun oogen druipen van vet, zij hebben al de begeerten huns harten .... Voorwaar ik heb mijn hart vergeefs gereinigd en mijn handen in onschuld gewasschen .... Toen ik dit alles overdacht, werd het te zwaar voor mij, totdat ik in het heligdom des Heeren inging en het einde der goddeloozen aanschouwde”. De voorspoed der goddeloozen was een groote beproeving voor David, totdat hij in het heiligdom Gods inging en toen aanschouwde hij hun einde. Ook gij kunt in dat heiligdom binnentreden. Het is in u. Het is die toestand van bewustheid, die overblijft, wanneer alles wat laag is, persoonlijk en vergankelijk, uit den weg is geruimd en mensch-lievende en eeuwige beginselen alleen overblijven. Dat is de goddelijk verheven toestand van bewustheid; het is het heiligdom van den Allerhoogste. Wanneer gij, door langdurigen strijd en tucht er in geslaagd zijt de deur van dat heiligdom binnen te treden, zult gij met groote klaarheid het einde en de vrucht van alle menschelijke gedachten en pogingen bemerken, zoowel ten goede als ten kwade. Dan zal uw geloof niet langer wankelen, wanneer gij ziet, hoe de onzedelijke man schatten ophoopt, want gij zult weten, dat hij toch weer tot armoede en laagheid moet vervallen. De rijke man, die ontbloot is van deugd, is in werkelijkheid arm en even zeker als het water der rivier afstroomt naar den oceaan, even zeker zinkt hij te midden van al zijn rijkdommen weg tot armoede en ongeluk; en ofschoon hij rijk sterft, toch moet hij terugkeeren om de bittere vrucht te oogsten van al zijn onzedelijkheid. En al werd hij verscheidene malen rijk, toch moet hij evenzooveel malen terugvallen tot armoede, totdat hij, na lange ondervinding en lijden, zijn innerlijk gebrek weet te overwinnen. Maar de man die uiterlijk arm is, maar rijk in deugd, is werkelijk rijk en te midden van al zijn armoede, gaat hij den weg des voorspoeds, waarop overvloedige vreugde en zaligheid in het einde zijn deel zullen worden.

Als gij waarlijk blijvend gelukkig wilt worden, moet gij eerst deugdzaam worden. Het is daarom dwaas terstond den voorspoed na te jagen, dit tot het eenige levensdoel te maken en verlangend de handen er naar uit te strekken. Door dit te doen bereidt gij u een zekere nederlaag. Tracht liever naar zelfvolmaking, maak nuttig en onzelfzuchtig dienstbetoon tot uw voornaamste levensdoel en steek steeds de hand des geloofs eerbiedig uit naar de hoogste en onveranderlijke bron van het goede. Gij zegt, dat gij rijkdom niet alleen om zichzelf begeert, om er wel mee te doen en anderen tot zegen te zijn.

Indien dit uw ware beweegreden is, zal rijkdom stellig uw deel worden; want gij moet wel sterk en onzelfzuchtig zijn, als gij te midden van rijkdom uzelf kunt beschouwen als rentmeester en niet als eigenaar. Maar overweeg wel uw beweegredenen want in het grootste aantal gevallen, dat geld verlangd is om er anderen mee wel te doen was het verborgen motief de zucht naar populariteit en een wensch om bekend te staan als philantroop of hervormer. Indien gij niet wel doet met het weinige, dat gij hebt, kunt gij er zeker van zijn, dat hoe meer geld gij hadt, hoe zelfzuchtiger gij zoudt worden en al het goed, dat gij schijnbaar met uw geld doen zoudt, als gij nog die moeite naamt, zou slechts tot zelfverheffing voor u leiden. Indien het werkelijk uw wensch is goed te doen, behoeft gij niet op het bezit van geld te wachten, gij kunt het nu op dit oogenblik doen, waar gij ook zijt. Als gij werkelijk zoo onzelfzuchtig zijt, als waarvoor gij uzelf houdt zult gij dat toonen door u nu voor anderen op te offeren. Hoe arm gij ook zijt, toch is er nog wel gelegenheid tot zelfopoffering; wierp niet de weduwe haar laatste penningske in de schatkist. Het hart, dat werkelijk goed wil doen wacht niet op geld om het te doen, maar komt tot het altaar des offers en daar de onwaardige elementen der zelfzucht achterlatende, gaat het uit tot zijn naaste en vreemdeling, vriend en vijand allen smaken gelijkelijk de vrucht van den verkregen zegen.

Zooals het gevolg afhangt van de oorzaak zoo staan ook voorspoed en kracht in betrekking tot het goede en armoede en zwakheid tot het innerlijk kwade.

Geld maakt geen waren rijkdom uit, evenmin stand of vermogen en wie er op bouwt en op niets anders, staat op een gladde baan.

Uw ware rijkdom bestaat in uw verkregen deugden en uw ware kracht ligt in het gebruik dat gij daarvan maakt. Leid uw hart in het rechte spoor en uw leven zal daarin van zelf blijven. Zinnelijkheid, haat, toorn, ijdelheid, trots, begeerlijkheid, traagheid, zelfzucht, hardnekkigheid, — alle deze zijn armoede en zwakheid; terwijl liefde, reinheid, zachtmoedigheid, nederigheid, geduld, medelijden, edelmoedigheid en zelfverzaking, — rijkdom en macht uitmaken.

Wanneer de elementen der onmacht en zwakheid overwonnen zijn, openbaart zich een onweerstaanbare en alles overwinnende kracht naar buiten en degene, die er in slaagt zich tot de verhevenste deugden te vormen, brengt de geheele wereld aan zijn voeten.

Maar bij de rijken evenals bij de armen bestaan ongewenschte toestanden en zij zijn dikwijls verder verwijderd van het geluk dan de armen. Hieruit zien wij, dat het geluk niet afhangt van uitwendigen steun of van wereldsch bezit, maar van den toestand van het inwendig leven. Misschien zijt gij patroon en hebt eindelooze moeite met uw ondergeschikten en als gij eens goede en trouwe dienaren krijgt, gaan zij schielijk weer van u weg. Het resultaat is, dat gij uw geloof in de menschelijke natuur gaat verliezen of reeds geheel verloren hebt. Gij tracht de zaken te verbeteren door hooger loon te geven of zekere vrijheden toe te staan, maar de toestand blijft dezelfde. Luister eens naar mijn goeden raad. Het geheim van al uw moeite ligt niet bij uw ondergeschikten, het ligt in uzelf; en als gij uzelf onderzoekt met den nederigen en oprechten vvensch om uw dwaling te ontdekken en uit te roeien zult gij vroeger of later den oorsprong van al uw ongeluk ontdekken. Het kan een zelfzuchtige wensch zijn, of een geheim wantrouwen, of onvriendelijken gemoedstoestand, dat zijn vergif uitstort over allen om u heen en over uzelf, zelfs al zoudt gij hiervan niets laten bemerken in uw woorden of gedragingen. Denk aan uwe ondergeschikten met vriendelijkheid, let op hun geluk en gemak en eisch nooit van hen zooveel werk als gijzelf ook niet zoudt willen verrichten, als gij in hun plaats waart. De nederigheid des gemoeds, waarbij een dienstknecht zichzelf geheel vergeet in den dienst zijns meesters is zeldzaam en schoon, maar veel schooner en zeldzamer, ja, goddelijk verheven is die zielenadel, waardoor een mensch zijn eigen geluk uit het oog verliezend alleen den blik gevestigd houdt op het geluk van hen, die onder zijn bevelen staan en die voor hun brood van hem afhangen.

Het geluk van zulk een man wordt vertienvoudigd, ook behoeft hij nooit over zijn ondergeschikten te klagen. Een bekend groot werkgever, die nooit een werkman behoefde te ontslaan, zeide: „Ik heb altijd in de beste verstandhouding met al mijn werkvolk gestaan. Als gij mij de reden vraagt, dan kan ik alleen zeggen, dat ik getracht heb hen te behandelen, zooals ik zelf zou willen behandeld worden.” Hierin ligt het geheim, waardoor alle gewenschte toestanden in het leven worden geroepen en de ongewenschte uit den weg geruimd. Zegt gij, dat gij u eenzaam gevoelt en onbemind en dat gij „geen enkelen vriend in de wereld hebt?” Dan bid ik u terwille van uw eigen geluk, dat gij de reden hiervan bij niemand dan bij uzelf zoekt. Wees rein en beminnenswaardig en allen zullen u liefhebben. Welke omstandigheden uw leven ook bemoeilijken, gij kunt er doorheen komen en u er boven verheffen door in uzelf de kracht van zelfverzaking en zelfoverwinning aan te kweeken. Is het armoede, die u verbittert (en bedenk, dat de armoede, waarover ik uitgeweid heb die is, welke een bron van ellende uitmaakt en niet die zelfgekozen armoede, die de roem is van zielen, die zichzelf verzaken), of de rijkdom, die u bezwaart, of de vele ongelukken, smarten en onaangenaamheden, die den donkeren achtergrond vormen van het weefsel des levens, gij kunt die alle overwinnen door de zelfzuchtige elementen weg te nemen die er levenskracht aan verleenen.

Het komt er niet op aan, dat volgens de rechtvaardige wet er vroegere gedachten en handelingen zijn die nog gevolgen moeten hebben en nog verzoend moeten worden, daar wij volgens dezelfde wet gedurende ieder oogenblik van ons leven nieuwe gedachten en handelingen in werking stellen en wij de macht bezitten ze goed of kwaad te maken. Evenmin volgt het, dat als een mensch (maaiende, wat hij heeft gezaaid) zijn geld of zijn positie moet verliezen, hij ook zijn geestkracht of oprechtheid zou moeten inboeten en hierin bestaat juist zijn macht, rijkdom en geluk.

Hij, die steunt op zichzelf is zijn eigen vijand en door vijanden omgeven. Die zichzelf verzaakt is zijn eigen redder en omgeven door zijn vrienden als door een beschermenden gordel.

Voor de goddelijke klaarheid van een rein hart verdwijnt alle duisternis en worden alle wolken weggevaagd en hij, die zichzelf heeft overwonnen is meester van het gansche heelal.

Ga dan uit van uw armoede en onmacht, ga uit van uw pijn, uwe smarten, uw klachten en eenzaamheid door uw zelfzucht op te geven. Laat het oude verscheurde gewaad van uw zelfzucht u van de leden vallen en omhang u met het nieuwe kleed der algemeene menschenliefde. Dan zult gij den inwendigen vrede des hemels smaken en die zal zich openbaren in geheel uw uitwendig leven.

Hij die zijn treden vast zet op het pad der zelfoverwinning, die gesteund door den staf des geloofs wandelt op den weg der zelfopoffering, zal stellig tot den hoogsten voorspoed geraken en zal de overvloedige vruchten inoogsten van blijvende vreugde en zaligheid.

Voor hen die het hoogste goed zoeken,
Beantwoorden alle dingen aan de wijste doeleinden,
Niets komt als verderf alleen, en de wijsheid geeft
Vleugels aan alle vormen van boosaardig gebroed.

De duistere smart verbergt een ster,
Die slechts wacht om te schitteren met heerlijken glans
De hel is de page des hemels, en na den nacht,
Komt de gulden gloed uit de verte opduiken.

Nederlagen zijn trappen, waarlangs wij klimmen
Met reiner doel tot edeler einde,
Uit verlies komt winst en vreugde vergezelt,
De schreden der waarheid op de bergen des tijds.

Smart leidt tot paden der hoogste zaligheid,
Tot goddelijke woorden, gedachten en daden,
Duistere wolken en heldere stralen,
Beschaduwen en beschijnen den weg des levens.

Ongeluk beschaduwt slecht den weg,
Welks einde en uitgang is in den hemel
En eindeloos succes, hoog en verheven
Wacht op ons zoeken en ons verkrijgen.

Het zware doodskleed van twijfel en vreeze,
De wolken van de vallei onzer hoop,
De schaduwen, waarmede de geest kampt,
De bittere oogst van tranen.

De hartepijn, ellende en smart,
De wondeplekken door verscheurde banden,
Die zijn alle trappen, waarlangs wij stijgen
Tot den levenden weg van een vast geloof.

Medelijdende, waakzame liefde snelt toe om te ontmoeten,
Den pelgrim uit het land des noodlots,
Heerlijkheid en glorie wachten,
Op het komen van de voeten der gehoorzaamheid.

4. De geheime kracht der gedachten: het beheerschen en richten van ’s menschen vermogen

De sterkste machten in het heelal zijn de verborgen krachten; en volgens de intensiteit harer kracht wordt een macht weldadig, wanneer zij goed aangewend wordt en vernielend, wanneer zij verkeerd wordt gericht. Dit is een algemeen bekende waarheid met betrekking tot de mechanica, b.v. zulke krachten als stoom, electriciteit, enz., maar weinigen hebben nog geleerd om deze kennis toe te passen op het gebied des gemoeds, waar de kracht der gedachten (die den grootsten invloed heeft) voortdurend opgewekt wordt en uitgezonden als een stroom van geluk of verderf.

In dit tijdperk van zijn evolutie is de mensch getreden in het bezit dezer kracht en de geheele richting van zijn tegenwoordigen vooruitgang bestaat in haar volkomen onderwerping.

Alle wijsheid die voor den mensch op deze stoffelijke aarde verkrijgbaar is, bestaat alleen in volkomen zelfbeheersching en het gebod: „Hebt uw vijanden lief”, wordt opgelost in een vermaan om nu en voor altijd in te gaan tot het bezit van die verheven wijsheid, door het beheerschen van die gemoedskrachten, waaraan de mensch nu onderworpen is en waardoor hij machteloos wordt geslingerd, als een stroohalm op den oceaan, op den stroom der zelfzucht.

De Profeten des Ouden Testaments schreven met hun volkomen kennis van de opperste macht altijd uitwendige gebeurtenissen aan innerlijke gedachten en brachten nationalen rampspoed of succes in betrekking tot de gedachten en begeerten, die het volk in dien tijd beheerschten. De kennis van veroorzakende kracht der gedachten is de basis van al hun profetieën, evenals zij de basis is van alle ware wijsheid en macht. Nationale gebeurtenissen zijn eenvoudig het uitwerksel van de psychische kracht der natie. Oorlogen, pestilentie en hongersnood zijn het samentreffen of afstooten van verkeerd gerichten gedachtengang, de eindpunten, waarbij het verderf binnentreedt als de wreker der wet. Het is een dwaasheid een oorlog toe te schrijven aan één enkel mensch of aan een partij. Het is een uiterste daad van nationale zelfzucht.

De verborgen en overwinnende kracht der gedachte brengt alle dingen tot openbaarheid. Het heelal ontstond uit een gedachte. De stof ontleed in uiterst fijne deeltjes is bevonden te zijn niets dan objectieve stof. Al ’s menschen begaafdheden en talenten werden eerst in gedachten uitgewerkt en dan objectief gemaakt. De schrijver, de ontdekker, de bouwmeester overpeinst eerst zijn werk in stilte, en wanneer hij het in alle deelen heeft overdacht en het gevormd tot een volkomen en harmoniëerend geheel in zijn gedachten sfeer, begint hij het stoffelijk te maken en het te doen afdalen tot de stoffelijke of tastbare sfeer.

Wanneer de kracht der gedachten gericht wordt in harmonie met de alles beheerschende wet is zij opbouwend en bewarend, maar wanneer zij een verkeerde wending neemt, werkt zij vernietigend en vernielend.

Om al uw gedachten te richten op een volkomen en vast geloof in de alomtegenwoordigheid en de oppermacht van het goede is met dat goede samenwerken en in uzelf de oplossing en de vernietiging van alle kwaad te realiseeren. Geloof en gij zult leven. Hier hebben wij de ware beteekenis der zaligmaking; zaligmaking uit de duisternis en de ontkenning van het kwaad door in te gaan in het Eeuwig goede en er de werkelijkheid van te realiseeren. Waar vrees is, morren, angst, twijfel, moeite, verdriet of teleurstelling, daar is ook onwetendheid en gebrek aan geloof. Al deze gemoedstoestanden zijn het rechtstreeksch gevolg van zelfzucht en zijn gegrond op een daarmee samengaand geloof in de macht en de opperheerschappij van het kwade; daarom zijn zij eigenlijk atheïsme; en het eenige werkelijke atheïsme bestaat in het voortleven in en in het onderworpen zijn aan deze negatieve en zielverdervende toestanden.

Redding uit zulke toestanden is een behoefte voor dit geslacht en laat niemand op vrijheid roemen, zoolang hij nog hun hulpelooze en gehoorzame slaaf is. Het is even zondig te vreezen en te tobben als verwenschingen te uiten, want hoe kan iemand vreezen of tobben als hij innig gelooft in de eeuwige rechtvaardigheid, het alomtegenwoordig Goede of in grenzenlooze liefde? Vrees, tobben, twijfelzucht, verloochening is ongeloof.

Uit zulke gemoedstoestanden komt alle zwakheid en achteruitgang voort, want zij stellen voor de vernietiging en uiteenscheuring der positieve gedachten krachten die anders met macht tot hun object zouden snellen en hun weldadige vruchten zouden afwerpen.

Deze negatieve toestanden te overwinnen is een leven van kracht in te gaan, op te houden een slaaf te zijn en een heer te worden, er is echter maar een wijze, waardoor zij overwonnen kunnen worden en die is door voortdurenden en volhardenden groei in innerlijke kennis. Met het gemoed het kwade te ontwijken is niet voldoende; men moet door dagelijksche oefening er zich boven verheffen en men moet het verstaan. Innerlijk het goede te bewonderen is ook niet genoeg; men behoort, door volhardende pogingen, er zich aan te gewennen en het moet volkomen begrepen worden.

Het verstandelijk beoefenen van zelfbeheersching leidt weldra tot een kennis van iemands innerlijke kracht en later tot het verkrijgen van die macht, waardoor zij goed gebruikt en gericht wordt. Naarmate gij uzelf overwint en uw gemoedskracht overwint, in plaats van er door overwonnen te worden, in diezelfde mate zult gij alle zaken en uitwendige omstandigheden beheerschen.

Wijs mij den mensch aan, in wiens handen alles uiteenvalt, die het succes zelfs niet vasthoudt, wanneer het in zijn hand wordt gegeven, en ik zal u een mensch wijzen, die voortdurend in dien gemoedstoestand leeft, die recht tegenover het verkrijgen van macht staat, Indien men altijd zich rondwentelt in den poel van den twijfel, altijd getrokken wordt naar het drijfzand van de vrees of onophoudelijk her en der wordt geblazen door de winden van den angst, dan is men een slaaf, en men leeft een slavenleven, zelfs al zou succes en invloed altijd aan uw deur kloppen en verzoeken om binnengelaten te worden. Zulk een mensch, zonder geloof en zonder zelfbeheersching, kan zijn eigen zaken niet besturen en is een slaaf der omstandigheden, in werkelijkheid een slaaf van zichzelf. Zulke menschen leeren alleen door smart en gaan eindelijk over van zwakheid tot kracht door de les van bittere ondervinding.

Geloof en doel zijn de beweegkrachten des levens. Niets is er, dat een sterk geloof en een vast doel niet zou kunnen bereiken. Door de dagelijksche oefening van stil geloof wordt de kracht der gedachten geconcentreerd en door het dagelijksch versterken van het verborgen doel, worden die krachten gericht op het te verkrijgen voorwerp.

Wat uw stand in het leven ook zijn moge, voordat gij kunt hopen eenige mate van succes te behalen of tot eenig nut of macht te geraken moet gij leeren uw gedachten te concentreeren door kalmte en rust aan te kweeken. Misschien zijt gij een man van zaken en gij staat plotseling voor een overstelpende moeilijkheid of een ramp, die u waarschijnlijk treffen zal. Gij wordt bevreesd en onrustig en gij weet geen raad meer. Het zou noodlottig zijn in zulk een gemoedstoestand te volharden, want als gij angstig wordt kunt gij niet rustig oordeelen. Beproef nu eens een paar rustige uurtjes heel vroeg in den ochtend of in den laten avond te nemen, dan naar een eenzame plek te gaan of naar een stille kamer; ga dan eens gemakkelijk zitten en tracht met vasten wil uw gemoed af te wenden van het voorwerp van uw angst en uwe gedachten te vestigen op iets in uw leven, dat u aangenaam aandoet, dan zal een kalme stille rust langzamerhand over uw ziel komen en uw angst en onrust zal verdwijnen. Op het oogenblik, dat gij voelt hoe uw ziel terugkeert naar de lagere sferen, richt haar weer op en breng ze weer in de sfeer van vrede en kracht. Als dit ten volle is geschied kunt gij uw gansche ziel richten op de oplossing van uw moeilijkheid en hetgeen ingewikkeld en onoverkomelijk scheen in het uur van uw zielsangst zal nu duidelijk en gemakkelijk schijnen en ge zult zien met dien helderen blik en dat volmaakte oordeel, dat alleen behoort bij een kalm en rustig gemoed, welken weg gij hebt in te slaan en welk doel het best bereikt kan worden. Het kan wel zijn, dat gij u een paar dagen moet oefenen, voordat gij uw gemoed tot volkomen kalmte kunt brengen, maar als gij wilt volharden zult gij er wel in slagen. En hetgeen gij besloten hebt in dat rustig uur moet gij volvoeren. Als gij weder gewikkeld zijt in de dagelijksche dingen en zorgen binnensluipen en u overstelpen zult gij ongetwijfeld beginnen te denken, dat uw besluit verkeerd of dwaas is, maar let niet op zulke inblazingen. Laat u geheel en alleen leiden door wat gij in een toestand van kalmte voor uw geest hebt gezien en niet door de schaduwen van den angst. Het uur van kalmte is dat der verlichting en van het vellen van een juist oordeel. Door zulk een tucht des gemoeds worden de verstrooide krachten der gedachten weer vereenigd en evenals de stralen van het zoeklicht gericht op het op te lossen vraagstuk met dat resultaat, dat het ons geheel duidelijk voor den geest staat.

Geen moeilijkheid hoe groot ook, die niet verdwijnen zal voor een rustige en krachtige concentratie van gedachten en geen wettig object kan niet spoedig verwezenlijkt worden door het verstandig gebruiken en richten van iemands zielskrachten.

Niet voordat gij diep en onderzoekend gedrongen zijt in uw inwendig wezen en vele vijanden hebt overwonnen, die zich daar schuil houden, kunt gij ook maar bij benadering eenig begrip hebben van de subtiele macht der gedachte van haar onafscheidelijke betrekking tot uitwendige en stoffelijke dingen van haar toovermacht, wanneer zij goed wordt in evenwicht gehouden of gericht op het weder aanpassen of vervormen van de levenstoestanden.

Iedere gedachte, die gij koestert is een kracht, die uitgezonden wordt en volgens haren aard en intensiteit zal zij een onderkomen zoeken in gemoederen, die haar welkom willen heeten en zij zal op u werken ten goede of ten kwade. Er is een onophoudelijke betrekking tusschen de gemoederen en een voortdurende wisseling van kracht der gedachten. Zelfzuchtige en rustverstorende gedachten zijn even zoovele boosaardige en vernielende krachten, gezanten des kwaads, uitgezonden om het kwaad op te wekken en aan te hitsen in de gemoederen van anderen, die ze op hun beurt met vermeerderde kracht naar u terugzenden. Terwijl daarentegen kalme, reine en onzelfzuchtige gedachten even zoovele hemelsche gezanten zijn die in de wereld gezonden worden met gezondheid genezing en zegen op hun vleugelen, de booze machten tegenwerkende; de olie der vreugde uitgietende over de onrustige wateren van angst en droefheid en aan de gebroken harten hun erfgoed der onsterfelijkheid wedergevend. Laat goede gedachten in u wonen en zij zullen zich snel omzetten in uw dagelijksch leven in den vorm van gezegende toestanden. Beheersch uw zielskrachten, dan zult gij in staat zijn uw uitwendig leven volgens uw eigen wil te vormen. Het verschil tusschen een heilaanbrenger en een zondaar is, dat eerstgenoemde volkomen de krachten, die in hem zijn, beheerscht, en de ander door die krachten integendeel overheerscht wordt.

Er is geen andere weg tot ware kracht en blijvenden vrede dan door zelf beheersching zelfbestuur en zelfreiniging. Af te hangen van uw luimen beteekent machteloos en ongelukkig te zijn, van weinig nut te wezen in de wereld. Het overwinnen van uw onbeduidende wenschen en begeerten, van afkeer en tegenzin, die van uw aanvallen van toorn, vertrouwen en jaloezie en van al de wisseling van gemoedsgesteldheid, waaraan gij min of meer onderworpen zijt, dit is de taak, die voor u ligt, indien gij door uw levensdraad de gulden draden van geluk wilt weven en voor zoover gij in slaafsche onderwerping zijt aan de wisseling van uw humeur, zult gij afhangen van anderen en van uitwendige hulp, als gij door het leven heengaat. Als gij met vasten wil iets wilt tot stand brengen, moet gij leeren u te verheffen boven al zulke storende en vertragende invloeden en trachten ze te beheerschen. Gij moet dagelijks de gewoonte aannemen van uw gemoed tot rust te brengen „in de stilte gaan” zooals men gewoonlijk zegt. Dit is een wijze om een gedachten van onrust en zwakheid te vervangen door gedachten des vredes en van kracht, voordat gij hierin slaagt, kunt gij niet hopen uw zielskracht te richten op de vraagstukken en moeilijkheden des levens met eenige verwachting van goeden uitslag. Het is de manier om zijn verstrooide krachten bijeen te brengen in een groot machtig kanaal. Evenals een nutteloos moeras veranderd kan worden in een veld vol gouden korenaren of in een vruchtbaren tuin door rioleering en door de verspreide en nadeelige waterloopen bijeen te brengen in één goed gegraven kanaal, evenzoo redt degene, die kalmte weet te verkrijgen en de gedachtenloopen weet te onderwerpen en in zichzelf te richten, zijn eigen ziel en hij maakt zijn hart en leven vruchtbaar.

Naarmate gij er in slaagt uw indrukken en gedachten te beheerschen zult gij beginnen te gevoelen, dat er een nieuwe en stilzwijgende kracht in u opwast en een gevestigd gevoel van kalmte en kracht zal met u blijven. Uw verborgen krachten zullen beginnen zich te ontplooien en terwijl vroeger uw pogingen zwak waren en weinig uitwerkten, zult gij nu in staat zijn te werken met dat kalme vertrouwen, dat uw succes verzekert. En met deze nieuwe kracht, zal er in u opgewekt worden die innerlijke verlichting, bekend als intuïtie en gij zult niet langer in onrust en onzekerheid leven, maar in licht en kracht. Met de ontwikkeling van dezen zielsblik zullen een goed oordeel en inzicht op onmetelijke wijze worden vermeerderd en er zal zich in u ontwikkelen dat profetisch gezicht waardoor het u mogelijk zal zijn komende toestanden vooruit te zien en vooraf te kunnen zeggen met een verwonderlijke juistheid, wat het resultaat van uw pogingen zal zijn. En juist in dezelfde mate, dat gij innerlijk verandert zal ook uw blik op het leven veranderen en als gij in uw houding tegenover anderen verandert zullen zij ook in hun houding en gedrag tegenover u veranderen. Naarmate gij u verheft boven de lagere, verzwakkende en vernielende krachten der gedachte, zult gij in aanraking komen met de positieve versterkende en opbouwende stroomen opgewekt door sterke, reine en edele gemoederen, uw geluk zal oneindig vermeerderd worden en gij zult beginnen de vreugde, kracht en sterkte te realiseeren, die alleen ontstaan uit het beheerschen van uzelf. Deze vreugde, kracht en sterkte zal onophoudelijk van u uitstralen en zonder eenige moeite van uwe zijde, ja, ofschoon gij er geheel onbewust van zijt, zullen sterke zielen zich tot u getrokken gevoelen, gij zult veel invloed verkrijgen en volgens uw veranderde gedachtenwereld zullen de uitwendige gebeurtenissen voor u een gestalte aannemen. „De vijanden eens mans zijn die van zijn eigen huis”, en degene, die nuttig, sterk en gelukkig zou willen zijn, moet ophouden lijdelijke, negatieve, nietswaardige en onreine stroomen van gedachten in zich op te nemen; evenals een wijs huisbezorger zijn dienstknechten bevelen geeft en zijn gasten uitnoodigt, eveneens moet hij leeren zijn wenschen te beheerschen en wel te beslissen welke gedachten hij in den tempel zijns gemoeds zal binnenlaten. Zelfs een gedeeltelijk succes in zelfbeheersching brengt reeds veel sterkte aan en degene, die er in slaagt dezen verheven toestand in het leven te roepen, gaat in tot het bezit van een ongedachte wijsheid, innerlijke kracht en vrede en realiseert, dat al de krachten van het heelal de schreden bevestigen en beschermen van hem, die zijn ziel volkomen beheerscht.

Wilt gij opstijgen tot de hoogste hemelen,
Of nederdalen in de diepste diepte der hel, —
Leef in droomen van verheven schoonheid,
Of overdenk wat laag, zondig is en slecht.

Want uw gedachten zijn die hoogste hemelen;
En zij zijn eveneens het diepste der hel;
Zaligheid bestaat alleen in gedachten,
Met kwelling en pijn is het eveneens gesteld.

Werelden verdwijnen alleen door gedachten;
Glorie bestaat slechts in den droom;
En het drama aller eeuwen,
Stroomt uit des Eeuwigen gedachten neer.

Waardigheid, schaamte en bedroefdheid,
Pijn en angst, liefde en haat,
Zijn slechts vormen van de levende,
Machtige gedachte, die het noodlot beheerscht.

Als de kleuren van den regenboog
Vormen het ééne witte licht,
Zoo uit de algemeene wisseling,
Wordt de ééne Eeuwige droom.

En de droom is steeds binnen in u,
En de droomer wacht reeds lang,
Dat de morgen hem kome wekken,
Voor de levende gedachte der kracht.

Dat verwezenlijkt het ideaal,
Doet de droom der hel verdwijnen,
In den hoogsten, heiligsten hemel,
Waar de reinen en goeden wonen.

De gedachte alleen maakt het kwade,
Het goede wordt ook door gedachte gevormd;
Licht en duisternis, zonde en reinheid,
Komen ook alleen uit gedachten voort.

Verwijl in gedachten bij het verhevene,
En het verhevenste zult gij zien;
Vestig uw geestkracht op het hoogste,
En het hoogste zult gij zien.

5. Het geheim van gezondheid, succes en kracht

Wij herinneren ons allen met welk een genot wij, als kinderen, luisterden naar de sprookjes, verhalen, die ons altijd nieuw leken. Hoe gretig volgden wij het afwisselend geluk van den goeden jongen of het brave meisje, die altijd in de ure des gevaars beschermd werden voor de boosaardige plannen van de listige tooverheks, den wreeden reus of den boozen koning. Onze kleine harten beefden nooit voor het lot van onzen held of heldin, wij twijfelden nooit aan hun eindelijken triomf over al hun vijanden, want wij wisten, dat de feeën onfeilbaar waren en dat zij nooit degenen zouden verlaten, die zich hadden gewijd aan het goede en aan de waarheid. Hoe trilden wij van onuitsprekelijke vreugde als de toovergodin, die al haar tooverkunsten te berde bracht op het kritieke oogenblik, al de duisternis en verwarring uit den weg ruimde en hun de volkomen vervulling van al hun verwachtingen verleende en als zij nu voor altijd gelukkig waren”.

Met de wassende jaren en nu wij vertrouwd zijn met de zoogenaamde realiteit des levens, verdween onze schoone tooverwereld uit ons oog, hare wonderheerlijke bewoners werden terzijde gezet in de archieven van ons geheugen naast het vage en onwezenlijke. Wij dachten dat wij zeer wijs en krachtig handelden met zoo voor goed het land der kinderlijke droomen te verlaten, maar als wij weder kleine kinderen worden in de wonderwereld der wijsheid, zullen wij weder terugkeeren naar de bezielende droomen van den kinderleeftijd en bevinden, dat zij toch eigenlijk werkelijkheid zijn. De kabouters, zoo klein en bijna altijd onzichtbaar, die toch een onverwinbare toovermacht bezaten, welke aan de goeden gezondheid, overvloed en geluk verleenden, met al de giften der natuur in overvloeiende mate, vertoonen zich weer in werkelijke gestalte aan ons oog en worden onsterfelijk gemaakt in het gebied der ziel van dengene die door opwassen in wijsheid ingegaan is tot de kennis van de macht der gedachte en van de wetten, die de innerlijke wereld des bestaans beheerscht. Voor hem leven de toovergodinnen weer als gedachten, gezanten en krachten door gedachten gewekt, die in harmonie met het alles overheerschende goede samenwerken. En degenen, die dag na dag, hun hart in overeenstemming trachten te brengen met het hart van den Oppermachtig-Goede, verkrijgen in werkelijkheid een vaste gezondheid, overvloed en geluk. Er is geen bescherming ook maar in het minst te vergelijken met braafheid en daarmede bedoel ik niet een uiterlijk zich voegen naar de wetten der zedelijkheid; ik meen reine gedachten, edele aspiraties, onzelfzuchtige liefde en vrijheid van ijdele eer. Als men voortdurend verkeert in goede gedachten, hult men zich in een atmosfeer van liefde en kracht, die haren indruk achterlaat op allen, die er mee in aanraking komen.

Evenals de opkomende zon de vage schaduwen verdrijft, zoo worden al de machtelooze krachten des kwaads op de vlucht gedreven door de alles doordringende stralen van positieve gedachten, die uit een hart stralen, dat sterk is in reinheid en geloof.

Waar een vast geloof is gepaard met eerlijkheid en reinheid, daar is gezondheid, succes en kracht. In zulk een gemoed kan ziekte, droefenis en rampspoed niet huizen, want er is niets, waarin zij een steunpunt zouden kunnen vinden.

Zelfs physieke toestanden hangen in groote mate van den zielstoestand af en voor deze waarheid opent de wereld der wetenschap meer en meer de oogen.

Het oude, materialistische geloof, dat een mensch is wat zijn lichaam hem maakt, verdwijnt langzamerhand en wordt vervangen door het denkbeeld, dat de mensch staat boven zijn lichaam en dat zijn lichaam is, zooals hij het maakt door de kracht der gedachte. De menschen gelooven nu nergens meer, dat een mensch tot wanhoop komt, omdat hij een slechte spijsvertering heeft, maar zij beginnen te begrijpen, dat hij een slechte spijsvertering heeft, omdat hij gedachten der wanhoop koestert en in de naaste toekomst zal het feit, dat alle ziekte haar oorsprong heeft in den zielstoestand meer en meer de overtuiging van allen worden.

Er is geen kwaad in het heelal, dat niet zijn oorsprong en wortel heeft in het gemoed en zonde, ziekte, droefenis en smart behooren niet werkelijk tot den algemeenen regel, en liggen niet in den aard der dingen maar zijn het rechtstreeksch gevolg van onze onbekendheid met de ware betrekking waarin de dingen tot elkander staan. Het verhaal luidt, dat er eens in Indië een school van wijsgeeren bestond, die een leven van zulke volstrekte reinheid en eenvoud leidden, dat zij gewoonlijk den leeftijd van houden vijftig jaar bereikten. Ziek te worden was bij hen een onvergeeflijke misdaad, want dit werd beschouwd als een overtreding der wet.

Hoe spoediger wij realiseeren en erkennen, dat ziekte, verre van te zijn een willekeurige bezoeking van eene beleedigde Godheid, of de beproeving van een onverstandige voorzienigheid het resultaat is van onze eigen dwaling of zonde, hoe eerder wij den weg der gezondheid zullen betreden. Ziekte komt tot degenen, die zich deze kwelling op den hals halen, tot degenen, wier zielstoestand en lichaam ze opnemen kunnen en zij ontvliedt degenen, wier sterke, reine en positieve gedachtensfeer genezing kweekt en levenwekkende stroomingen.

Als gij u overgeeft aan toorn, onrust, jaloezie of eenigen anderen disharmoniëerenden gemoedstoestand en gij dan een goede gezondheid verwacht, wenscht gij het onmogelijke, want gij zaait voortdurend de kiemen van ziekte in uw gemoed. Zulke gemoedstoestanden worden zorgvuldig door den wijze vermeden, want hij weet, dat ze hem gevaarlijker kunnen zijn dan. een slecht riool of een besmet huis.

Als gij u vrij wilt houden van alle physieke pijn en smart en gij in volkomen harmonie wilt leven, waak dan over uw gemoedstoestand en harmonieer uw gedachtengang.

Zet uw jaloezie van u af, uw wantrouwen, uw tobberij, uw haat, uw ruw, zelfzuchtig toegeven, en gij zult eveneens terzijde stellen uw slechte spijsvertering, uw galachtigheid, zenuwachtigheid en pijnlijke gewrichten.

Als gij wilt volhouden u vast te klemmen aan dezen ontzenuwenden gemoedstoestand, klaag dan niet wanneer uw lichaam door ziekte gekweld wordt.

De volgende geschiedenis maakt ons duidelijk welke nauwe betrekking er bestaat tusschen den toestand der ziel en des lichaams: — Een man werd gekweld door een pijnlijke ziekte, hij won den raad in van den eenen arts na den anderen maar niets hielp hem. Toen bezocht hij steden, die beroemd waren voor hare geneeskrachtige wateren en nadat hij zich in alle gebaad had, was zijn ziekte pijnlijker dan ooit. Eens op een nacht droomde hij, dat een gestalte hem verscheen en tot hem sprak: Broeder hebt gij alle middelen ter genezing beproefd?” waarop hij antwoordde: „Ik heb ze alle beproefd”. „Toch niet,” ging de verschijning voort, „Ga met mij mede, en ik zal u een bad ter genezing aanwijzen, dat aan uwe opmerkzaamheid is ontgaan”. De verschijning leidde hem naar een helderen waterplas en zeide: „Dompel u in dit water en gij zult zeker genezen”, waarop de gestalte verdween. De man dompelde zich in het water en toen hij er uit opsteeg, zie, de ziekte was van hem geweken en op hetzelfde oogenblik zag hij boven den plas geschreven de woorden: „Verzaak u zelf”. Toen hij ontwaakte kwam de volle beteekenis van den droom hem voor den geest en zijn geweten onderzoekend, ontdekte hij, dat hij steeds het slachtoffer was geweest van een menschonteerende zonde en hij deed een gelofte, dat hij die voor altijd zou opgeven. Hij hield zijn gelofte en van dien dag af begon zijn ziekte hem te verlaten en na korten tijd was hij weer in het volle genot zijner gezondheid. Vele menschen beklagen er zich over, dat hun krachten te kort schieten voor het vele werk, dat op hunne schouders geladen wordt. In de meeste gevallen was hun kracht ontoereikend, omdat zij hun energie op dwaze wijze gebruiken.

Als gij gezond wilt blijven, moet gij leeren rustig te werken. Indien gij onrustig of opgewonden wordt of u kwelt over noodelooze nietigheden, veroorzaakt gij zelf een instorting van krachten. Werk, zij het geestesarbeid of lichamelijke arbeid, die is gezond en weldadig en de mensch die onverstoord en kalm kan arbeiden vrij aan niets denkend dan aan het werk, waaraan hij op dat oogenblik bezig is, zal niet alleen veel meer verichten dan hij, die altijd gehaast en onrustig is, maar hij zal zijn gezondheid bewaren, een goed, dat de ander spoedig moet inboeten.

Goede gezondheid en succes gaan altijd samen, zij zijn onafscheidelijk verbonden in de sfeer der gedachten. Evenals harmonie van het gemoed lichamelijke gezondheid bereikt, evenzoo vormt zij een schakel bij het uitwerken van onze plannen.

Indien gij uw gedachten regelt, dan gaat uw leven ook op geregelde wijze voort. Giet de olie der rust op de onstuimige wateren der hartstochten en vooroordeelen en het zal onmogelijk zijn voor de stormen van het ongeluk, hoezeer zij ook mogen dreigen om het schip uwer ziel te doen vergaan terwijl het de wateren doorsnijdt van den oceaan des levens. En als dat schip wordt bestuurd door een blijmoedig en volhardend geloof zal zijn vaart dubbel zeker zijn en het zal aan gevaren ontsnappen, waardoor het anders bedreigd zou worden, Door de kracht des geloofs wordt elk blijvend werk volbracht. Geloof in het Opperwezen; in de alles beheerschende wet, in uw werk, en in de kracht om dat werk te voleindigen, — dat is de rots, waarop gij moet bouwen, als gij iets tot stand zoudt willen brengen, als gij wilt blijven staan en niet vallen. Onder alle omstandigheden de hoogste aandrift binnen in U te volgen; altijd trouw te zijn aan het goddelijk beginsel in U; te steunen op het innerlijk licht, de innerlijke stem en uw doel in het oog te houden met een onversaagd en rustig hart, overtuigd dat de toekomst u een belooning zal zijn voor iedere poging ten goede; overtuigd dat de wereldwetten nooit falen, dat hetgeen gij gezaaid hebt weer met wiskundige zekerheid tot u terug zal keeren, dat is geloof en leven door het geloof. In de kracht van zulk een geloof worden de wateren der onzekerheid van een gescheiden, elke berg van moeilijkheid valt in stof uiteen en de ziel komt onbeschadigd uit elke moeielijkheid weer te voorschijn. Streef er naar, lezer, om boven alles die parel van groote waarde te verkrijgen, dat onversaagd geloof, want het is de talisman van alle geluk, succes, vrede en macht, van alles wat het leven groot maakt en het boven ’t lijden verheft. Bouw op zulk een geloof en gij zult gegrondvest staan op de rots der eeuwen. Bedien u van de eeuwige materialen en het gebouw, dat gij opricht zal nooit in puin kunnen vallen, want het zal alle opeenhooping van stoffelijken rijkdom en weelde te boven gaan, die in het einde toch slechts aan de vergankelijkheid onderworpen zijn. Hetzij gij dan geworpen wordt in de diepten der droefenis of opgeheven tot de hoogten der vreugde, houd u steeds vast aan dit geloof, keer er steeds naar terug als naar de rots uwer toevlucht en houd uwe voeten vast geworteld op haar onsterfelijk en onbeweeglijk voetstuk. Gegrond op zulk een geloof zult gij zulk een geloof verkrijgen, dat gij als glazen speelgoed al de booze machten, die tegen u afgezonden worden verbreken kunt en gij zult een uitslag verkrijgen, waarvan de jager naar wereldsch genot nooit zou hebben kunnen droomen. „Indien gij geloof hadt en niet twijfeldet, dan zoudt gij niet alleen dit doen, .... maar als gij tot gindschen berg zoudt zeggen: word opgeheven en in de zee geworpen, zie, het zou geschieden.”

Er bestaan menschen op dezen huidigen dag, mannen en vrouwen levende in het vleesch, die dit geloof bezitten die er in leven en het tot de uiterste consequenties doordrijvend, ingegaan zijn ip de heerlijkheid en in den vrede daaraan verbonden. Dezen hebben die woorden gesproken en de bergen van verdriet en teleurstelling van vermoeidheid des geestes en van physieke pijn zijn van hen weggenomen en geworpen in den oceaan der vergetelheid.

Indien gij in het bezit wilt komen van dit geloof, behoeft gij niet te vreezen voor uw toekomst, voor uw tegen- of voorspoed, het succes zal zeker komen. Gij behoeft niet te vreezen voor de uitkomst, maar gij zult in vreugde en vrede arbeiden, wetende dat goede gedachten en pogingen ten goede ook stellig goede resultaten zullen opleveren.

Ik ken een dame, die veel zegen ondervonden heeft en onlangs zeide iemand tot haar: „Wat zijt gij toch gelukkig! Ge behoeft slechts naar iets te wenschen en dan hebt gij ’t ook.” Zoo scheen het oppervlakkig beschouwd ook te zijn; maar in werkelijkheid is al de zegen waarvan het leven dezer vrouw vervuld is geweest het rechtstreeksch gevolg van den innerlijken toestand van geluk, dien zij haar geheele leven heeft aangekweekt en nu tot volmaaktheid opgevoerd heeft. Wenschen alleen brengt ons niiets dan teleurstelling, ons leven wijst het alleen uit. De dwazen wenschen en morren; de wijzen werken en wachten. Deze vrouw had gewerkt, naar buiten en binnen in zich, vooral in haar hart en ziel en met de onzichtbare geesteshanden had zij opgebouwd met de kostbare steenen des geloofs, der hoop, der vreugde, toewijding en liefde, een schoonen tempel des lichts, waarvan de heerlijke glans altijd om haar heen straalde. Die schitterde in haar oog; blonk van haar gelaat, trilde in haar stem; en allen, die in haar tegenwoordigheid kwamen gevoelden er de betoovering van.

Zooals het met haar geweest is, zoo kan het met u gaan. Gij voert uw succes, uw rampspoed, uw invloed, uw geheele leven met u, want uw overheerschende gedachtengang is de beslissende factor in uw lot. Zend liefdevolle, reine en gelukkige gedachten uit en zegen zal uw deel zijn, uw tafel zal gespreid zijn met het kleed des vredes. Zend hatelijke onreine en onaangename gedachten uit en verwenschingen zullen over u uitgestort worden, vrees en onrust zullen uw slaap verstoren. Gij zijt zelf de onvoorwaardelijke maker van uw lot, wat dat lot ook wezen moge. Ieder oogenblik zendt gij den invloed van u uit, die uw leven zal gelukkig maken of bederven. Laat uw hart ruim zijn, liefhebbend en onzelfzuchtig, groot en blijvend zal uw invloed en succes zijn, schoon gij weinig geld verdient. Beperk het tot de enge grenzen van uw eigen belangen en zelfs schoon gij millionnair wordt, zal uw invloed en succes op het einde geheel onbeteekenend blijken te zijn.

Kweek dan dezen reinen en onzelfzuchtigen gemoedstoestand aan, vereering van reinheid en geloof, eenheid van doel en gij plant in uzelf de elementen niet alleen van blijvende gezondheid en voortdurend succes, maar ook van grootheid en macht. Als uw tegenwoordige toestand u tegenstaat en uw hart niet bij uw werk is, betracht dan toch uw plicht met nauwgezetten ijver terwijl gij uw ziel bij de gedachte laat verwijlen dat een betere positie en ruimer gelegenheid u wachten; zie altijd in den geest uit naar komende mogelijkheden, zoodat wanneer het bedoelde oogenblik komt en de nieuwe weg zich voor u opent, gij dien inslaan kunt, terwijl uw gemoed gereed is voor de onderneming en gij met dat verstand en die voorzichtigheid kunt handelen geboren uit tucht des geestes.

Wat uw taak ook moge zijn, concentreer daarop uw geheele gemoed, verricht die met al de energie, waartoe gij in staat zijt. Het nauwkeurig volbrengen van een gering werk leidt ons onvermijdelijk op tot een veelomvattenden taak. Zorg er voor, dat gij u verheft door gestadig op te klimmen en dan zult gij nooit vallen.

Hierin ligt het geheim van alle ware kracht. Leer door voortdurende oefening uwe zaken goed te besturen en uw gedachten elk oogenblik op een gegeven punt te concentreeren. De dwazen verkwisten al hun gemoeds- en geestkracht aan nietigheden, dwaze praatjes of zelfzuchtige argumenten, zonder nog te spreken van noodelooze physieke buitensporigheden.

Als gij een groote kracht wilt gewinnen, moet gij evenwicht en lijdelijkheid aankweeken. Gij moet in staat zijn alleen te staan. Alle macht gaat samen met onwankelbaarheid. De berg, de massieve rots, de door storm bewogen eik, die alle spreken tot ons van kracht wegens hun eenzame grootheid en alles trotseerende vastheid; terwijl het verstuivende zand, de buigzame tak en het bewegende riet tot ons spreken van zwakheid, omdat zij beweeglijk zijn en geen weerstand bieden en geheel doelloos rondzweven wanneer zij van hun metgezellen zijn losgemaakt. De mensch, die geestkracht bezit, is hij, die, wanneer al zijn medemenschen door hartstocht of aandoening meegesleept worden, kalm en onbeweeglijk blijft. Die mensch is alleen geschikt om te bevelen en te heerschen, die er in slaagt zichzelf te beheerschen.

Laat hysterische, vreesachtige en gedachtelooze lieden elkanders gezelschap zoeken, anders zullen zij vallen bij gebrek aan steun; maar de kalme, onversaagde, nadenkende en ernstige lieden, laat die de eenzaamheid zoeken der bosschen, der woestijn, en der bergtoppen; zij zullen van kracht tot kracht voortgaan en met min of meer goeden uitslag de psychische stroomen en draaikolken tegenhouden, die het menschdom verzwelgen. Hartstocht is geen kracht; het is misbruik van kracht en verkwisting daarvan. Hartstocht is als een woedende storm, die hevig en wild beukt tegen den rotsmuur, terwijl kracht aan de rots gelijk is, die stil en onbeweeglijk blijft te midden van alle gevaren. Het was een manifestatie van ware kracht, toen Maarten Luther, afgemat door de overreding van zijn vreesachtige vrienden, die voor zijn veiligheid vreesden, als hij naar Worms zou gaan, uitriep: „Al waren er zooveel duivels te Worms als pannen op de daken, dan zou ik er toch nog heengaan”. Ook toen Benjamin Disraëli steken bleef in zijn eerste toespraak tot het Parlement en zich den spot van alle leden op den hals haalde, was het een manifestatie van verborgen kracht, toen hij uitriep: „De dag zal eens komen, dat gij het een eer zult achten naar mij te mogen luisteren.”

Toen die jonge man, dien ik persoonlijk gekend heb, met aanhoudenden tegenspoed en ongeluk kampende, door zijn vrienden bespot werd en men hem aanraadde van verdere pogingen af te zien en hij antwoordde: „De tijd is niet ver meer, wanneer gij u zult verwonderen over mijn geluk en succes”, toonde hij, dat hij in het bezit was van die onweerstaanbare kracht, die hem over tallooze moeilijkheden heeft heen geholpen en zijn leven gekroond met succes

Indien gij deze kracht niet bezit, kunt gij die verkrijgen door oefening en het begin der kracht is ook het gegin der wijsheid. Gij moet beginnen met die doellooze nietigheden uit den weg te ruimen, waarvan gij tot nog toe het gewillige slachtoffer geweest zijt. Luidruchtig en uitgelaten gelach, laster en lichtzinnige praatjes en losse scherts om alleen lachen bij anderen op te wekken, al deze dingen moeten terzijde worden gesteld als evenzooveel verlies van waardevolle energie. Paulus heeft nooit zijn diep inzicht in de verborgen wet van het menschelijk gemoed duidelijker getoond dan toen hij de Ephesiërs vermaande met de woorden: „Kwade samensprekingen bederven goede zeden”, want als men zich voortdurend met zulke practijken bezig houdt vernietigt men alle geestelijke kracht en leven. Als gij zorgt, dat gij onkwetsbaar zijt voor zulke afdwalingen des gemoeds zult gij beginnen te verstaan, wat ware kracht is en dan zult gij gaan strijden tegen de machtige begeerten en wenschen, die uw ziel in slavernij houden en den weg tot kracht afsluiten; dan zal uw verdere vooruitgang vast en verzekerd zijn. Heb bovenal slechts een doel, een wettig en nuttig doel en wijd u daar geheel aan. Laat niets u daarvan afwenden, bedenk dat: „Een dubbelhartig man ongestadig is in al zijn wegen”. Wees ijverig in het leeren, traag in het vragen. Versta uw werk grondig en laat het uw eigen arbeid zijn; en als gij voortgaat, altijd de onfeilbare stem van uw innerlijken Gids volgende, zult gij voortgaan van overwinning tot overwinning en gij zult van trap tot trap klimmen naar hooger rustplaatsen en uw steeds verruimde blik zal u langzamerhand de schoonheid en heerlijkheid van uw levensdoel doen zien. Gereinigd, zal gezondheid uw deel zijn, beschermd door het geloof, zult gij succes hebben in alles, door zelfbeheersching zult gij tot macht geraken, alles wat gij doet zal u gelukken, want niet langer alleen staande, een slaaf van uzelf zult gij in harmonie zijn met de goddelijke wet, en niet langer het eeuwige Goede tegenwerken maar er mede samenwerken. Wat gij aan gezondheid wint zal uw blijvend bezit zijn, het succes, dat gij verkrijgt zal boven alle menschelijke macht staan en zal nooit voorbijgaan; welken invloed en kracht gij hebt zal vermeerderen alle eeuwen door, want het zal een deel uitmaken van dat onveranderlijk beginsel, dat het heelal ondersteunt.

Dit is dan het geheim der gezondheid — een rein hart en een zuiver gemoed; dat is het geheim van het succes — een onwankelbaar geloof en een goed gericht doel; met vasten wil het ros der kwade begeerten te beteugelen, dat is het geheim van de Kracht.

Alle wegen staan open voor mij om te betreden,
Des lichts en der duisternis, des levens en des doods,
De breede en smalle weg, de hooge en lage,
De goede en de slechte, en met snellen of langzamen tred,
Kan ik gaan welken weg ik wil,
En dien bewandelend zien wat kwaad is en wat goed.

Alle goede dingen wachten mij op mijn zwerftochten
Als ik slechts kies met onwankelbare trouw,
Den smallen, hoogen en heiligen weg,
Van innerlijke reinheid en op dien weg blijf
Veilig en bewaard voor hem die kwelt en spot,
Naar bloemrijke weiden, dwars door de doornen heen.

Ik mag staan, waar gezondheid, succes en kracht
Mijn komst afwachten, als ik, in elk voorbijvliedend uur,
Mij vasthoud aan liefde en geduld en blijf,
Bij de zondeloosheid en nooit afwijk hiervan,
Noch van de eerlijkheid; dus zal ik zien,
Ten laatste het land der onsterflijkheid.

Ik mag zoeken en vinden, ik mag voleinden;
Niet eischen, maar verliezend terugwinnen.
De Wet verandert voor mij niet, maar ik
Moet mij buigen onder de wet, als ik het eind wil bereiken
Van mijne smarten, als ik wil teruggeven
Mijn ziel aan het licht en leven en juichen voor eeuwig.

Ik maak niet op zelfzuchtige en aanmatigende wijs
Aanspraak op het goede voor mijzelf; maar tracht
Nederig te zoeken en te vinden te weten en te verstaan
En mijn schreden te wenden naar het pad der wijsheid.
Niets is mijn om te eischen of te bevelen
Maar alles is mijn om te verstaan.

6. Het geheim van volkomen geluk

Even groot als het verlangen naar geluk is, even groot is het gemis daaraan. De meeste armen verlangen naar rijkdom, zij denken, dat het bezit daarvan hun voortdurend en volkomen geluk zou brengen. Vele rijken, die aan iederen luim en gril voldaan hebben, lijden aan verveling en oververzadiging en zij zijn verder verwijderd van het bezit van geluk dan de armen zelve. Als wij over dezen staat van zaken nadenken, zullen wij langzamerhand tot de overtuiging komen, dat ons geluk niet afhangt van uitwendig bezit alleen en ons ongeluk niet van het gemis daarvan; want indien dit zoo ware zouden de armen altijd ellendig zijn en de rijken altijd gelukkig, terwijl het omgekeerde dikwijls het geval is. Ik heb menschen gekend die zich diep ongelukkig gevoelden en toch omringd waren van rijkdom, terwijl ik ook armen ontmoet heb, die heel gelukkig waren, ofschoon zij slechts de noodzakelijkste levensbehoeften bezaten. Velen, die rijkdommen verzameld hebben, hebben moeten bekennen, dat de zelfzuchtige doeleinden, welke zij najaagden na de verkrijging daarvan hun alle levensgenot heeft ontroofd en dat zij nooit zoo gelukkig waren als toen zij arm waren.

Wat is dan geluk en hoe kan dit ons deel worden? Is het een illusie, een luchtverschijnsel en is het lijden alleen blijvend?

Wij zullen bevinden, na ernstig opmerken en nadenken, dat alle menschen, behalve zij die den weg der wijsheid bewandelen, denken, dat geluk alleen kan verkregen worden door de voldoening van hun wenschen.

Deze overtuiging, geworteld in den bodem der onwetendheid en voortdurend gekweekt door zelfzuchtige begeerten is de oorzaak van alle ellende in de wereld. Ik beperk het woord begeerte niet tot de zinnelijke aandrift alleen; het strekt zich ook uit over het hoogere gebied der ziel, waar veel krachtiger spitsvondiger en fijner begeerten de intellectueele en verfijnde neigingen in ons in banden houden en ons berooven van die schoonheid, harmonie en reinheid van ziel, waarvan de uitwendige openbaring het geluk is. De meeste menschen geven wel toe, dat zelfzucht de oorzaak is van alle ongeluk in de wereld, maar zij leven in de zielverdervende overtuiging, dat het de zelfzucht van iemand anders is en niet hun eigene. Wanneer gij wilt toegeven, dat al uw ongeluk de uitwerking is van uw eigen zelfzucht, dan zult gij niet ver zijn van de poorten van het paradijs; maar zoolang gij denkt, dat de zelfzucht van anderen u van alle vreugde berooft even zoo lang zult gij geketend blijven in uw eigen vagevuur.

Geluk is die inwendige toestand van volkomen voldaanheid, die in vrede en vreugde bestaat, waaruit alle begeerten ontstaan.

Het genot, dat ontstaat uit voldane begeerten is kort en schijnbaar en wordt gevolgd door een dringenden eisch naar meer voldoening. Begeerte is onverzadelijk evenals de oceaan en roept luider en luider, als aan hare eischen voldaan wordt. Zij eischt voortdurende toewijding van haar aanhangers tot zij ten laatste vallen door, lichaams- of zielsangst en geslingerd worden in het reinigende vuur des lijdens. Begeerte is de voorhof der hel en alle kwellingen zijn daarin geworteld. Het opgeven van begeerten is het voorportaal des hemels en zalig genot wacht den pelgrim daar.

Ik zond mijn ziel naar de onzichtbare wereld,
Om even een blik te werpen op dat leven der toekomst,
Weldra keerde mijn ziel weder in mij,
Fluisterend: „Ik zelf ben uw hemel en hel.”

Hemel en hel zijn innerlijke toestanden. Verval in zelfzucht en in het voldoen van al uwe begeerten en dan zinkt gij neder in de hel; verhef u boven uzelf tot dien toestand van bewustzijn, waarin gij uzelf vergeet en verloochent en gij treedt den hemel binnen. Zelfzucht maakt blind, neemt iemands oordeel weg, berooft hem van kennis der waarheid, en leidt altijd tot lijden en rampen. Een juist inzicht, een rechtvaardig oordeel en kennis der waarheid behooren allen bij den goddelijken toestand en slechts voor zooverre gij dit goddelijk bewustzijn in u gevoelt, kunt gij weten, wat waar geluk is. Zoolang gij er in volhardt op zelfzuchtige wijze uw eigen geluk te zoeken, zoolang zal dit geluk u ontvlieden en gij zult slechts het zaad der ellende uitstrooien. Alleen voor zooverre gij er in slaagt uzelf te verliezen in den dienst van anderen, naar die mate zal het geluk tot u komen en zult gij zegening inoogsten.

Door lief te hebben, niet door het ontvangen van liefde
Daalt vrede in ’t hart;
Het geven niet het ontvangen van giften,
Heelt onze smart.

Wat gij vurig begeert of dringend behoeft
Zij dat uw gave,
Dat het brood en water des levens uzelf en door u,
Anderen voede en lave.

Houd u vast aan uzelf en gij zoekt verdriet; geef uzelf op en gij ondervindt vrede. Zelfzuchtig zoeken is niet alleen geluk verliezen, maar zelfs datgene, wat wij beschouwen als de bron van het geluk. Zie hoe de gulzigaard voortdurend uitziet naar een nieuwe lekkernij om zijn afgestompten eetlust weer op te wekken en hoe hij oververzadigd, benauwd en half ziek nauwelijks iets meer met genoegen eet. Terwijl hij, die zijn eetlust in bedwang houdt, en geen lekkernijen wenscht noch zoekt om zijn gehemelte te streelen, het eenvoudigste maal met smaak eet. De zaligheid, die de zelfzuchtige mensch zoekt in verzadigde begeerte, is altijd bevonden te zijn na verkrijging niets dan een bron van ellende. Voorwaar: „Hij die zijn leven zoekt, zal hetzelve verliezen en hij, die zijn leven verliest, zal hetzelve vinden.

Blijvend geluk zal tot u komen, wanneer gij ophoudt met u zelfzuchtig aan iets vast te klemmen en gij uwe begeerten opgeeft. Wanneer gij dat voorbijgaande ding onvoorwaardelijk wilt opgeven, dat u zoo lief is en dat toch eenmaal van u zal weggerukt worden, al hecht gij er u ook nog zoo aan, dan zult gij bevinden, dat hetgeen u een pijnlijk verlies leek te zijn u een groot gewin was. Op te geven om te gewinnen, er is geen grooter dwaling en geen vruchtbaarder bron van ellende, maar te willen opgeven om verlies te lijden, dit is inderdaad de Weg des Levens.

Hoe kunnen wij met mogelijkheid waar geluk vinden door ons te concentreeren op dingen, die uit hun aard voorbij moeten gaan? Blijvend en waar geluk kan slechts gevonden worden door ons te hechten aan hetgeen blijvend is. Verhef er u dus boven, u te hechten aan of te verlangen naar vergankelijke dingen en dan zult gij een bewustzijn verkrijgen van het Eeuwige en terwijl gij, u verheffend boven u zelf, u meer en meer verdiept in den geest van reinheid, zelfopoffering en algemeene menschenliefde, zult gij dat geluk gevoelen, dat niet bedriegt en dat nooit van u weg kan genomen worden.

Het hart, dat zich geheel vergeet in zijn liefde voor anderen, heeft niet alleen het hoogste geluk verkregen, maar ook de onsterfelijkheid, want het heeft het goddelijke gesmaakt. Zie pp uw leven terug en gij zult bevinden, dat de oogenblikken van het hoogste geluk, die gij doorleefd hebt, die waren, waarin gij een woord van medelijden hebt gesproken of een daad van zelfopofferende liefde hebt verricht.

Geestelijk zijn ook geluk en harmonie synoniem. Harmonie is een phase der groote wet, waarvan de geestelijke uitdrukking liefde is. Alle zelfzucht vormt een wanklank en zelfzuchtig zijn is buiten de harmonie der goddelijke orde te staan. Indien wij die alomvattende liefde begrijpen, die de zelfverloochening uitmaakt, zijn wij in harmonie met de goddelijke muziek, het universeele lied en die heerlijke melodie, welke het ware geluk uitmaakt, weerklinkt in onze ziel.

De menschen loopen her- en derwaarts, blindelings het geluk najagend, zonder het te vinden; en dit zal hun ook nooit gelukken, voordat zij erkennen, dat het geluk reeds in hen woont en rondom hen het gansche heelal vervult en dat zij alleen in hun zelfzuchtig zoeken er zich van uitsluiten.

„Ik volgde het geluk om het te bemachtigen,
Over hooge eiken en ranken klimopstam.
Het vlood, ik jaagde het na, over helling en dal.
Over veld en weiden, tot in de lage vallei;
Doorwaadde snel den vlietenden stroom,
Beklom duizelingwekkende klippen, waar de arend huist;
Hoe snel ik ook trok over zee en land,
Altijd ontsnapte het geluk aan mijn begeerige hand.

„Uitgeput en krachteloos jaagde ik het niet meer na,
Maar ik zonk neer om te rusten op een barre kust.
De een vroeg mij voedsel, de ander een aalmoes;
Ik gaf het brood en het goud in de uitgeteerde handen.
De een kwam om sympathie, de ander om rust;
Ik deelde met een ieder, wat ik maar had;
Toen opeens het schoone Geluk, in hemelschen vorm,
Bij mij stond zachtkens fluisterend: „Ik ben de Uwe.”

De schoone woorden van Burleigh drukken het geheim uit van het verborgen geluk. Offer het persoonlijke en vergankelijke op en gij verheft u opeens tot het onpersoonlijke en blijvende.

Geef de enge zelfzucht op, die alle dingen wil ondergeschikt maken aan uw eigen kleine belangen en dan treedt gij in het gezelschap van engelen, in het hart en de kern der algemeene menschenliefde. Vergeet uzelf geheel in de smarten van anderen en in het zorgen voor anderen en goddelijk geluk zal u vrijstellen van alle droefenis en lijden. „Ik zette als eerste schrede een goede gedachte, als tweede een goed woord en als derde een goede daad en zoo ging ik het Paradijs binnen. Het is niet verder, het is hier. Het geluk wordt slechts door onzelfzuchtige lieden gevonden en alleen in zijn volheid gekend, door de reinen van hart.

Indien gij die volheid van geluk nooit gesmaakt hebt, kunt gij beginnen het u tot een werkelijkheid te doen worden door uzelf steeds het verheven ideaal der onzelfzuchtige liefde voor te houden en daarnaar te verlangen. Dit verlangen en gebed is eene begeerte, die zich uitstrekt naar hemelsche dingen. Dan wordt de ziel gewend naar haar verheven bron, waar alleen blijvende voldoening gevonden kan worden. Door dit verlangen worden de vernietigende krachten der begeerten omgezet in goddelijke en bewarende energie. Dit verlangen is een poging om de ketenen der begeerte af te schudden, het is als de Verloren Zoon wijs te worden door eenzaamheid en lijden en zoo naar het Vaderhuis terug te keeren.

Als gij u verheft boven de lage zelfzucht; als gij één voor één de ketenen verbreekt, die u binden, dan zult gij de vreugde van het geven smaken, tegenover de ellende van het bijeenschrapen — geven van uw have, van uw verstand, van de liefde en het licht, dat in U is Gij zult dan verstaan, dat het in waarheid zaliger is te geven dan te ontvangen. Maar het geven moet uit het hart voortkomen, onbezoedeld door zelfzucht, zonder hoop op loon. De gave der reine liefde gaat altijd samen met zegen. Indien gij, na gegeven te hebben, u gekwetst voelt, omdat men u niet dankt of vleit, uw naam niet in de nieuwsbladen plaatst, weet dan dat uw gave slechts ingegeven werd door ijdelheid en niet door liefde en, dat gij alleen gegeven hebt om iets te krijgen en dus waart gij niet werkelijk mild, maar inhalig.

Verlies uzelf voor het welzijn van anderen; vergeet uzelf in alles, wat gij doet, dit is het geheim van volkomen geluk. Waak altijd tegen zelfzucht en leer getrouw de verheven lessen van innerlijke zelfopoffering, dan zult gij de grootste hoogten van het geluk beklimmen en gij zult wonen in den onbewolkten zonnegloed der onverstoorde vreugde, gekleed in het schitterend gewaad der onsterfelijkheid.

Zoekt gij naar geluk, dat niet verdwijnt?
Jaagt gij naar vreugde, die geen bitteren nasmaak heeft?
Dorst gij naar de wateren des Levens, der Liefde en des Vredes?
Weer dan alle duistere begeerten en geef de zelfzucht op.

Strompelt gij voort op het hobbelig pad der pijn, der smart en des lijdens?
Bewandelt gij wegen, die uw vermoeide voeten wonden?
Smacht gij naar een Rustplaats, waar tranen en droefheid niet meer zijn?
Offer uw zelfzuchtig hart dan op en vraag een nieuw hart van God.

7. Het geraken tot voorspoed

Het is slechts gegeven aan een hart, dat overvloeit van rechtschapenheid, trouw, edelmoedigheid en liefde om tot voorspoed te geraken. Het gemoed, dat deze hoedanigheden niet bezit, kent den voorspoed niet, want deze is evenals het geluk niet een uitwendig, maar een innerlijk bezit. De hebzuchtige man kan millionnair worden, maar blijft onvoldaan, laag en arm en vindt zich zelfs ook nog arm naar de wereld, zoolang er maar iemand is, die rijker is dan hij, terwijl de oprechte, milde en liefhebbende mensch van een volkomen voorspoed zal genieten, zelfs al waren zijn wereldsche bezittingen niet groot.

De ontevredene is arm, maar degene, die tevreden is met hetgeen hij bezit, is rijk, en schatrijk, als hij vrijgevig is met wat hij heeft. Wanneer wij het feit overdenken, dat het heelal overvloeit van alle goede dingen, stoffelijk zoowel als geestelijk en dit vergelijken met de begeerigheid van den mensch om eenige weinige geldstukken machtig te worden of eenige bunders modder, dan begrijpen wij eerst hoe duister en onwetend de zelfzucht is, dan verstaan wij dat ons zoeken van zelf zelfvernietiging is.

De natuur geeft alles zonder voorbehoud en verliest niets; de mensch, die alles nemen wil, verliest alles.

Als gij den waren voorspoed verkrijgen wilt, meen dan niet, zooals velen gedaan hebben, dat alles verkeerd zal gaan, als gij het goede betracht. Laat het woord „concurrentie” niet uw geloof schokken in de eindelijke overwinning der rechtschapenheid. Het kan mij niet schelen, wat de menschen zeggen mogen over de „wetten der concurrentie”, want ken ik niet de onveranderlijke wet, die ze alle te niet doet in het hart en leven van den rechtschapen mensch? Deze wet kennende kan ik alle oneerlijkheid met overstoorbare rust aanzien, want ik weet, dat een zeker verderf er op volgt.

Doe onder alle omstandigheden, wat gij voor goed houdt en vertrouw de wet; vertrouw de goddelijke macht, die in het heelal woont, die u nooit zal verlaten en altijd beschermen zal.

Door zulk vertrouwen zal al uw verlies in winst worden omgezet en alle vloek, die u dreigt in zegen. Laat nooit rechtschapenheid varen, edelmoedigheid noch liefde, want deze zullen u door energie opheffen tot den waren toestand van voorspoed. Geloof de wereld niet, die u zegt, dat gij altijd eerst op uzelf moet letten en dan op anderen. Als men dit doet, denkt men nooit aan anderen, alleen aan zichzelf. Voor degenen die dit doen zal er eenmaal een dag komen, dat zij door allen verlaten zijn en wanneer zij roepen in hun eenzaamheid en angst, zal er niemand zijn om hen te helpen. Zichzelf altijd in de eerste plaats te bedoelen is elke edele en verheven aandoening tegen te gaan. Laat uw ziel zich uitzetten, laat Uw hart anderen omvatten in liefhebbende en edelmoedige warmte, groot en blijvend zal dan uw vreugde zijn en alle mogelijke voorspoed zal uw deel zijn.

Degenen, die afgedwaald zijn van den weg der rechtschapenheid moeten zich altijd hoeden voor concurrentie; degenen, die steeds goed handelen, behoeven zich niet te bekommeren om zoodanige verdediging. Dit is een stellige waarheid. Er zijn heden ten dage menschen, die door rechtschapenheid en geloof alle concurrentie getrotseerd hebben, en die, zonder in het minst van hun methoden af te wijken, indien anderen met hen concurreerden, gestadig in voorspoed zijn toegenomen, terwijl degenen, die hun geluk hebben trachten te ondermijnen verslagen terug hebben moeten wijken. Indien men die innerlijke hoedanigheden bezit, welke goedheid uitmaken is men gewapend tegen alle booze machten en dubbel beschermd in tijden van beproeving. Zichzelf op te bouwen in die hoedanigheden is een succes te verkrijgen, dat niet wankelen kan en een voorspoed deelachtig worden, die voortdurend in ons bezit blijft.

Het witte kleed van het onzichtbaar gemoed
Is bevlekt met zonde en smart, grieve en pijn,
En alle poelen van berouw en springaderen van gebed
Zijn niet genoegzaam om het weer rein te wasschen.

Terwijl ik de paden der onwetendheid bewandel,
Blijven de vlekken der dwaling aan mij kleven;
Onreinheid bezoedelt het kronkelpad der zelfzucht,
Waar de angst loert en teleurstelling doorboort.

Kennis en wijsheid alleen zijn genoegzaam
Om mijn gewaad te reinigen en schoon te wasschen,
Want daarin is het water der liefde; daarin ligt
Onverstoorbare, eeuwige en heldere vrede.

Zonde en berouw is het pad der pijn,
Kennis en wijsheid het pad des vredes;
Langs den nabijzijnden weg der oefening vind ik,
Waar zegen begint en pijn en smart ophouden.

De zelfzucht verdwijnt en de waarheid verschijnt;
De onveranderlijke en oneindige
Zal zijn woning in mij maken,
En het witte kleed mijns harten weer reinigen.

Tweede gedeelte: De weg des vredes

1. De macht der meditatie

Geestelijke meditatie is het pad, hetwelk naar de goddelijkheid leidt. Het is de mystieke ladder, die leidt van de aarde naar den hemel, van dwaling naar waarheid, van pijn naar vrede. Iedere heilige heeft die beklommen; iedere zondaar moet die vroeger of later naderen en iedere vermoeide pelgrim, die zijn rug toewendt aan de zelfzucht en de wereld en zijn gelaat met beslistheid richt naar het Vaderhuis, moet zijn voet vroeger of later op haar gulden sporten zetten. Zonder die ladder kunt gij niet tot den goddelijken toestand van vrede geraken, noch tot de onvergankelijke heerlijkheid en vreugde, die daarop u zullen geopenbaard worden.

Meditatie is het diepzinnig verwijlen in gedachten op een denkbeeld of onderwerp met het doel om dit volkomen te begrijpen en datgene, waarover gij voortdurend denkt, zult gij niet alleen volkomen gaan begrijpen, maar gij zult er meer en meer op gaan gelijken, want het zal met u vereenzelvigd, en zal eindelijk uw geheele wezen worden.

Als gij dus voortdurend over zelfzuchtige en lage onderwerpen denkt, zult gij zelfzuchtig en laag worden, als gij onophoudelijk denkt aan hetgeen rein en onzelfzuchtig is zult gij zeker rein en onzelfzuchtig worden.

Zeg mij eens, waarover gij het meest en het sterkst nadenkt, waarheen uw ziel zich wendt in uwe stille uren en dan zal ik u zeggen naar welke plaats der vrede of smart gij reist en of gij opwast in de gelijkenis van het goddelijke of het dierlijke.

Er bestaat een onvermijdelijke neiging om letterlijk de belichaming te worden van die hoedanigheid, waaraan men het meest denkt. Laat daarom het onderwerp van uw meditatie daarboven zijn en niet daar beneden, zoodat gij telkens, wanneer gij er in uw gedachten naar wederkeert, opgeheven wordt; laat die gedachte rein zijn zonder een zelfzuchtig beginsel; dan wordt uw hart rein en komt nader tot de waarheid, niet verontreinigd en hopeloozer in dwaling verzonken. Meditatie in de geestelijke beteekenis, waarin ik het woord nu gebruik, is het geheim van allen wasdom in geestelijk leven en kennis. Iedere profeet, wijze en menschenredder werd hetgeen hij was door de kracht der meditatie. Boeddha peinsde over de waarheid, totdat hij zeggen kon: „Ik ben de Waarheid.” Onze Heer en Heiland Jezus Christus dacht na over de inwoning van het goddelijk beginsel, totdat Hij zeggen kon: „Ik en de Vader zijn Eén.”

Meditatie geconcentreerd op verheven werkelijkheid is de kern en de natuur van het gebed. Het is het zwijgend zich uitstrekken der ziel naar het Eeuwige. Alleen smeekbeden zonder meditatie is een lichaam zonder ziel, dat geen macht heeft om het leven en het hart boven zonde en droefenis op te heffen. Als gij dagelijks bidt om wijsheid, vrede, reinheid en een meer volkomen begrip der waarheid, dan is hetgeen, waar gij om bidt nog ver van u, gij bidt dan om iets, terwijl gij in uw leven en daden iets anders vertoont. Als gij wilt ophouden met zulk een verkeerdheid, en uw gemoed wilt afwenden van de dingen, waaraan gij u zelfzuchtig vastklemt en die u beletten om in het bezit te geraken van de verheven deugden, waarom gij bidt; als gij niet langer God wilt bidden om iets, dat gij niet verdient, of om u dat medelijden en die liefde te betoonen die gij aan anderen weigert, maar als gij integendeel wilt beginnen te denken en te handelen in den geest der waarheid, dan zult gij dagelijks in die deugden opwassen, zoodat gij er eindelijk één mee zult worden.

Degene die zich een wereldsch voordeel wil verschaffen, moet er hard voor werken en het zou inderdaad dwaas zijn om met gevouwen handen te zitten en dan te verwachten, dat ons iets zou toekomen als wij er maar alleen om vroegen. Verbeeld u dan niet, dat gij het hemelsche goed deelachtig kunt worden zonder inspanning. Alleen als gij rnet ernst wilt arbeiden in het Koninkrijk der waarheid zal u worden toegestaan u te voeden met het brood des Levens en wanneer gij door geduldige en voortdurende inspanning, het geestelijke loon verdiend hebt, waarom gij vraagt, zal u dit niet onthouden worden.

Als gij werkelijk de waarheid zoekt en niet alleen uw eigen voldoening; als gij die liefhebt boven alle wereldsch vermaak en gewin, liever zelfs dan het geluk zelf, zult gij u de inspanning willen getroosten, die noodig is om ze te verkrijgen. Als gij bevrijd zoudt willen zijn van zonde en verdriet en de onbevlekte reinheid zoudt willen deelachtig worden, waarom gij zucht en bidt, als gij wijsheid en kennis zoudt willen verkrijgen en ingaan in diepen en blijvenden vrede, bewandel dan het pad der meditatie en laat het voornaamste onderwerp uwer meditatie de waarheid zijn.

Terstond bij het begin moet meditatie wel onderscheiden worden van droomerij. Er is niets onpractisch of droomerigs in. Het is een methode van diepe en vorschende gedachten, die niets overlaten dan de eenvoudige en naakte waarheid. Indien gij aldus mediteert zult gij niet langer trachten uzelf in uwe vooroordeelen te stijven, maar uzelf vergetend zult gij u alleen herinneren, dat gij de waarheid zoekt. En zoo zult gij één voor één de dwalingen wegnemen, die gij in het verleden om u heen opgestapeld hebt en gij zult geduldig wachten op de openbaring der waarheid die u gedaan zal worden, wanneer uw dwalingen genoegzaam weggenomen zijn. In de stille nederigheid uws harten zult gij realiseeren dat:

Er een diepste diepte in ons allen is,
Waar de waarheid ontsluierd staat; rondom
Als een dikken muur sluit het vleesch haar in;
Dit volmaakte, heldere begrip der waarheid,
Wordt ingesloten door vleeschelijk verkeerde
Neigingen, die de waarheid verblinden en veranderen in dwaling;
Het komen tot kennis bestaat meer in het openen
Van een Weg, waardoor de gekerkerde glans kan uitstralen,
Dan wel in het binnenlaten van een licht,
Ondersteld zich daarbuiten te bevinden.

Zonder een deel van den dag af, wanneer gij u aan meditatie kunt wijden en houd dat uur heilig voor uw doel. De beste tijd is zeer vroeg in den morgen, wanneer alles nog in rust is. Alle toestanden zullen dan gunstig voor u zijn, de hartstochten zullen na het lichamelijke vasten van den nacht beteugeld zijn, de opwinding en de zorgen van den vorigen dag zullen weggestorven zijn en de geest, sterk en toch rustig, zal geneigd zijn geestelijk vermaan te ontvangen. Een der eerste pogingen, die gij aan te wenden hebt, zal inderdaad zijn slaperigheid en traagheid af te schudden en als gij weigert zult gij geen vorderingen kunnen maken, want de eischen des geestes zijn gebiedend.

Als onze geest ontwaakt is, is ons gemoed en ons lichaam dit ook.

De luiaard en trage kan geen kennis der waarheid bezitten. Hij, die in het bezit van een goede gezondheid en kracht, de rustige, kostbare uren van den stillen vroegen ochtend geeft aan slaperig nederliggen is geheel onbekwaam om de hoogten der hemelen te beklimmen.

Hij, wiens bewustzijn ontwaakt is voor de heerlijke mogelijkheid van deugd, die voor hem bestaat, die begint de duisternis der onwetendheid af te schudden, waarin de wereld gewikkeld is, staat op, voordat de sterren verbleeken en kampend tegen de duisternis, die zijn ziel omhult, tracht, door heilig verlangen gedreven, het licht der waarheid te onderscheiden, terwijl de in slaap verzonken wereld voortdroomt.

De hoogten door groote mannen beklommen en bereikt,
Werden niet bestegen door snelle vogelvlucht,
Maar terwijl hun medemenschen sliepen,
Gingen zij langzaam en moeilijk voort door de nachtelijke duisternis.

Er is geen heilige geweest, geen goed man, geen leeraar der waarheid, die niet in den vroegen morgen zich van zijn legerstede verhief. De Heer Jezus stond gewoonlijk vroeg op en beklom de eenzame bergen om zich in heilige gemeenschap met zijn Vader te sterken. Boeddha stond altijd een uur voor zonsopgang op en hield zich dan bezig met meditatie, terwijl al zijn volgelingen vermaand werden hetzelfde te doen.

Indien gij uw dagelijksch werk moet beginnen zeer vroeg in den ochtend en dus de morgenuren niet wijden kunt aan systematische meditatie, tracht er dan bij avond een uur aan te wijden, en zou u ook dit door de lengte en zwaarte van uw dagtaak onmogelijk zijn, dan toch behoeft gij niet te wanhopen, want gij kunt uwe gedachten in heilige meditatie op uw onderwerp vestigen in de vrije oogenblikken tusschen uw werk, of in die enkele ledige oogenblikken, die gij nu doelloos verkwist, en mocht uw werk van dien aard zijn, dat gij het langzamerhand werktuiglijk kunt verrichten, dan kunt gij mediteeren terwijl gij er u mee bezig houdt. Die eminente christen, heilige en wijsgeer Jakob Boehme, maakte zich zijn groote kennis der heilige dingen eigen, terwijl hij aan zijn werk bezig was als schoenmaker. In elk leven blijft er tijd over om te denken en de mensch, die het buitengewoon druk heeft is toch niet buitengesloten van aspiraties en meditatie.

Geestelijke meditatie en tucht zijn onafscheidelijk; gij moet dus zoo over uzelf mediteeren, dat gij uzelf leert verstaan, want bedenk, dat het groote doel, hetwelk gij voor oogen hebt, het geheel wegnemen is van al uw dwalingen, zoodat gij de waarheid kunt realiseeren. Gij moet beginnen met naar uw beweegredenen, gedachten en daden te vragen, die vergelijken met uw ideaal en trachten ze kalm en onpartijdig te beschouwen. Op deze wijze zult gij voortdurend meer verkrijgen van dat evenwicht des gemoeds en des geestes, zonder hetwelk de menschen slechts hopelooze stroohalmen zijn op den oceaan des levens. Indien gij geneigd zijt tot haat of toorn moet gij denken over zachtheid en vergevensgezindheid, zoodat ge uw hardvochtig en dwaas gedrag ten volle begint af te keuren. Dan zult gij beginnen te verwijlen bij gedachten der liefde, der zachtzinnigheid van menigvuldige vergeving en naarmate gij het lagere door het hoogere overwint, zal er langzamerhand in uw hart een kennis komen van de goddelijke wet der liefde met een begrip van hare betrekking op al de ingewikkelde omstandigheden van leven en gedrag. Door deze kennis toe te passen op elk uwer gedachten, woorden en daden, zult gij zachtzinniger, liefhebbender, meer goddelijk worden.

Zoo zal het gaan met iedere dwaling, elke zelfzuchtige begeerte, elke menschelijke zwakheid; door de kracht der meditatie wordt die overwonnen en terwijl elke zonde en elke dwaling uitgeworpen wordt, verlicht een voller en helderder licht der waarheid de ziel van den pelgrim.

Terwijl gij zoo nadenkt, zult gij uzelf onophoudelijk versterken tegen uw eenigen werkelijken vijand, uw zelfzuchtig, vergankelijk eigen Ik en gij zult u des te vaster gronden in het goddelijk en onvergankelijk zelf, dat onafscheidelijk met de waarheid verbonden is. Het rechtstreeksch gevolg van uw meditaties zal een kalme, geestelijke kracht zijn, die uw steun en rustpunt zal vormen in den strijd des levens. Groot is de overwinnende kracht der geheiligde gedachten en de kracht en kennis verkregen in het uur der stille meditatie zal de ziel verrijken met een reddende heugenis in het uur van den strijd, der droefenis of der verzoeking.

Evenals gij door de kracht der meditatie in wijsheid opwast, zoo zult gij meer en meer uwe zelfzuchtige wenschen opgeven, die veranderlijk, vergankelijk en vol droefheid en pijn zijn, en gij zult uw standpunt met toenemende standvastigheid en vertrouwen innemen op onveranderlijke beginselen en hemelsche rust smaken.

Het nut der meditatie is het verkrijgen van de kennis der eeuwige beginselen en de kracht die door meditatie verkregen wordt is de macht om op die beginselen te vertrouwen en er in te rusten, en zoo één te worden met den Eeuwige. Het doel der meditatie is dus een rechtstreeksche kennis der waarheid, van God en het realiseeren van goddelijken en zaligen vrede.

Laat uw meditaties ontstaan uit het ethisch standpunt, waarop gij nu staat. Bedenk, dat gij door voortdurende volharding in de waarheid moet opwassen. Indien gij een orthodox christen zijt, mediteer dan onophoudelijk over de onbevlekte reinheid en goddelijke verhevenheid van onzen Heer Jezus Christus en pas al zijne voorschriften toe op uw innerlijk leven en uw uitwendig gedrag, opdat gij meer en meer moogt opwassen tot Zijne volmaaktheid. Wees niet als die godsdienstige lieden, die weigeren over de Wet der Waarheid te mediteeren en de voorschriften van den Grooten Meester in toepassing te brengen, tevreden zijn om Hem vormelijk te vereeren, om zich te hechten aan hun eigenaardige geloofsleer en voort te gaan in de voortdurende afwisseling van zonde en lijden. Tracht u door de kracht der meditatie te verheffen boven alle zelfzuchtige liefde voor partijgoden of partijleer; boven doode vormen en levenlooze onwetendheid. Zoo den weg bewandelend der wijsheid met uw gemoed gevestigd op de onbevlekte waarheid, zult gij geen rustplaats kennen, voordat gij de waarheid gevonden hebt.

Hij, die ernstig mediteert, bemerkt eerst een waarheid van verre, als het ware, en maakt zich die dan eigen door dagelijksche oefening. Slechts degene, die de waarheid doet, kan erkennen dat haar leer goed is, want ofschoon de waarheid door zuivere gedachte alleen wordt gezien, wordt zij alleen gegrepen door oefening. De verheven Gautama, de Boeddha, zeide: „Hij, die zich overgeeft aan de ijdelheid en niet aan meditatie, het ware doel des levens uit het oog verliezend en naar genot jagend, zal later dengene benijden, die zich in meditatie geoefend heeft,” en hij onderwees zijn leerlingen de volgende „Vijf groote Meditaties ”: —

„De eerste meditatie is die der liefde, waarin gij uw hart zoo richt, dat gij verlangt naar het welzijn en het geluk van alle schepselen zelfs van uwe vijanden.

„De tweede meditatie is die van het medelijden, waarbij gij denkt aan alle schepselen, die in ellende verkeeren en u levendig hun droefenis en angst voor oogen stelt, zoodat ge een diep medelijden in uw ziel voor hen gevoelt.

„De derde meditatie is die der vreugde, waarbij gij denkt aan den voorspoed van anderen en u verheugt met de blijden.

„De vierde meditatie is die der onreinheid, waarbij gij denkt aan de noodlottige gevolgen van het verderf aan de uitwerkselen van ziekte en zonde. Hoe nietig is soms het genot en hoe vreeselijk de gevolgen.

De vijfde meditatie is die der verhevenheid waarbij gij u verheft boven liefde en haat, tirannie en onderdrukking, overvloed en gebrek en uw eigen lot met onpartijdige kalmte en volkomen rust beschouwt.”

Door zich in deze meditaties te verdiepen kwamen de discipelen van den Boeddha tot kennis der waarheid. Maar hetzij gij u verdiept in deze bijzondere meditaties of niet, komt er weinig op aan zoolang uw onderwerp de waarheid is, zoolang gij hongert en dorst naar de gerechtigheid, welke bestaat in een heilig hart en onberispelijk leven. Laat uw hart zich dus in uwe meditaties uitzetten met altoos toenemende liefde, bevrijd van alle haat en allen hartstocht en veroordeeling, omvat het dan het gansche heelal met teedere liefde. Evenals de bloem haar kelk opent voor het licht des daags, open gij zoo uw ziel meer en meer voor het heerlijk licht der Waarheid. Stijg op op de vleugelen des verlangens; wees onversaagd en geloof, dat de volmaaktheid mogelijk is. Geloof dat een leven van volstrekte lijdelijkheid mogelijk is, evenals een leven van onbevlekte reinheid; geloof dat een leven van volkomen heiligheid en het realiseeren der hoogste waarheid tot de werkelijkheden behooren. Degene, die dit gelooft, beklimt snel de hemelsche heuvelen, terwijl de ongeloovigen voortgaan met in den blinde rond te tasten in de dompige en mistige dalen.

Indien gij zóó gelooft en aldus mediteert, dan zal uw geestelijke ondervinding goddelijk goed en schoon zijn en heerlijk de openbaringen die uw blik zal verlustigen. Als gij realiseert wat de goddelijke liefde is, de goddelijke rechtvaardigheid en reinheid, de volmaakte wet van het goede, groot zal dan uw zaligheid en diep Uw vrede zijn. Oude dingen zullen voorbijgaan, zie alles zal nieuw worden. De sluier van het stoffelijk heelal, die zoo dicht en ondoordringbaar was voor het oog der dwaling en zoo dun en doorzichtig voor het oog der waarheid, zal weggenomen worden en het geestelijk heelal zal worden geopenbaard. De tijd zal niet meer zijn, gij zult slechts leven in de eeuwigheid. Vergankelijkheid en sterfelijkheid zullen u geen angst meer baren, want gij zijt gevestigd in den onvergankelijke en gij zult wonen in het centrum zelf der onsterfelijkheid.

De ster der wijsheid

Ster, die bij de geboorte van Vishnoe,
Krishna, Boeddha, Jezus,
Verkondigde aan de verheven Wijzen,
Die wachtten, hoopten op haar schijnsel,
In de duisternis der eeuwen
In de somberheid der nachten;
Als schitterende heraut des hemels,
De komst van het Rijk des Heeren,
Verkondigde het mystiek verhaal,
Van de nederige geboorte der Godheid
In den stal der slechte passies
In de krib van de ziel des menschen;
Stille zanger van het geheim,
Des mededoogens diep en heilig,
Voor het hart met zorg beladen,
Voor de ziel des wachtens moede: —
Ster van alles te boven gaande schittering,
Gij glanst weer te middernacht,
Gij vertroost weer de wijzen,
Die wachten in de duisternis der leer,
Moede van den eindeloozen strijd,
Tegen de snijdende zwaarden der dwaling,
Vermoeid van levenlooze, nuttelooze afgoden,
Van den dooden vormengodsdienst,
Afgemat van ’t wachten op uw schijnsel;
Gij hebt hun pad verlicht;
De oude waarheden weergegeven,
Aan de harten van alle Wakenden,
Aan de zielen Uwer beminden.
Gij spreekt van vreugde en blijdschap,
Van den vrede ontstaan uit droefheid.
Zalig zij, die U bemerken,
Moede wandelaars der nachten.
Zalig zijn die voelen het kloppen
In de diepte van hun boezem,
Van een groote liefde die daar huist,
Opgewekt door Uw schijnsel.
Laat ons deze les nu leeren,
Nederig en volgzaam leeren,
Van een liefde, zacht, wijs en blijde,
Oude Ster van den heiligen Vishnoe
Licht van Krishna, Boeddha, Jezus.

2. De twee heeren: het eigen ik en de waarheid

In het strijdperk van de menschelijke ziel kampen twee heeren steeds om de kroon van het meesterschap over het hart; de heer der zelfzucht ook genaamd „De Vorst dezer wereld”, en de heer der waarheid ook genaamd „Onze God en Vader”. Het eigen IK is die weerspannige meester, wiens wapens zijn: hartstocht, trots, gierigheid, ijdelheid, eigenwilligheid, werken der duisternis; de waarheid is die zachtmoedige en nederige meester wiens wapens zijn: zachtzinnigheid, geduld, reinheid, zelfopoffering, nederigheid, liefde, werktuigen des lichts.

In iedere ziel wordt die strijd gestreden en evenals een soldaat niet tegelijk kan strijden in twee vijandelijke legers, zoo is ons hart ook of kampend voor het eigen IK of voor de Waarheid. „Er is geen middenweg. Het eigen IK en de waarheid, waar het eigen IK is, is de waarheid niet en omgekeerd”. Zoo sprak Boeddha, die groote leeraar der waarheid en de Heer Jezus, de geopenbaarde Christus, verklaarde: „Niemand kan twee heeren dienen, want of hij zal den eenen haten en den anderen aanhangen, of hij zal den eenen dienen en den anderen verachten, gij kunt niet God dienen en den Mammon”.

Deze waarheid is zoo eenvoudig, zoo klaar en duidelijk, dat er niets ingewikkelds in schuilt, niets bijkomends in aanmerking behoeft genomen te worden. Ons eigen IK is vindingrijk, listig en beheerscht door spitsvondige en verkeerde begeerten, laat het een oneindig aantal bedenkingen en wendingen toe en de misleide vereerders van het eigen IK verbeelden zich, dat zij aan elke wereldsche begeerte kunnen voldoen en terzelfder tijd de waarheid bezitten kunnen. Maar de beminnaars der waarheid vereeren de waarheid ten koste van zichzelf en behoeden zich zelf voortdurend tegen wereldsgezindheid en het zoeken van zich zelf.

Zoekt en verkrijgt gij de waarheid? Dan zijt gij bereid tot zelfopoffering, tot voortdurend opgeven, want de waarheid kan in al haar heerlijkheid slechts worden gezien en gekend, wanneer het laatste spoor der zelfzucht verdwenen is. De eeuwige Christus verklaarde, dat degene die zijn discipel wilde zijn, zichzelf dagelijks verloochenen moest. Zijt gij bereid om uzelf te verloochenen, om uw begeerten, uwe vooroordeelen, uwe meeningen op te geven? Dan kunt gij het smalle pad der waarheid bewandelen en dien vrede vinden, waarbij de wereld buitengesloten is. Het volkomen opgeven, de volmaakte zelfvernietiging is de waarheid en alle godsdienstige en wijsgeerige stelsels zijn slechts hulpmiddelen tot de bereiking hiervan.

Zelfzucht is de ontkenning der waarheid. De waarheid is de verloochening van zichzelf. Indien gij uzelf laat sterven, zult gij in de waarheid wedergeboren worden. Als gij u vasthecht aan de waarheid, zal die voor u verborgen blijven. Terwijl gij u aan uzelf vastklemt, zal u pad bezet zijn met moeilijkheden, pijn, droefenis en teleurstelling zal uw lot zijn. Er bestaan geen moeilijkheden in de waarheid en tot de waarheid naderend, zult gij vrij zijn van alle smart en teleurstelling.

De waarheid is in zichzelf niet verborgen en duisternis. Zij wordt altijd geopenbaard en is volkomen doorzichtig. Maar de blinde en afgedwaalde zelfzuchtigen kunnen haar niet zien. Het licht des daags is slechts verborgen voor de blinden en het licht der waarheid is alleen verborgen voor degenen, die door zelfzucht verblind zijn.

De waarheid is de eenige realiteit in het heelal, de innerlijke harmonie, de volmaakte gerechtigheid, de eeuwige liefde. Niets kan er aan toegevoegd noch van afgenomen worden. Zij hangt van geen enkel mensch af, maar alle menschen hangen van haar af. Gij kunt de schoonheid der waarheid niet bemerken, zoolang gij met de bril der zelfzucht alles beschouwt. Indien gij ijdel zijt, zult gij alles met uw eigen ijdelheden kleuren. Zijt gij begeerig, dan zal uw hart en gemoed zoo overheerscht worden door den nevel en de vlammen van den hartstocht, dat alles er door verwrongen zal uitzien. Zijt gij trotsch en eigenwillig dan zult gij niets in het gansche heelal zien, dan de grootte en belangrijkheid van uw eigen meeningen.

Er is een deugd, die den mensch der waarheid onderscheidt van den mensch der zelfzucht en die is nederigheid. Niet alleen vrij te zijn van ijdelheid, stijfhoofdigheid en zelfzucht, maar zijn eigen meening als waardeloos te beschouwen is inderdaad ware nederigheid. Degene, die in zichzelf verdiept is, vindt alleen zijn eigen meeningen waar en die van anderen onwaar. Maar de nederige beminnaar der waarheid, die geleerd heeft een onderscheid te maken tusschen meening en waarheid beschouwt alles met het oog der menschenliefde en tracht niet zijn meeningen tegen de hunne te verdedigen, maar offert die meeningen op, dat hij te meer moge liefhebben en den geest der waarheid moge openbaren, want de waarheid in haar eigen aard is onverklaarbaar en kan slechts door ons leven verduidelijkt worden. Degene, die de meeste menschenliefde bezit, heeft ook de meeste waarheid.

De menschen beginnen met hittige strijdvragen en meenen dan dwaselijk, dat zij de waarheid verdedigen, wanneer zij slechts hun eigen kleingeestig belang en vergankelijke meening verdedigen. De zelfzuchtige neemt de wapenen op tegen een ander, de beminnaar der waarheid daarentegen neemt de wapenen op tegen zichzelf. De waarheid, die onvergankelijk en eeuwig is, hangt niet af van uw meening en de mijne. Wij kunnen tot haar ingaan en ook buiten blijven staan maar onze verdediging evenals onze aanvallen zijn noodeloos en worden op onzen eigen persoon teruggeworpen.

Menschen, die slaven zijn van zichzelf, die trotsch en hartstochtelijk zijn en alles veroordeelen, denken, dat hun eigenaardige geloofsleer of godsdienst de waarheid is en alle andere godsdiensten dwaling en zij maken met hartstochtelijken ijver proselieten. Er is slechts één godsdienst, die der waarheid, en slechts één dwaling, die der zelfzucht. De waarheid is geen geloofsvorm, maar een onzelfzuchtig en heilig en rein hart. Hij, die uit de waarheid is, leeft in vrede met allen en heeft allen lief met gedachten der liefde.

Gij kunt gemakkelijk te weten komen, of gij een volger der waarheid of der zelfzucht zijt, als gij in stilte uw gemoed, uw hart en uw gedrag wilt onderzoeken. Koestert gij gedachten van wantrouwen, nijd, zinnelijkheid, trots, of kampt gij ernstig daartegen? Als het eerste het geval is, dan zijt gij aan uw eigen IK geketend, onverschillig welken godsdienst gij belijdt; als het laatste het geval is, zijt gij een beminnaar der waarheid, ofschoon gij uiterlijk geen godsdienst belijdt. Zijt gij hartstochtelijk, eigenwillig, altijd uw eigen zelfzuchtige doeleinden zoekend; of zijt gij zachtmoedig, vriendelijk, onzelfzuchtig, niet aan uw eigen begeerten toegevend en steeds gereed uw wenschen op te geven? Als het eerste het geval is dan is zelfzucht uw meester, het laatste, dan is de waarheid het voorwerp uwer liefde. Streeft gij naar rijkdom? Strijdt gij hartstochtelijk voor uw partij? Tracht gij naar macht en wilt gij steeds de eerste zijn? Prijst en looft gij steeds uzelf of hebt gij de liefde voor rijkdom opgegeven? Hebt gij allen strijd opgegeven? Zijt gij tevreden de laagste plaats in te nemen en onopgemerkt voort te leven? Hebt hij opgehouden met over uzelf te praten en uw eigen persoonlijkheid met trots en ingenomenheid te beschouwen. Indien het eerste het geval is, ofschoon gij meent God te vereeren, is toch de gods uws harten de zelfzucht. Indien het laatste het geval is, ofschoon gij uwe lippen van godsvereering verre houdt, toch woont gij met den Allerhoogste.

De teekenen, waardoor de beminnaar der waarheid erkend wordt, zijn onmiskenbaar: Hoor hoe de heilige Krishna ze verklaart in Sir Edwin Arnold’s schoone vertaling van de „Bhavagad Gita”: —

Onversaagdheid, eenvoud des harten, een wil,
Om altijd te streven naar wijsheid; een geopende hand
Beheerschte hartstochten, vroomheid,
Liefde voor ernstige studie; nederigheid,
Oprechtheid, zorg om niets levends te bezeeren,
Waarheidsliefde, vreedzaamheid, een gemoed,
Dat spoedig loslaat hetgeen anderen minnen.
Gelijkmoedigheid en menschenliefde,
Die niet de fouten van anderen bemerkt;
teederheid Jegens allen die lijden, een tevreden hart,
Vrij van alle begeerten, ernstig van uitzicht,
Ingetogen en sober, vol edelen mannenmoed,
Geduld, zielskracht en reinheid,
Een gemoed zonder wraakzucht,
Dat zichzelf nooit hoog rekent — dit zijn de kenteekenen,
O Indisch vorst! van hem wiens voeten staan,
Op het schoone pad, dat leidt naar de hemelsche gewesten.

Wanneer de menschen op de kronkelpaden der dwaling en zelfzucht de „wedergeboorte” vergeten dien staat van heiligheid en waarheid, dan plaatsen zij een kunstmatige standaard, waaraan zij zichzelve meten en houden zich vast aan hun eigen theologie als toetssteen der waarheid en zoo zijn de menschen tegen elkaar verdeeld en is er onophoudelijke vijandschap en eindeloos verdriet en lijden.

Lezer, tracht gij de wedergeboorte in de waarheid te bewerkstelligen? Er is slechts één methode: Laat de zelfzucht in U sterven. Al die begeerten, wenschen, meeningen, begrensde meeningen en vooroordeelen, waaraan gij U tot hiertoe zoozeer gehecht hebt, laat die vallen. Laat ze U niet langer in slavernij houden en dan zult gij in de waarheid staan. Houd er mede op om uw eigen godsdienst beter te vinden dan alle andere en streef er nederig naar om de schoone les der algemeene menschenliefde te leeren. Klem U niet langer vast aan het denkbeeld, dat zooveel strijd en smart baart, dat de Zaligmaker, dien gij aanbidt de eenige Zaligmaker is en dat de Zaligmaker, dien Uw broeder met evenveel oprechtheid en vurigen ijver aanbidt een bedrieger zou zijn; maar zoek vlijtig het pad der heiligheid en dan zult gij bevinden, dat ieder heilig mensch een zaligmaker der wereld is.

Het opgeven van zichzelf is niet alleen het opgeven van uitwendige dingen. Het bestaat in het opgeven van de innerlijke zonde en dwaling. Niet door fraaie kleederen of rijkdom op te geven of in het zich onthouden van zeker voedsel, niet door het spreken van schoone woorden, niet door deze dingen alleen te doen wordt de waarheid gevonden, maar door het opgeven van den geest der ijdelheid en de begeerte naar rijkdom, door zich te onthouden van het voldoen aan zijn zinnelijken lust; door op te geven allen strijd, haat, veroordeeling en zelf zoeken en door zachtmoedig en rein van hart te worden; door deze dingen te doen wordt de waarheid gevonden. Het eerste te doen en het laatste niet is Farizeïsme en huichelarij, terwijl het laatste het eerste insluit. Gij kunt de uitwendige wereld opgeven en U afzonderen in een grot of in de diepte der bosschen, maar gij zult al uw zelfzucht met u medenemen en als gij die niet opgeeft, zal uw ellende groot zijn en zult gij in een toestand van zinsbegoocheling blijven verkeeren. Gij kunt blijven, waar gij zijt en al uw plichten vervullen en toch de wereld, uw innerlijken vijand, opgeven. In de wereld te zijn en toch niet van de wereld, is wel de hoogste volmaaktheid, de gezegendste vrede, is de grootste overwinning over zichzelf te behalen. Het opgeven van zichzelf is de weg der waarheid: dus:

„Treed op dien weg voort; er is geen grooter smart dan haat,
Geen pijn als harstocht, geen bedrog als dat der zinnen;
Treed voort op dat pad; ver is de mensch reeds gegaan,
Wiens voet een geliefkoosden wensch heeft vertreden”.

Naarmate gij er in slaagt uzelf te overwinnen, zult gij de dingen in hun rechte verhouding leeren zien. Hij, die door hartstocht, vooroordeel, voorliefde of tegenzin wordt gedreven past alles aan aan dien eigenaardigen gemoedstoestand en ziet slechts zijn eigen bedrieglijke voorstellingen.

Hij, die volkomen vrij is van allen hartstocht, vooroordeel, voorkeur en partijdigheid, ziet zichzelf als hij is; anderen, als zij zijn en alle dingen in hun juiste verhoudingen en ware betrekking. Daar hij niets heeft om aan te vallen, te verdedigen noch te verbergen en geen belangen om voor te waken, leeft hij in een toestand van vrede. Hij heeft den diepen eenvoud der waarheid gerealiseerd, want deze rustige, stille, zalige gemoedstoestand is de staat der waarheid. Hij, die daartoe geraakt, woont met de engelen en zit aan de voetbank van den Allerhoogste.

Daar hij de groote wet kent en den oorsprong der smart, het geheim van het lijden en den weg der vrijmaking in de waarheid, hoe zou hij zich nog kunnen mengen in strijd of veroordeeling; want ofschoon hij weet, dat de blinde, zelfzoekende wereld, omringd door de wolken van hare eigen verbeeldingskracht en gehuld in de duisternis der dwaling en der zelfzucht, niet het standvastige licht der waarheid kan bemerken en volkomen onmachtig is om den diepen eenvoud van het hart te vatten, dat dood is voor de zelfzucht of hiernaar streeft, toch weet hij ook, dat wanneer eeuwen van lijden, bergen van smart hebben opgehoopt, dat dan de belaste en neergebogen ziel der wereld vluchten zal tot haar laatste toevluchtsoord en dat wanneer de eeuwen zullen vervuld zijn, alle verloren zonen terug zullen komen tot de kudde der waarheidlievenden. En zoo leeft hij voort in een geest van welwillendheid jegens allen en beschouwt alles met dat teeder medelijden dat een vader gevoelt voor zijn afdwalende kinderen.

De menschen kunnen de waarheid niet verstaan, omdat zij zich vastklemmen aan hun eigen IK, omdat zij meenen, dat hun eigen persoonlijkheid het eenige werkelijk bestaande is, terwijl dit juist de eenige dwaling is.

Wanneer gij in de zelfzucht niet meer zult gelooven en die niet meer zult aanhangen, zult gij ze stellig laten vallen en vluchten tot de Waarheid, waar gij de eeuwige werkelijkheid zult vinden.

Wanneer de mensch bekoord is door den glans van weelde, genot en ijdelheid, wordt zijn dorst naar het leven grooter en hij misleidt zichzelf met droomen van onsterfelijkheid des vleesches maar wanneer hij komt om den oogst van zijn eigen zaaisel in te zamelen en pijn en smart de overhand hebben, dan geeft hij, vernietigd en vernederd, zichzelf en al zijn zelfverblinding geheel op en komt met smachtend hart tot de eenige onsterfelijkheid, die alle zinsbegoocheling vernietigt, tot de geestelijke onsterfelijkheid in de waarheid.

De menschen gaan over van het kwade tot het goede, van zelfzucht tot waarheid, door de duistere poort der smart, want smart en zelfzucht zijn onafscheidelijk. Alleen in den vrede en zaligheid der waarheid wordt alle smart overwonnen. Indien gij u teleurgesteld gevoelt omdat uw geliefkoosde plannen gedwarsboomd zijn geworden, of omdat iemand niet aan uwe verwachtingen heeft voldaan, dan is dit, omdat gij u nog aan de zelfzucht vastklemt. Als gij berouw gevoelt over uw gedrag, is het omdat gij aan de zelfzucht hebt toegegeven. Als gij overstelpt zijt door verdriet en spijt over de houding van iemand anders jegens u dan is dit, omdat gij uzelf te zeer liefhebt. Als gij u gekwetst gevoelt over hetgeen aan u gedaan of gezegd is, dan is dit, omdat gij den smartelijken weg der zelfzucht bewandelt. Alle lijden ontstaat uit zelfzucht en eindigt in de waarheid. Als gij daarin ingegaan zijt en de waarheid hebt gerealiseerd, zult gij niet langer teleurstelling, berouw en spijt gevoelen en droefenis zal van u vlieden.

„Zelfzucht is de eenige kerker, die de ziel kan gevangen houden,
Waarheid is de eenige engel die de poorten daarvan ontsluiten kan,
Wanneer zij komt om u te roepen, sta dan op envolg snel,
Haar weg leidt door duisternis maar voert tot het licht.”

De smart der wereld is haar eigen werk. Het lijden reinigt en geeft diepte aan de ziel en de hoogte der smart is het voorspel der Waarheid.

Hebt gij veel geleden? Veel getreurd? Hebt gij ernstig nagedacht over de vraagstukken des levens? Als dat zoo is, dan zijt gij voorbereid om den strijd aan te binden tegen de zelfzucht en een discipel der waarheid te worden.

De geleerden, die niet de noodzakelijkheid inzien om zichzelf op te geven, vormen eindelooze theorieën over het heelal en noemen dat waarheid, maar volgt gij de rechte gedragslijn, die de gerechtigheid volgt en dan zult gij de waarheid vatten, die geen plaats heeft in theorie en die nooit verandert. Waak over uw hart. Begiet het voortdurend met onzelfzuchtige liefde en diepgevoeld medelijden en tracht alle gedachten en gevoelens buiten te sluiten, die niet met de liefde overeenkomen, vergeld goed voor kwaad, liefde voor haat, zachtmoedigheid voor slechte behandeling en houd u stil, wanneer gij aangevallen wordt. Dan zult gij al uw zelfzuchtige wenschen omzetten in het zuivere goud der liefde en de zelfzucht zal in de waarheid verdwijnen. Zoo zult gij onberispelijk onder de menschen wandelen, beladen met het lichte juk der nederigheid en bekleed met het goddelijk gewaad der nederigheid.

Kom vermoeide ziel! Eindig uw streven en strijden In den boezem van uw meedoogenden Meester, Waarom wilt gij trekken door de barre woestenij der zelfzucht. Dorstend naar de levendmakende wateren der waarheid.

Hier, dichtbij het pad van uw zoeken en zondigen
Vloeit de heerlijke stroom des levens, ligt de groene oase der liefde,
Kom, keer om en rust, ken het einde en het begin,
Het gezochte en den zoeker, den Ziener en het geziene.

De Meester zit niet in de ongenaakbare bergen,
En woont niet in luchtspiegeling hoog in de lucht,
Ook zult gij zijn tooverfonteinen niet ontdekken,
Op paden van zand die de wanhoop omringen.

Houd op met het moeizame zoeken in de duistere woestenij
Naar de voetstappen van uw Koning en Heer,
Als gij het zoete geluid zijner stem wilt vernemen,
Wees dan doof voor alle stemmen der zelfzucht in u.

Ontvlucht de verdwijnende plaatsen, geef op al wat gij hebt,
Verlaat al wat gij liefhebt en ontkleed en ontbloot
Werp u neer in het heiligdom van het Innerlijke,
Daar woont de Hoogste, de Heilige, de Onveranderlijke.

Daarbinnen in het centrum der stilte woont hij,
Verlaat smart en zonde, geef op uw zwerftochten,
Kom baad u in zijn vreugde, terwijl Hij. u
Fluisterend zegt, wat uw ziel zoekt en zwerf dan niet meer.

Houd dan op, vermoeide ziel met uw streven en strijden,
Vind vrede in het hart van uw meedoogenden Meester,
Houd op met te trekken door de barre woestenij
Kom, drink van de zuivere wateren der waarheid.

3. Het verkrijgen van geestkracht

De wereld is vol menschen die genot, opwinding en nieuwigheden najagen; die altijd tot lachen of tranen bewogen zoeken te worden; niet naar kracht, standvastigheid en macht trachten, maar naar zwakheid en voortdurend bezig zijn alle kracht, die zij hebben, te verbruiken.

Menschen, die waarlijk kracht en invloed hebben, zijn er slechts weinig, omdat weinigen zich de opoffering willen getroosten om macht te verkrijgen en nog minder zijn er die geduldig een karakter willen vormen. Her- en derwaarts te worden gedreven door uw veranderlijke gedachten en indrukken beteekent zwak en krachteloos te zijn, om die krachten goed te beheerschen en te richten beteekent sterk en krachtig te zijn. Menschen die sterke dierlijke hartstochten hebben, gelijken veel op het woeste dier, maar dit is geen kracht. Het beginsel der kracht is aanwezig, maar alleen als de woestheid getemd is en beheerscht wordt door het verstand, dan ontwikkelt zich de ware kracht en de menschen kunnen alleen opwassen tot hooger en hooger toestanden van verstandelijk bewustzijn door zichzelf op te heffen uit dien staat, waarin zij door het lichaam worden beheerscht. Het verschil tusschen een geestelijk zwak man en iemand, die sterk is ligt niet in de kracht van den persoonlijken wil (want de stijfhoofdige mensch is gewoonlijk zwak en dwaas); maar in dat brandpunt van bewustzijn dat hun toestand van kennis uitmaakt.

Degenen, die vermaak najagen, opwinding en nieuwigheden, evenals de slachtoffers van indrukken en hysterische emoties missen die kennis van beginselen, die het evenwicht, standvastigheid en invloed uitmaken.

Een mensch begint kracht te ontwikkelen, wanneer hij zijn indrukken en zelfzuchtige neigingen beheerschend, slechts rekent op het hooger en kalmer bewustzijn in zich en steunt alleen op zijn beginselen.

Het met bewustzijn zich vasthouden aan zijn beginselen is tegelijk de oorsprong en het geheim der hoogste kracht.

Wanneer na veel zoeken, lijden en opoffering het licht van een eeuwig beginsel over de ziel opgaat, volgt er een heilige kalmte en een onuitsprekelijke vreugde verblijdt het hart.

Degene, die zulk een beginsel heeft, houdt op met zwerven, blijft zich zelf gelijk en kan zich beheerschen. Hij is niet meer de slaaf zijner hartstochten en wordt een medearbeider aan de tempel des Noodlots.

Degene, die zich door de zelfzucht laat beheerschen en niet door een beginsel, verandert naarmate zijn zelfzuchtig gemak bedreigd wordt. Er steeds op uit zijnde zijn eigen belangen te verdedigen en te bewaken beschouwt hij alle middelen geoorloofd, waardoor hij dat doel kan bereiken. Hij maakt voortdurend plannen, hoe hij zich tegen zijn vijanden kan beschermen, en denkt te veel aan zichzelf om te bemerken, dat hij zijn eigen vijand is. Het werk van zulk een man valt in gruis uiteen, want het staat buiten waarheid en kracht. Alle werk, dat op de zelfzucht gegrond is, vergaat; dat werk alleen blijft, dat gegrond is op een onvergankelijk beginsel.

De mensch, die volgens een hooger beginsel leeft is onder alle omstandigheden, kalm onversaagd en onbewogen. Wanneer het uur der beproeving komt en hij beslissen moet tusschen zijn persoonlijk gemak en de waarheid, geeft hij zichzelf op en blijft staan als een rots. Zelfs het vooruitzicht van pijniging en dood kan hem niet doen buigen. De zelfzuchtige mensch beschouwt het verlies van zijn geld, gemak of zijn leven als de grootste rampen, die hem kunnen overkomen. De man van beginsel beschouwt deze dingen als betrekkelijk onbeteekenend, die niet in vergelijking kunnen komen met verlies van eer of waarheid. De waarheid ontrouw worden is voor hem het eenige, dat waarlijk een ramp kan genaamd worden. In de ure der beproeving ziet men wie de kinderen der duisternis, en wie de kinderen des lichts zijn. In het oogenblik van een dreigend gevaar, van vervolging, worden de schapen van de bokken gescheiden en ziet de aanschouwer met een blik vol eerbied de rij van menschen van geestkracht die gedurende vele eeuwen geleefd hebben. Het is gemakkelijk voor een mensch, zoolang hij in het volle genot zijner bezittingen blijft om zichzelf te overtuigen dat hij in de beginselen van vrede, broederschap en algemeene menschenliefde gelooft; maar als hij, wanneer zijn levensgenot wordt bedreigd, of als hij maar denkt dat dit het geval is, terstond in luide klachten uitbarst, dan toont hij duidelijk, dat hij niet zoozeer hecht aan vrede, broederschap en liefde, maar eerder aan strijd, zelfzucht en haat.

Degene, die zijne beginselen niet opgeeft wanneer hij bedreigd wordt met het verlies van zijn goeden naam, zelfs met het verlies van elk aardsch genot en zijn leven, is de mensch wiens woord en werk blijft, dien de nakomelingschap hoogacht en vereert. Liever dan het beginsel van goddelijke liefde op te geven, dat Hij beleed, verdroeg de Heer Jezus de grootste ontbering en den vreeselijksten doodsangst; en heden ten dage nog werpt de geheele wereld zich in aanbidding aan Zijn doorboorde voeten. Er is geen weg om geestkracht te verkrijgen dan door innerlijke verlichting, die het resultaat is der geestelijke beginselen, en men kan zich die beginselen slechts eigen maken door voortdurende oefening en toepassing.

Neem het beginsel der goddelijke liefde, mediteer daarover rustig en ijverig met het doel om ze volkomen te verstaan. Laat het onderzoekend licht daarvan vallen op al uw gewoonten, daden woorden en omgang met anderen, al uw geheime gedachten en wenschen. Als gij hiermede voortgaat, zal de goddelijke liefde U meer en meer geopenbaard worden en uw eigen tekortkomingen zullen u des te duidelijker voor den geest staan en u aansporen tot vernieuwde pogingen; en nadat gij éénmaal een blik hebt geworpen op de onvergelijkelijke verhevenheid van dat onvergankelijk beginsel, zult gij nooit weer verblijven in uw zwakheid, zelfzucht, onvolmaaktheid, maar gij zult die liefde najagen, totdat gij elk wanluidend element hebt opgegeven en uzelf in volkomen harmonie er mee hebt gebracht. Die toestand van innerlijke harmonie is geestkracht.

Neem ook andere geestelijke beginselen, zooals reinheid en mededoogen en pas ze op dezelfde wijze toe en, zoo veeleischend is de waarheid, gij zult niet kunnen ophouden geen rust kunnen vinden, voordat het innerlijkste omkleedsel uwer ziel gereinigd is van elke vlek en tot uw hart niet meer in staat is den aandrang te volgen van eenigen harden, veroordeelenden of onmeedoogenden indruk.

Alleen voor zooverre gij deze beginselen verstaat, ze voor u werkelijkheid zijn en gij er mee rekent zult gij geestelijke kracht verkrijgen en die kracht zal in en door u geopenbaard worden in den vorm van meer geduld en gelijkmoedigheid.

Zelfbeheersching bewerkt meer verdraagzaamheid; verheven geduld is het kenmerk van goddelijke kennis en de man van geestkracht wordt gekend, doordat hij een voortdurende kalmte bewaart te midden van al de plichten en afleiding des levens. „Het is gemakkelijk in de wereld te leven naar de wijze der wereld en in de eenzaamheid op onze eigen manier, maar de man die groot van ziel is blijft standvastig en onbewogen te midden der wereld evenals hij het blijven zou in eenzaamheid.

Eenige mystieken beweren, dat volmaakt geduld de bron is van die macht, waardoor zoogenaamde wonderen worden verricht en het is zeker, dat degene, die zulk een volmaakte heerschappij over al zijne innerlijke krachten heeft verkregen, dat geen schok, hoe hevig die ook zij, hem voor een oogenblik zijn gelijkmoedigheid kan doen verliezen, in staat moet zijn om die natuurkrachten met een meesterhand te regeeren.

In zelfbeheersching op te wassen, in geduld en gelijkmoedigheid, is te groeien in geestkracht en macht; en gij kunt alleen op die wijze vorderingen maken door uw bewustzijn op een vast beginsel als een brandpunt te concentreeren. Evenals een kind eindelijk na vele krachtige pogingen aangewend te hebben er in slaagt om alleen te loopen, zoo moet gij den weg der geestkracht bewandelen, door eerst te trachten alleen te staan. Maak u los van de tirannie der gewoonte, traditie en conventionaliteit en de meening van anderen, totdat gij er in slaagt alleen en vast onder de menschen te staan.

Rust in uw eigen oordeel, blijf trouw aan uw eigen geweten; volg het licht, dat in u is; alle uitwendig licht is slechts dwaallicht. Velen zullen u zeggen, dat gij dwaas zijt, en uw oordeel verkeerd is, uw geweten geheel toegeschroefd en dat het licht in u duisternis is, maar acht niet op hen.

Als hetgeen zij zeggen waar is, dan zult gij zelf, die de wijsheid zoekt, het nog beter uitvinden en gij alleen die ontdekking doen door uw kracht te toetsen. Ga dus onversaagd op uw weg voort. Uw geweten behoort tenminste aan uzelf en het is goed de inspraak daarvan te volgen, zich naar het geweten van een ander te richten is een slaaf te zijn. Gij zult zeer dikwijls vallen en vele wonden ontvangen, zeer veel voor een tijd te verduren hebben, maar ga voort in het geloof, overtuigd dat een zekere overwinning door u behaald zal worden.

Zoek naar een rots, een beginsel en dat gevonden hebbende, klem er u aan vast, neem er uw standpunt op en verhef u, totdat gij ten laatste, onbeweeglijk er op staande de woede der golven en der stormen van de zelfzucht zult kunnen trotseeren.

Want zelfzucht in eiken vorm is verkwisting, zwakheid, dood, onzelfzuchtigheid beteekent zelfbewaring, kracht leven. Naarmate gij in geestelijk leven groeit en gevestigd zijt op beginselen, zult gij even verheven en onverantwoordelijk worden als die beginselen, gij zult de zoetheid van hun onsterfelijke kern smaken en gij zult de eeuwige en onveranderlijke natuur van God binnen in u realiseeren.

Geen kwetsende pijl kan den rechtvaardige treffen,
Die rechtop staat te midden der stormen van haat.
Trotseerend pijn, beleediging en smaad,
Omringd door de sidderende slaven des noodlots.

Majestueus in de sterkte van stille kracht,
Staat hij daar rustig, zonder schaduw van verandering
Geduldig en vast in de duistere ure des lijdens,
De tijd buigt voor hem dood en oordeel is overwonnen.

De rosse gloed des toorns flikkert om hem heen,
De diepe donder der hel rolt over zijn hoofd,
Hij acht het niet, want het kan hem niet genaken,
Die staat vanwaar aarde, tijd en ruimte gevloden zijn.

Beschermd door levende liefde, waar zou hij voor vreezen?
Gekleed in de rusting der waarheid, wat kan hij weten
Van verlies en winst? De eeuwigheid kennende,
Beweegt hij niet, terwijl de schaduwen komen en gaan.

Noem hem onsterfelijk, noem hem waarheid en licht,
Glans en profetische majesteit,
Die dus verwijlt te midden der duistere machten,
Bekleed met den glans der goddelijkheid.

4. Het geraken tot onzelfzuchtige liefde

Men zegt, dat Michael Angelo in elk ruw blok steen een schoonen vorm zag, die slechts op een meesterhand wachtte om hem in het leven te roepen. Zoo schuilt in ieder schepsel het goddelijk beeld, dat slechts wacht op de meesterhand des geloofs en den beitel van het geduld om geopenbaard te worden. En dat goddelijk beeld openbaart zich als onbezoedelde, onzelfzuchtige liefde.

Diep verborgen in elk menschenhart, ofschoon dikwijls bedekt door een massa harde en bijna ondoordringbare uitgroeisels, is de Geest der goddelijke liefde, wiens heilig en onbesmet wezen onsterfelijk en eeuwig is. Het is de waarheid in den mensch, datgene, wat behoort tot den Allerhoogste, wat werkelijk is en onsterfelijk. Al het andere verandert en gaat voorbij; dit alleen is blijvend en onvergankelijk, en deze liefde zich eigen te maken door voortdurenden ijver in de beoefening der hoogste gerechtigheid, daarin te leven en er het volle bewustzijn van te hebben, beteekent hier en nu in te gaan tot de onsterfelijkheid, één te worden met de waarheid, met God, met het hart en de kern van alle dingen en onze eigen goddelijke en eeuwige natuur te kennen. Om deze liefde te verkrijgen, te verstaan en te ondervinden, moet men arbeiden met groote volharding en vlijt aan zijn hart en gemoed, altijd weer zich in geduld oefenen en zijn geloof levendig houden, want er zal veel weg te nemen zijn, veel te volmaken, voordat het goddelijk beeld geopenbaard wordt in al zijn heerlijke schoonheid.

Hij die er naar streeft het goddelijke te bereiken en te volvoeren zal tot het uiterste beproefd worden en dit is volstrekt noodzakelijk, want hoe zou men anders dat verheven geduld zich kunnen eigen maken zonder hetwelk er geen ware wijsheid, geen goddelijkheid is? Voortdurend zal zijn werk hem, als hij voortgaat, nietig toeschijnen en zijn moeite zal schijnen weggeworpen te zijn. Nu en dan zal een haastige streek met het penseel zijn beeld bederven en misschien zal hij bevinden, wanneer hij denkt, dat zijn werk bijna voleindigd is, dat de schoone vorm der goddelijke liefde geheel vernield is en hij moet weder beginnen geholpen en geleid door zijn bittere ondervindingen. Maar hij, die zich beslist heeft voorgenomen om het hoogste te verkrijgen, rekent zoo iets niet als een nederlaag. Elke mislukking is schijnbaar, niet werkelijk. Elke achteruitgang, elke val, elke terugkeer naar de zelfzucht is een les geleerd, een ondervinding gemaakt, waaruit het gulden zaad der wijsheid verkregen wordt, die den mensch helpt bij de volvoering van zijn verheven plan. Te erkennen:

Dat wij van onze ondeugden kunnen vormen
Een ladder, als wij slechts vertreden willen
Onder onzen voet elke daad der schande,

is den weg betreden die onfeilbaar leidt naar het goddelijke en de nederlagen van iemand die alzoo denkt, zijn slechts onbeteekenende voorvallen, die hem telkens een schrede nader voeren tot zijn verheven ideaal.

Indien gij eenmaal begonnen zijt in te zien, dat uwe gebreken, uw smarten en lijden even zooveel stemmen zijn, die u duidelijk aanwijzen waar gij zwak en feilbaar zijt, waar gij te kort schiet in het ware en goddelijke, dan zult gij uzelf steeds gadeslaan en iedere val, iedere pijn zal u toonen, waar gij met uw arbeid moet beginnen en wat gij uit uw hart moet wegdoen om het gelijkvormig te maken met den goddelijke, het nader te brengen tot de volmaakte liefde. En als gij voortgaat, uzelf dagelijks meer en meer vrij makend van de inwendige zelfzucht, zal de onzelfzuchtige liefde u langzamerhand geopenbaard worden. En wanneer gij dan geduldig en kalm wordt, wanneer uw drift, slecht humeur en lichtgeraaktheid van u voorbijgaat en de krachtige begeerten en vooroordeelen ophouden u te beheerschen en tot hun slaaf te maken, dan zult gij weten, dat het goddelijke in u gewekt is en dat gij nader komt tot het eeuwige hart, en gij niet ver zijt van die onzelfzuchtige liefde, waarvan het bezit beteekent vrede en onsterfelijkheid.

Goddelijke liefde is van menschelijke liefde onderscheiden in deze belangrijke bijzonderheid, dat zij vrij is van partijdigheid. De menschelijke liefde hecht zich aan een bepaald voorwerp en sluit al het andere buiten, en als dat voorwerp weggenomen wordt is het lijden daardoor ontstaan in het liefhebbend hart onuitsprekelijk groot. De goddelijke liefde omvat het gansche heelal zonder zich aan een bepaald deel vast te hechten, en bevat toch in zichzelf het geheel en hij die er toe geraakt door zijn menschelijke liefde voortdurend te reinigen en ruimer te maken totdat alle zelfzuchtige en onzuivere elementen er uit gebrand zijn, lijdt niet meer. Het is omdat natuurlijke liefde enghartig en beperkt is en vermengd met zelfzucht, dat zij pijn veroorzaakt. Er kan geen pijn ontstaan door die liefde, welke zoo volstrekt rein is, dat zij niets voor zichzelf zoekt. Toch is de natuurlijke liefde volstrekt noodzakelijk als eerste begin der goddelijke liefde en geen ziel kan de laatste deelachtig worden zonder de diepste en innigste natuurlijke liefde te koesteren. Alleen door eerst natuurlijke liefde te hebben gevoeld en menschelijk lijden verdragen te hebben, kan goddelijke liefde worden verstaan en verkregen.

Alle natuurlijke liefde is vergankelijk als de vorm, waaraan zij zich vasthoudt; maar er is een liefde, die onvergankelijk is en zich niet vasthoudt aan den schijn.

Tegenover alle natuurlijke liefde staat haat, maar er is een liefde, die geen tegenstelling of reactie toelaat; goddelijk en vrij van eiken smet der zelfzucht, zij stort haar geur uit over allen gelijkelijk.

Natuurlijke liefde is een afschaduwing der goddelijke, liefde en brengt de ziel nader tot de werkelijkheid, tot de liefde, die smart noch verandering kent.

Het is goed en natuurlijk, dat de moeder, die zich met hartstochtelijke liefde heeft gehecht aan de kleine, hulpelooze gestalte, die aan haar boezem ligt, overstelpt is door droefheid, wanneer zij het kind ziet nederleggen in de koude groeve. Het is goed, dat hare tranen vloeien en haar hart pijn doet, want alleen op deze wijze kan zij herinnerd worden aan de vergankelijkheid der zinnelijke vreugde en nader gebracht tot de eeuwige onvergankelijke werkelijkheid.

Het is goed dat bruidegom, broeder, zuster, echtgenoot en vrouw diepen zielsangst zouden lijden en in duisternis worden verzonken, wanneer het zichtbare voorwerp van hun liefde van hen weggescheurd is, zoodat zij zouden leeren hun liefde te vestigen op de onzichtbare bron van dit alles, waar alleen blijvende voldoening gevonden kan worden.

Het is goed dat de trotsche, eerzuchtige en zelfzuchtige mensch nederlaag, vernedering en ongeluk ondervindt, dat hij door het gloeiend vuur der smart gaat, want alleen alzoo kan de weerspannige ziel er toe gebracht worden na te denken over het raadsel des levens alleen alzoo kan het hart verzacht en gereinigd worden en voorbereid om de waarheid te ontvangen.

Wanneer de angel der smart het hart der natuurlijke liefde treft; wanneer duisternis, eenzaamheid en verlatenheid de ziel der vriendschappen des vertrouwens overschaduwen, dan wendt zich het hart naar de beschermende liefde van den Eeuwige en vindt rust in Zijn stillen vrede. En wie tot deze liefde nadert, wordt niet zonder troost weggezonden, is niet doorboord door angst noch omringd door duisternis en staat nooit verlaten en alleen in de duistere ure der beproeving.

De heerlijkheid der goddelijke liefde kan alleen worden geopenbaard in het hart, gereinigd door smart en het beeld van den hemelschen toestand kan alleen worden bemerkt en verkregen, wanneer de levenlooze en vormlooze uitgroeisels van onwetendheid en zelfzucht weggenomen zijn. Slechts die liefde kan goddelijk genoemd worden, die geen persoonlijke voldoening noch belooning zocht, geen onderscheid maakt en geen harteleed achterlaat.

De menschen, die aan de zelfzucht verslaafd zijn en aan de koude schaduwen des kwaads, denken gewoonlijk, dat de goddelijke liefde iets is, dat aan een God behoort, die geheel buiten hun bereik is, iets buiten hen zelf en dat altijd buiten hen blijven zal. Voorwaar, de God der liefde is altijd buiten het bereik der zelfzucht, maar wanneer door het hart en gemoed die zelfzucht overwonen is, dan komt de hoogste liefde, die uit God of uit het goede is in ons en blijft daar woning maken.

Dit innerlijk verkrijgen der heilige liefde is niets anders dan de liefde van Christus, waarover zooveel gesproken en die toch zoo weinig verstaan wordt. Deze liefde redt de ziel niet alleen van de zonde, maar verheft ze ook boven de macht der verzoeking.

Hoe kan men echter dit heerlijk goed deelachtig worden? Het antwoord, dat de waarheid altijd heeft gegeven en altijd geven zal op deze vraag is: — „ontledig uzelf en ik zal u vervullen.” De goddelijke liefde kan niet gekend worden, totdat de zelfzucht dood is, want de zelfzucht is ontkenning der liefde en hoe kan datgene wat bekend is ook ontkend worden?

Niet voordat de steen der zelfzucht weggenomen is van het graf der ziel, werpt de onsterfelijke Christus, gestorven en begraven, de windsels der onwetendheid af en komt voort in al de majesteit Zijner opstanding.

Gij gelooft, dat Jezus van Nazaret ter dood is gebracht en weder opgestaan is: Ik zeg niet, dat dit geloof een dwaling is, maar als gij weigert te gelooven dat de zachtmoedige geest der liefde dagelijks gekruisigd wordt op het duistere kruis van uw zelfzuchtige begeerten, dan zeg ik, dat gij in dit ongeloof dwaalt, en dat gij zelfs nog niet van verre de liefde van Christus gezien hebt.

Gij zegt, dat gij de zaligheid hebt gesmaakt in de liefde van Christus. Zijt gij vrij gemaakt van uw slecht humeur, uw lichtgeraaktheid, uw ijdelheid, uw persoonlijken tegenzin, uw veroordeeling van anderen? Indien dit niet zoo is, waarvan zijt gij dan vrijgemaakt en waarin hebt gij de zaligmakende liefde van Christus gesmaakt?

Hij, die de goddelijke liefde zich heeft eigen gemaakt, is een nieuw mensch geworden en heeft opgehouden her- en derwaarts geslingerd te worden en overheerscht door de oude elementen der zelfzucht. Hij is bekend voor zijn geduld, zijn reinheid, zijn zelfbeheersching zijn groote menschenliefde en zijn onveranderlijke vriendelijkheid.

Goddelijke en onzelfzuchtige liefde is niet alleen een gevoel of emotie; het is een toestand van kennis die de heerschappij des kwaads en het geloof in het kwade vernietigt en de ziel opheft tot de blijde verzekerdheid van het hoogste goed. Voor de goddelijk verlichten, is kennis en liefde één en onafscheidelijk.

De geheele wereld gaat in de richting van het bezit van deze goddelijke liefde, voor dit doel kwam het gansche heelal in aanzijn en iederen keer dat men de hand uitstrekt naar geluk en dat de ziel uitziet naar idealen, doet men een poging om in het bezit daarvan te geraken. Maar de wereld kan deze liefde nu niet verkrijgen, omdat zij grijpt naar een vervliegende schaduw en in haar blindheid de stof ontkent. Lijden en smart gaan voort en moeten voortgaan, totdat de wereld, onder tucht gebracht door zelfopgelegde pijn, ontdekt dat de goddelijke liefde onzelfzuchtig is, kalm en vol vrede.

En deze liefde, deze wijsheid en deze vrede, deze rustige gemoedstoestand kan verkregen worden door allen die gewillig zijn en gereed om zichzelf te verloochenen en die bereid zijn nederig te verstaan, wat het verloochenen van zichzelf beteekent. Er is geen willekeurige macht in het heelal en de sterkste teekenen van het noodlot, waardoor de menschen gebonden zijn, hebben zij zelf gesmeed. De menschen zijn geketend aan datgene, wat lijden veroorzaakt, omdat zij het zóó wenschen en hunne ketenen liefhebben, zij denken dat hun kleine donkere kerker der zelfzucht heerlijk en schoon is en zij vreezen, dat zij bij het verlaten van dien kerker alles zullen verliezen wat werkelijk is en het bezitten waard is.

Gij lijdt door U zelf, niemand anders dwingt U.
Niemand anders beheerscht U in leven noch in sterven”.

De inwonende kracht die de ketenen smeedde en de enge en duistere kerk maakte, kan ook alles wegbreken, wanneer het de wensch des menschen is en het is de wensch der ziel dit te doen als zij de waardeloosheid van dien kerker heeft erkend, wanneer een lange tijd van lijden de ziel heeft voorbereid voor de ontvangst van het matelooze licht der liefde.

Zooals de schaduw den vorm volgt en zooals de rook volgt op het vuur, zoo komt ook het gevolg na de oorzaak en lijden en zaligheid volgen op de gedachten en daden vanden mensch. Er is geen gevolg in de wereld om ons heen of het heeft zijn verborgen of blijkbare oorzaak en die oorzaak is in overeenstemming met volstrekte rechtvaardigheid. De menschen verzamelen een oogst van lijden, omdat zij in het nabijzijnd of ver verleden de zaden des kwaads gezaaid hebben; zij verzamelen ook een oogst van zaligheid als een uitkomst van hun eigen zaaien van het zaad van het goede. Laat de mensch hierover nadenken, laat hem trachten dit te verstaan en dan zal hij beginnen met alleen de zaden van het goede te zaaien en het onkruid te verbranden, dat vroeger in den tuin zijns harten groeide.

De wereld verstaat niet de goddelijke liefde, omdat zij zich bezig houdt met het najagen van haar eigen genoegens en beperkt is door de enge grenzen van vergankelijke belangen en in hare onwetendheid deze genoegens en belangen voor werkelijke en blijvende dingen aanziet. Gevangen in de vlammen der zinnelijke lusten en brandende van begeerte ziet zij niet de zuivere en vreedzame schoonheid der waarheid. Zich voedende met den draf der zwijnen van dwaling en zelfmisleiding, is zij buitengesloten uit het Vaderhuis der alziende liefde. Deze liefde niet bezittende, noch verstaande, voeren de menschen ontelbare hervormingen in, die geen zelfopoffering kosten en ieder van hen denkt, dat zijne hervorming de wereld voorgoed zal verbeteren, terwijl hij zelf voort gaat met kwaad te kweeken in zijn eigen hart. Alleen die hervorming kan alzoo genoemd worden, die dient om het menschelijk hart te verbeteren, want alle boosheid ontstaat daar en niet voordat de wereld, zelfzucht en partijgeest opgevend, de les geleerd heeft van goddelijke liefde, zal zij in de gouden eeuw van algemeene zaligheid voortleven.

Laten de rijken niet langer de armen verachten en de armen de rijken niet meer veroordeelen; laat de hebzuchtigen leeren om te geven en de zinnelijke menschen rein worden; laat de partijman ophouden met strijden en de onmenschlievenden leeren om te vergeven; laat de naijverigen zich met anderen verheugen en de lasteraars zich schamen over hun gedrag. Laat de menschen dezen weg inslaan en dan zal de Gouden Eeuw aanbreken. Degene dus, die zijn eigen hart reinigt, is de grootste weldoener der menschheid. En toch, ofschoon de wereld niet in de Gouden Eeuw verkeert en hierin nog gedurende vele eeuwen niet verkeeren zal, voordat onzelfzuchtige liefde overal heerscht, toch kunt gij, als gij wilt er van nu af aan in leven, indien gij u verheft boven uw zelfzuchtige natuur, als gij wilt overgaan van vooroordeel, haat en veroordeeling, tot zachtmoedige en vergevende liefde.

Waar haat, liefdeloosheid en vooroordeel heerscht, kan liefde niet verwijlen. Zij woont alleen in het hart dat alle vooroordeel opgegeven heeft.

Gij zegt: „Hoe kan ik den dronkaard, den huichelaar, den bedrieger, den moordenaar liefhebben? Ik ben genoodzaakt een tegenzin voor zulke menschen te gevoelen en ze te veroordeelen.”

Het is waar, dat gij zulke menschen niet met uw gevoel kunt liefhebben, maar wanneer gij zegt, dat gij hen noodzakelijk moet haten en veroordeelen, dan toont gij niet bekend te zijn met de groote, alles beheerschende liefde, want het is mogelijk tot zulk een toestand van innerlijke verlichting te geraken, die u in staat zal stellen om den schakel van oorzaken te zien, waardoor deze menschen geworden zijn wat zij zijn, u te verdiepen in hun innerlijk lijden en de zekerheid te weten van hun eindelijke reiniging. Met zulke kennis begaafd zal het geheel onmogelijk voor u zijn hen langer te haten of te veroordeelen en dan zult gij altijd aan hen denken met volkomen kalmte en diep medelijden. Als gij de menschen liefhebt en met lof van hen spreekt totdat zij u op een gegeven tijd dwarsboomen of iets doen, dat gij afkeurt, en als gij dan een afkeer van ze hebt en u ongunstig over hen uitlaat, dan wordt gij niet beheerscht door de liefde, die uit God is. Als gij in uw hart voortdurend anderen veroordeelt, bestaat er voor u geen onzelfzuchtige liefde.

Hij, die weet dat er liefde is verborgen onder alle dingen en de algenoegzame kracht van die liefde heeft begrepen, heeft geen plaats in zijn hart voor veroordeeling.

De menschen, die deze liefde niet kennen, werpen zich op als rechter over hun medemenschen, vergetend dat er een Eeuwige rechter is, en voor zooverre als iemand van hen verschilt in hun gevoelens, hun eigenaardige verbeteringen en methoden, veroordeelen zij hen als fanatiek, bevooroordeeld, onoprecht en oneerlijk; en voor zooverre anderen nader komen tot hun standaard vinden zij hen bewonderenswaardig. Zoodanig zijn de menschen, die aan niets dan zichzelf denken. Maar hij, wiens hart vervuld is van de goddelijke liefde, brandmerkt de menschen niet op deze wijze; hij wenscht niet alle menschen tot zijn meening over te halen, of ze te overtuigen van de uitstekendheid zijner methoden. De wet der liefde kennende, leeft hij er naar en behoudt denzelfden rustigen gemoedstoestand en vriendelijkheid jegens allen. De boozen en de deugdzamen, de dwazen en de wijzen, de geleerden en ongeleerden, de zelfzuchtigen en onzelfzuchtigen ontvangen allen gelijkelijk den zegen van zijn stille gedachten.

Men kan alleen tot deze verheven kennis, tot deze goddelijke liefde komen door voortdurende tucht over zichzelf te oefenen en door overwinning op overwinning over zichzelf te behalen. Alleen de reinen van hart zien God en wanneer uw hart voldoende gereinigd is zult gij in de Wedergeboorte ingaan en de liefde die niet sterft, noch verandert, noch in pijn en smart eindigt, zal in u opgewekt worden en volkomen vrede zal uw deel zijn.

Hij, die tracht goddelijke liefde te verkrijgen tracht altijd den geest der veroordeeling te overwinnen, want waar zuivere, geestelijke kennis is kan veroordeeling niet bestaan en alleen in het hart, dat niet anderen yeroordeelt, is de liefde volmaakt.

De Christen veroordeelt den atheïst; de atheïst bespot den Christen; de Katholiek en de Protestant leven in een voortdurenden strijd en de geest van haat en afkeer heerscht, waar vrede en liefde moest zijn.

„Hij, die zijn broeder haat is een moordenaar, iemand, die den goddelijken Geest der liefde kruisigt; en totdat gij menschen van allerlei godsdienst en van geen godsdienst beschouwen kunt met denzelfden onpartijdigen geest, vrij van allen voorkeur en met volmaakte gelijkmoedigheid, moet gij strijden voor die liefde, die aan haar bezitter vrijheid en zaligheid schenkt. Het verkrijgen van goddelijke kennis en onzelfzuchtige liefde, vernietigt geheel den geest der veroordeeling, verdrijft alle kwaad en heft ons bewustzijn tot die hoogte van zuiver geloof, waar de liefde, de goedheid en de gerechtigheid ons geheel vervullen en algemeen, alles overwinnend onvernietigbaar blijken te zijn.

Kweek in uw gemoed aan sterke, onpartijdige en zachtmoedige gedachten, vol reinheid en mededoogen, leer stil te zijn of slechts ware en kuische taal te uiten, dan zult gij den weg der zaligheid en des vredes bewandelen en u eindelijk verheffen tot onsterfelijke liefde. Alzoo levende, zult gij zonder te trachten om te bekeeren toch overtuigen, zonder te redeneeren zult gij onderwijzen, zonder dat gij de eerzucht liefheb! zullen toch de wijzen u uitvinden en zonder te trachten u de goedkeuring der menschen te verwerven, zult gij toch hun harten onderwerpen. Want de liefde overwint en is almachtig en de gedachten, daden en woorden der liefde kunnen nooit vergaan.

Te weten, dat de liefde algemeen, oppermachtig, algenoegzaam is, vrij te zijn van de banden des kwaads, van inwendige onrust, te weten, dat alle menschen er naar streven om de waarheid te verkrijgen op hun eigen manier, voldaan en blijde te zijn, dat is vrede en blijdschap, onsterfelijkheid, goddelijkheid, dit is het verkrijgen van onzelfzuchtige liefde.

Ik stond op de kust en zag dat de rotsen,
Het beuken weerstonden van de machtige zee,
En toen ik bedacht wat ontelbare schokken,
Zij weerstaan hadden de geheele eeuwigheid door,
Sprak ik: „om dit groote heelal te verwoesten
Zijn de onophoudelijke pogingen der golven vergeefsch.

Maar toen ik bedacht, hoe zij de rotsen hadden gescheurd,
En het zand en de steenbrokken aan mijn voeten zag,
(Arme lijdelijke overblijfselen van vergane kracht)
Overal heengeworpen, waar het water ze bracht,
Toen bemerkte ik oude landgrenzen onder de golven,
En wist ik, dat de wateren de steenen als hun slaven beschouwden.

Ik zag de machtige werken door de wateren verricht,
Door geduldig stroomen en voortdurend vloeien,
Hoe zij het fierste voorgebergte hadden gebracht
Aan hun voeten en massieve heuvelen hadden omlaag gehaald,
Hoe de zachte droppels den diamantharden muur
Ten laatste overwonnen en deden vallen.

En toen wist ik dat de harde, weerspannige zonde
Zou toegeven ten laatste aan den zachten drang der liefde,
Komende en gaande, altijd invloeiende
Op de trotsche rotsen der menschelijke ziel,
Dat alle weerstand zou worden overwonnen,
En elk menschenhart toe zou geven ten laatste.

5. Ingaan in het oneindige

Van de vroegste tijden af is de mensen, in weerwil van zijn lichamelijke behoeften en begeerten, te midden van alle aardsche en vergankelijke dingen, toch altijd zich bewust geweest als bij ingeving van den beperkten, vergankelijken en tijdelijken aard van zijn stoffelijk bestaan en in zijn stille en rustige oogenblikken heeft hij getracht het oneindige te begrijpen en zich met diepgaand verlangen gewend naar de blijvende rust in den boezem van den Almachtige. Terwijl men zich dwaselijk verbeeldt, dat de genoegens dezer aarde werkelijk en genoegzaam zijn, worden wij door pijn en smart onophoudelijk er aan herinnerd dat zij onwezenlijk en vergankelijk zijn. Terwijl de mensch er altijd naar streeft te gelooven, dat volkomen voldoening gevonden kan worden in stoffelijke dingen, is hij zich bewust van een innerlijke en aanhoudende ontkenning van deze overtuiging, hetgeen tegelijkertijd een bewijs van zijn sterfelijkheid en van de waarheid der bewering, dat alleen in het onsterfelijke, het eeuwige en oneindige blijvende voldoening en onverbroken vrede kan gevonden worden.

En hier is de algemeene grond des geloofs, de wortel en bron van allen godsdienst; hier is de ziel van Broederschap en de kern der liefde — dat de mensch naar zijn aard volstrekt geestelijk, goddelijk en eeuwig is, en dat hij, in sterfelijken toestand en door onrust gekweld, altijd streeft om tot het bewustzijn te komen van zijn ware natuur.

De geest des menschen is onafscheidelijk van het oneindige en kan slechts daarmede ook voldaan zijn, en de last der smart zal steeds wegen op ’s menschen hart en de schaduwen der droefenis zullen zijn pad verduisteren, totdat hij, zijn zwerftochten in droomwereld der stof opgevend, wederkeert tot zijn tehuis in de werkelijkheid van den Eeuwige.

Evenals de kleinste waterdroppel uit den oceaan alle hoedanigheden bezit van dienzelfden oceaan, zoo bevat de mensch, in bewustheid gescheiden van den Oneindige toch Zijn gelijkenis in zichzelf, evenals de waterdroppel, volgens de wet van zijn aard, eindelijk zijn weg moet terugvinden naar den oceaan en zich verliezen in zijn stille diepte, zoo moet de mensch, volgens de onfeilbare wet zijner natuur ten laatste terugkeeren tot zijn oorsprong en zichzelf verliezen in den grooten oceaan van het oneindige.

Weder één te worden met den oneindige is het einddoel des menschen. Om in te gaan tot volkomen harmonie met de eeuwige wet is wijsheid, liefde en vrede. Maar deze goddelijke toestand is onbegrijpelijk voor den zelfzuchtigen mensch en zal dit altijd blijven.

Persoonlijkheid, afgescheidenheid, zelfzucht is alles hetzelfde en een tegenstelling van wijsheid en goddelijkheid. Door de geheele overgave onzer persoonlijkheid, neemt de zelfzucht en afgescheidenheid af en de mensch komt in het bezit zijner hemelsche erfenis van onsterfelijkheid en oneindigheid.

Zulk een overgave der persoonlijkheid wordt beschouwd door het wereldschgezind en zelfzuchtig gemoed als de ergste aller rampen, als het meest onherstelbare verlies, toch is het de eenige groote en onvergelijkelijke zegen, het eenige ware en blijvende gewin. Het gemoed, dat niet verlicht is ten opzichte der innige wetten van ons wezen en van den aard en het lot van zijn eigen leven, hecht zich aan voorbijgaande schijn, zonder wezen, en vergaat daardoor, in dit aardsche leven tusschen de verspreide overblijfselen van zijn eigen illusies.

De menschen hechten zich aan het vleeschelijke, alsof het voor eeuwig duren moet, en ofschoon zij de nabijheid en onvermijdelijkheid van de ontbinding van het vleesch kennen, verduistert de vrees voor den dood en voor het verlies van alles wat zij bezitten hun gelukkigste uren en de koude schaduw van hun eigen zelfzucht volgt hen als een dreigend spook. Door de ophooping van tijdelijke gemakken en genoegens, wordt de goddelijkheid in den mensen verstikt en hij zinkt dieper en dieper weg in het stoffelijke, in het vergankelijke leven der zinnen, en als er genoeg verstand is worden theorieën aangaande de onsterfelijkheid van het vleesch beschouwd als onfeilbare waarheid. Wanneer de ziel van een mensch verduisterd is door zelfzucht in den een of anderen vorm, verliest hij de macht van geestelijke onderscheiding en verwart het vergankelijke met het blijvende, sterfelijkheid met onsterfelijkheid en dwaling met waarheid. Op deze wijze is de wereld vervuld geworden met theorieën en onderstellingen die geen grondslag hebben in de menschelijke ondervinding.

Ieder vleeschelijk lichaam bevat in zich, van het uur van zijn geboorte af, de elementen van zijn eigen vernietiging en door de onveranderlijke wet van zijn eigen natuur moet het voorbijgaan.

Het vergankelijke in het heelal kan nooit blijvend worden; het onvergankelijk kan nooit voorbijgaan? het sterfelijke kan nooit onsterfelijk worden, het onsterfelijke kan nooit sterven; het tijdelijke kan niet eeuwig worden noch het eeuwige tijdelijk; schijn kan nooit werkelijkheid worden, noch werkelijkheid schijn; dwaling kan nooit waarheid worden noch waarheid dwaling. De mensch kan het vleesch niet onsterfelijk maken, maar door het vleesch te overwinnen, door alle neigingen er van te dooden, kan hij in de sfeer der onsterfelijkheid komen. „God alleen is onsterfelijk en alleen door zich den goddelijken toestand van bewustzijn eigen te maken, komt de mensch tot onsterfelijkheid. De geheele natuur in hare duizenden levensvormen is veranderlijk, vergankelijk voorbijgaand. Alleen het onderwijzend beginsel der natuur blijft. De natuur is een veelheid in deelen gescheiden. Het onderwijzend beginsel is één en de eigenaardigheid er van is eenheid.

Door de zinnen te overwinnen en de zelfzucht die in ons woont, hetgeen de overwinning over onze natuur is, komt de mensch te voorschijn uit het omhulsel van het persoonlijke en het denkbeeldige en gaat over naar her heerlijke licht van het onpersoonlijke naar de sfeer der algemeene w;aarheid, waaruit alle vergankelijke vormen voortkomen.

Laat de menschen dus zelfverloochening beoefenen; laat hen hun dierlijke neigingen overwinnen en weigeren slaafsche dienaren te zijn van weelde en genot; laat hen de deugd beoefenen, totdat zij ten laatste goddelijk worden en ten volle leeren begrijpen wat nederigheid, zachtmoedigheid, vergevensgezindheid, medelijden en liefde is, welk begrip de godheid uitmaakt.

Door goedheid wordt ons verstand verhelderd en alleen degene, die op zoodanige wijze zijn persoonlijkheid heeft overwonnen, dat hij alleen jegens alle schepselen goed gezind is, bezit dat goddelijke inzicht en is in staat het ware van het valsche te onderscheiden. De rechtschapene is dus tegelijk wijs, goddelijk, verheven van aard, de gelijke in den geest met den eeuwigen God. Waar gij voortdurende zachtmoedigheid, verdraagzaam geduld, verheven nederigheid, vriendelijkheid, zelfbeheersching, zelfvergeten vindt, volle en diepgaande sympathie, zoek daar de hoogste wijsheid, zoek den omgang van zulk een mensch, want hij kent God, hij leeft met den Almachtige en is één geworden met den oneindige. Geloof niet hem, die ongeduldig is, geneigd tot toorn, die pronkerig is zich vastklemt aan het genot en de voldoening van zijn eigen zelfzuchtige wenschen najaagt, die niets weten wil van vriendelijkheid en mededoogen, want de zoodanige is niet wijs, al zijn kennis is ijdelheid, zijn werken en woorden zullen voorbijgaan, want zij zijn op het vergankelijke gegrondvest.

Laat een mensch zijn oude natuur verloochenen, de wereld overwinnen en zijn eigen persoonlijke belangen over het hoofd zien, langs dezen weg alleen kan hij in het hart van den Oneindige ingaan.

De wereld, het lichaam, de persoonlijkheid zijn slechts afspiegelingen op de woestijn des tijds; voorbijgaande droomen in den donkeren nacht van geestelijke sluimering, en degenen, die de woestijn zijn doorgetrokken, die geestelijk ontwaakt zijn, hebben alleen de werkelijkheid begrepen, waar alle schijn verstrooid is en droomen en zinsbegoocheling vernietigd.

Er is één groote wet, die onvoorwaardelijke gehoorzaam eischt, een grondbeginsel van eenheid, dat de grondslag is van alle verscheidenheid, één eeuwige waarheid, waarin al de vraagstukken der aarde voorbijgaan als schaduwen. Om deze wet, deze eenheid, deze waarheid te kunnen realiseeren, moet men ingaan in het oneindige en één worden met den Eeuwige.

Zijn leven te vestigen in de groote wet der liefde is ingaan tot rust, harmonie en vrede. Af te laten van alle aandeel in boosheid en twist, weerstand te bieden aan het kwaad en nooit het goede na te laten en in volmaakte gehoorzaamheid te leven aan de heilige kalmte in ons, beteekent. de macht te hebben om door te dringen in het hart der dingen, om een welbewuste ondervinding te hebben van dat eeuwige en oneindige beginsel, dat altijd een verborgen geheim moet blijven voor ons verstand. Totdat dit beginsel gerealiseerd is, is de ziel niet in vrede en hij, die zich dit heeft eigen gemaakt, is werkelijk wijs, niet met de wijsheid der geleerden, maar met den eenvoud van een onberispelijk hart en een goddelijke menschheid. Als men het oneindige en eeuwige deelachtig is geworden staat men boven den tijd, de wereld en het lichaam, die het rijk der duisternis uitmaken, en wordt men gegrondvest in onsterfelijkheid, den Hemel en den Geest, die het rijk des Lichts vormen.

Ingaan in het oneindige is niet louter een theorie of een gevoelszaak. Het is een levend beginsel, dat de uitkomst is van voortdurende oefening in innerlijke reiniging. Wanneer men niet langer gelooft dat het lichaam de werkelijke mensch is, wanneer alle lusten en begeerten geheel zijn onderworpen en gereinigd; de emoties tot rust zijn gebracht en gekalmeerd en wanneer de slingering van het verstand ophoudt en volkomen evenwicht is tot stand gebracht, dan en niet voor dien tijd wordt het bewustzijn één met den oneindige; dan alleen is kinderlijke wijsheid en diepgaande vrede vastgesteld.

De menschen worden vermoeid en afgemat van de duistere raadselen des leven en gaan eindelijk tot andere gewesten over ze onopgelost latende, omdat zij geen middel zien om zich te onttrekken aan de duisternis der persoonlijkheid daar zij te veel zich verdiepen in nietigheden. Zijn eigen leven willende redden, verliest de mensch het grooter onpersoonlijke leven in de waarheid, zich vasthechtend aan het vergankelijke is hij buitengesloten van een kennis van den Eeuwige.

Bij de overgave van zichzelf worden alle bezwaren overwonnen en er bestaat geen dwaling in het heelal die niet door het vuur der innerlijke zelfopoffering als kaf zal verbrand worden; geen vraagstuk, hoe groot het ook is, of het zal als een schaduw verdwijnen voor het onderzoekende licht der zelfverloochening. Onoplosbare vraagstukken bestaan alleen in onze eigen zelfbedachte illusies, en zij verdwijnen geheel, wanneer de zelfzucht te niet gedaan wordt. Zelfzucht en dwaling zijn van gelijke beteekenis. Dwaling is verborgen, is verborgen in de duisternis van onpeilbare ingewikkeldheid, maar eeuwige eenvoud is de roem der waarheid.

Zelfzucht sluit den mensch uit van de waarheid en zijn eigen persoonlijk geluk zoekende verliest hij de dieper, reiner en blijvender zaligheid. Carlyle zegt: — „Er is iets hoogers in den mensch dan de begeerte naar geluk. Hij kan wel leven zonder geluk, indien hij in plaats daarvan slechts zaligheid vindt.

.... Hebt de wereld niet lief, maar God. Dit is het eeuwige Ja en Amen, waarbij tegenspraak opgelost is, en het is wèl met dengene, die alzoo wandelt en werkt.

Hij, die de zelfzucht heeft opgegeven, die persoonlijkheid, die de menschen moeten liefhebben en waaraan zij zich zoo heftig vastklemmen, heeft alle verwarring achter zich gelaten en is in zulk een diepen eenvoud ingegaan, dat de wereld, die in een net van dwaling verward is, dien voor dwaasheid houdt. Toch heeft zulk een de hoogste wijsheid verkregen, en rust in den Oneindige. Hij arbeidt zonder zijn stem op de straten te doen hooren, alle raadselen zijn voor hem opgelost, want hij is tot de sfeer der werkelijkheid ingegaan en heeft nu te doen niet met veranderlijke uitwerkselen, maar met de onveranderlijke beginselen der dingen. Hij is verlicht door een wijsheid die zooveel hooger staat dan redeneerkunde, als het verstand staat tot het instinkt.

Terwijl hij zijn lusten, zijn dwalingen, meeningen en vooroordeelen heeft opgegeven, is hij ingegaan tot het bezit der kennis Gods, hij heeft in zich te niet gedaan de zelfzuchtige begeerte naar den hemel en de onwetende voorstelling van de hel; daar hij zelfs de liefde voor het leven heeft opgegeven, heeft hij de grootste zaligheid verkregen en het eeuwige leven, het leven dat dood en leven verbindt en zijn eigen onsterfelijkheid kent. Nadat hij alles zonder voorbehoud heeft opgegeven, heeft hij alles gewonnen en hij rust in vrede aan den boezem van den oneindige.

Alleen, die zoo vrijgemaakt is van de zelfzucht, dat het hem even goed is te sterven als te leven, is geschikt om tot den Oneindige in te gaan. Slechts hij, die zichzelf niet langer vertrouwend, geleerd heeft zich gansch en al te betrouwen aan de groote wet, het opperste goed, is voorbereid om deel te nemen aan onsterfelijke zaligheid, voor zulk eenen bestaat er spijt noch teleurstelling of berouw, want waar alle zelfzucht verdwenen is kan dit lijden niet bestaan; wat er ook gebeurt, hij weet, dat het voor zijn welzijn is en hij is er tevreden mee niet langer een dienstknecht te zijn der zelfzucht maar een dienaar van den Oppermachtige.

Hij wordt niet meer aangeroerd door de wisselingen dezer aarde, en wanneer hij hoort van oorlogen en geruchten van oorlogen wordt zijn ziel niet ontroerd, waar menschen boosaardig worden, cynisch en twistziek, daar schenkt hij medelijden en liefde. Ofschoon de schijn anders is, weet hij, dat de wereld voortgaat en dat:

„Door het lachen en het weenen,
Door het leven en het bewaren,
Door de dwaasheid en den arbeid, geweven
Binnen en buiten den mensch,
Tot het einde van het begin,
Door alle deugd en alle zonde,
Door Gods weefsel des vooruitgangs loopt
De gouden draad des lichts.”

Wanneer er een hevige storm woedt is niemand er vertoornd over, omdat de menschen weten, dat hij gauw voorbij zal zijn en wanneer de stormen des strijds de wereld verwoesten, weet de wijze, die dit alles uit het oogpunt der waarheid en met mededoogen beschouwt, dat zij gauw voorbij zullen zijn en dat uit de overblijfselen der gebroken harten, die achterblijven de onsterfelijke tempel der wijsheid zal opgebouwd worden.

Verheven geduldig, oneindig medelijdend, diep, stil en rein, is zelfs zijn tegenwoordigheid een zegen, en als hij spreekt overdenken de menschen zijne woorden in hunne harten en verheffen er zich door tot hooger sferen. Zoodanig is hij, die in het oneindige is ingegaan, die door de kracht der grootste zelfopoffering het heilige raadsel des levens heeft opgelost:

Om uit te vorschen het Leven, het Noodlot en de Waarheid,
Zocht ik op de duistere Sphinx in den doolhof,
Die deze vreemde en wonderlijke woorden tot mij sprak:
„Verborgenheid ligt alleen aan verblinde oogen,
En God alleen ziet de gestalte Gods.”

Ik trachtte dit verborgen geheim te ontraadselen
En ging vergeefs langs ’t pad der blindheid en der pijn,
Maar toen ik vond den weg der liefde en vrede,
Hield het geheime op en ik was blind niet langer;
Toen zag ik God ook met de oogen Gods.

6. Heiligen, wijzen en redders; de wet der dienstvaardigheid

De geest der liefde, die geopenbaard wordt als een volmaakt en wel afgerond leven, is de kroon van ons bestaan en het einde der kennis op deze aarde.

De mate van de waarheid eens menschen is de mate zijner liefde en waarheid is ver verwijderd van hem wiens leven niet beheerscht wordt door liefde. De onverdraagzamen en veroordeelaars, zelfs als zij den hoogsten vorm van godsdienst belijden, bezitten de geringste mate der waarheid; terwijl degenen, die geduld oefenen en die kalm en zonder opwinding naar alles luisteren zelf na wel overdachte overwegingen tot een goed inzicht der waarheid komen en ook anderen hiertoe brengen.

De laatste toets der wijsheid is — hoe leeft iemand? Welke geest gaat er van hem uit? Hoe handelt hij onder beproeving en verzoeking? Vele menschen beweren in het bezit der waarheid te zijn, die voortdurend her- en derwaarts geslingerd worden door teleurstelling en hartstocht en die wegzinken bij de eerste kleine beproeving, die hun overkomt. De waarheid beteekent niets, als zij niet onveranderlijk is en voor zooverre de mensch zijn standpunt op de waarheid inneemt wordt hij standvastig in de deugd, verheft hij zich boven zijn hartstochten en aandoeningen en veranderlijke persoonlijkheid.

De menschen vormen vergankelijke dogma’s en noemen die de waarheid. De waarheid kan niet onder woorden worden gebracht, zij staat ver boven de verklaring van het verstand. Zij kan slechts gevoeld worden door ondervinding en geopenbaard als een onbevlekt hart en een volmaakt leven.

Wie heeft dan eigenlijk in den geheelen warboel van stelsels en geloofsbelijdenissen de geheele waarheid? Hij die ze door zijn leven toont en in beoefening brengt. Hij, die zichzelf boven dien chaos heeft verheven door zichzelf te overwinnen, verwart er zich niet meer in, maar blijft afgezonderd, rustig, onderworpen, kalm en zichzelf volkomen meester, vrij van allen strijd, alle veroordeeling en schenkt allen de blijde en onzelfzuchtige liefde der godheid, die in hem is.

Hij, die geduldig, kalm, rustig en vergevensgezind is onder alle omstandigheden, openbaart de waarheid. De waarheid zal nooit bewezen worden door lange argumenten en geleerde verhandelingen, want als de menschen de waarheid niet bemerken in een oneindig geduld, onsterfelijke vergeving en alomvattend medelijden, kunnen woorden ze hun nummer doen begrijpen. Het is gemakkelijk voor driftige lieden kalm en geduldig te zijn, als zij geheel alleen zijn of in een rustige omgeving verkeeren. Eveneens is het voor slecht gehumeurde lieden gemakkekelijk zachtzinnig en vriendelijk te zijn, wanneer zij ook vriendelijk behandeld worden, maar hij, die zijn geduld en kalmte kan bewaren onder elke beproeving, die verheven rustig en stil blijft onder de moeilijkste omstandigheden, die mensch alleen bezit de reinste waarheid. En dit is zoo, omdat deze verheven deugden aan de godheid behooren en alleen kunnen worden geopenbaard door iemand, die de hoogste wijsheid heeft verkregen, die zijn hartstochtelijke en zelfzuchtige natuur heeft opgegeven, die de schoone en onveranderlijke wet heeft nageleefd en zichzelf hiermede in harmonie heeft gebracht. Laten de menschen dus nalaten ijdele en hartstochtelijke argumenten omtrent de waarheid aan te voeren en laat hen die dingen denken en zeggen, die harmonie, vrede, liefde en goedwilligheid aankweeken. Laat hen de deugd beoefenen, nederig en ijverig naar de waarheid zoeken, die de ziel bevrijd van alle dwaling en zonde, van alles, wat het menschelijk hart bederft en met een eindelooze duisternis den weg verdonkert der zielen, die op deze aarde rondzwerven.

Er is een groote, allesomvattende wet, die de grondslag en de oorzaak van het ontstaan des heelals is, de wet der liefde. Zij is met vele namen genoemd in verschillende landen en op verschillende tijden, maar achter al de namen kan dezelfde onveranderlijke wet ontdekt worden door het oog der waarheid. Namen, godsdiensten en persoonlijkheden gaan voorbij, maar de wet der liefde blijft. In het bezit te geraken van een kennis dezer wet, in welbewuste harmonie er mede te komen, is onsterfelijk, onoverwinnelijk, onvernietigbaar te worden.

Het is door den kamp der ziel om naar deze wet te leven dat de menschen telkens en telkens leven, lijden en sterven, en wanneer men zich die eigen heeft gemaakt, houdt het lijden op, onze persoonlijke zelfzucht verdwijnt, het leven en den dood naar het vleesch zijn vernietigd, want ons bewustzijn wordt één met den Almachtige.

De wet is geheel onpersoonlijk, en de hoogst geopenbaarde uitdrukking ervan is dienstvaardigheid. Wanneer het gezuiverde hart zich de waarheid heeft eigen gemaakt, voelt hij zich geroepen het laatste, grootste en heiligste offer te brengen, het offer van het welverdiende genot der waarheid. Het is door middel van dit offer dat de goddelijke ziel onder de menschen komt wonen, bekleed met het lichaam des vleesches, tevreden met te leven onder de minsten en laagsten en geacht te worden als een dienaar van het gansche menschdom. Die verheven nederigheid, die geopenbaard is door zaligmakers der wereld is het zegel der Godheid en hij, die zijn persoonlijkheid vernietigd heeft en een levende, zichtbare manifestatie is van den onpersoonlijken, eeuwigen, mateloozen geest der liefde, wordt alleen waardig geacht om de vereering der nakomelingschap te ontvangen. Hij alleen, die er in slaagt zich te vernederen met die goddelijke nederigheid, die niet alleen de vernietiging van zichzelf is, maar ook de uitstorting is over allen van den geest der onzelfzuchtige liefde, wordt bovenmate hoog verheven en hem wordt geestelijke heerschappij gegeven over de harten van het menschdom.

Al de groote geestelijke leeraars hebben zichzelf persoonlijke weelde, gemakken en belooningen ontzegd, hebben tijdelijke macht verworpen en hebben geleefd volgens de onbegrensde en onpersoonlijke waarheid, die zij ook verkondigden. Vergelijk hunne levens en hunne verschillende leerstellingen en gij zult denzelfden eenvoud, dezelfde zelfopoffering, dezelfde nederigheid, liefde en vrede beide in hun leven en leer vinden. Zij leerden dezelfde eeuwige beginselen, waarvan het verkrijgen al het kwaad vernietigt. Zij, die als redders der wereld zijn begroet en vereerd, zijn openbaringen van de groote onpersoonlijke wet en als zoodanig vrij van hartstocht en vooroordeel en geen overtuiging noch bijzondere leer hebbende te verkondigen, trachten zij nooit te bekeeren en proselieten te maken. Levende in hoogste braafheid, de schoonste volmaaktheid, was hun eenig doel om het menschdom op te heffen door die braafheid in gedachten, woorden en daden te openbaren. Zij staan tusschen den persoonlijken mensch en den onpersoonlijken God en dienen als typen ten voorbeeld voor de redding van het in slavernij verzonken menschdom.

De menschen, die zich aan zelfzucht hebben overgegeven en die niet begrijpen kunnen, dat innerlijke goedheid volkomen onpersoonlijk is, ontkennen de godheid aan alle redders van het rnenschdom behalve aan hun eigen, en voeren alzoo persoonlijke haat en godsdiensttwisten in, en terwijl zij hun eigen bijzondere inzichten hartstochtelijk verdedigen, beschouwen zij elkander als heidenen en ongeloovigen en maken zoo, voor zooverre het hun eigen leven betreft, de onzelfzuchtige schoonheid en de verheven grootschheid van het leven en de leer van hun eigen Meester als van nul en geener waarde. De waarheid kan niet beperkt worden, zij kan nooit het bijzondere voorrecht zijn van een mensch, school of natie en waar de persoonlijkheid de overhand neemt, is de waarheid verloren.

De heerlijkheid van den heilige, den wijze en van den redder is deze, — dat hij de diepste nederigheid zich heeft verworven de verhevenste onzelfzuchtigheid; daar hij alles opgegeven heeft, zelfs eigen persoonlijkheid, zijn zijn werken heilig en duurzaam, want zij zijn vrij van iederen smet der zelfzucht. Hij geeft, maar denkt toch nooit aan ontvangen, hij arbeidt, zonder het verleden te betreuren of in de toekomst in te grijpen en ziet nooit naar een belooning uit.

Wanneer de boer zijn land heeft geploegd en bezaaid, weet hij dat hij alles gedaan heeft wat hij kon en dat hij het nu verder aan de natuur moet overlaten en geduldig wachten dat na verloop van tijd de oogst rijp zal zijn en dat geen drijven van zijn kant de uitkomst zal verhaasten. Eveneens gaat hij, die in de waarheid staat, voort als een zaaier van het zaad der goedheid, reinheid, liefde en vrede, zonder iets te verwachten en nooit naar de uitkomst ziende, wetende dat de Groote alles overheerschende wet haar oogst in haar eigen tijd zal voortbrengen en die tegelijkertijd de bron is van behoud of vernietiging.

De menschen, die niet den verheven eenvoud van een volkomen onzelfzuchtig hart begrijpen, beschouwen hun eigen zaligmaker als de openbaring van een bijzonder wonder, als iemand geheel afgescheiden van de natuur der dingen en in ethische volmaaktheid, volkomen onbereikbaar voor het geheele menschdom. Dit ongeloof in de goddelijke volmaaktheid van den mensch, verlamt alle pogingen en ketent de ziel des menschen als met sterke banden aan zonde en lijden. Jezus „wies op in wijsheid” en „werd volmaakt door lijden.” Wat Jezus was, dat werd Hij; wat Boeddha was, werd hij langzamerhand; en ieder heilige werd zoo door voortdurende volharding en zelfopoffering. Als gij dit eenmaal erkent en eenmaal realiseert dat door waakzame pogingen en hoopvolle volharding gij u verheffen kunt boven uw lagere natuur, dan zal het uitzicht dat zich voor u opent grootsch en heerlijk zijn. Boeddha zwoer, dat hij zijn pogingen niet zou opgeven, voordat hij kwam tot den toestand der volmaaktheid en hij deed zijn eed gestand.

Wat de heiligen, wijzen, redders der menschheid volbracht hebben, kunt gij ook eveneens doen, indien gij slechts den weg wilt bewandelen, dien zij gingen en aanwezen, den weg der zelfopoffering en onzelfzuchtige dienstvaardigheid.

De waarheid is zeer eenvoudig. Zij spreekt: „Verloochen Uzelf”, „Kom tot Mij” (weg van alles, wat verontreinigt) „en Ik zal u rust geven.” Alle bergen van commentaren, die er op gemaakt zijn kunnen dat niet verbergen voor het hart, dat ernstig de gerechtigheid zoekt. Er is geen geleerdheid voor noodig, de waarheid kan ook door de kinderkens worden verstaan. Verborgen onder vele vormen door den dwalenden, zelfzuchtigen mensch blijft de schoone eenvoud en heldere klaarheid der waarheid onveranderd en helder voor onze oogen staan en het onzelfzuchtige hart verstaat ze en wordt haar helder schijnsel gewaar. Niet door verwarde theorieën, niet door philosophische onderstellingen wordt de waarheid verstaan, maar door het weefsel van innerlijke reinheid te maken, door den tempel van een onbesmet leven op te bouwen wordt de waarheid verstaan. Hij, die dezen heiligen weg inslaat, begint met zijn hartstochten te beheer -schen. Dit is deugd en het begin der heiligheid. De wereldsche man voldoet aan al zijn begeerten en houdt de wet alleen maar in zooverre als dit geëischt wordt door het land, waarin hij leeft; de deugdzame man beheerscht zijn hartstochten; de heilige valt den vijand der waarheid aan in sterkte in zijn eigen hart en houdt alle zelfzuchtige en onreine gedachten terug, terwijl de heilige mensch geheel vrij is van hartstocht en alle onreine gedachten en goedheid en reinheid zijn hem even natuurlijk als geur en kleur aan de bloem. De heilige mensch is goddelijk wijs, hij alleen kent de waarheid in al hare volheid en is ingegaan tot blijvenden vrede en rust.

Voor hem bestaat er geen kwaad meer, het is verdwenen in het algemeene licht van den Algoede. Heiligheid is het kenmerk der wijsheid. Krishna zeide tot Prins Arjuna.

„Nederigheid, waarheidsliefde en onschadelijkheid,
Geduld en eer, eerbied voor de wijzen,
Reinheid, volharding, zelfbeheersching,
Verachting van zinnelijk genot, zelfopoffering,
Begrip van de zekerheid des kwaads,
In geboorte, dood, ouderdom, ziekte, lijden en zonde,
Een altijd kalm gemoed in tegenspoed
Zoowel als in voorspoed..........
.............Standvastig Pogen
Om het begrip te verkrijgen van onze ziel
En kracht om te verstaan, wat winst ware dit,
Dit te verkrijgen — is ware wijsheid,
Prins! En alles wat anders is, is onwetendheid!”

Degene, die voortdurend strijdt tegen zijn eigen zelfzucht en tracht die te vervangen door allesomvattende liefde is een heilige, hetzij hij in een hutje leeft of te midden van rijkdom en invloed; hetzij hij preekt of in verborgenheid leeft.

Voor den wereldling, die tracht naar hoogere dingen, is de heilige als de reine St. Franciscus van Assisi, of als de overwinnende St. Antonius een heerlijk en bezielend schouwspel; voor den heilige is het even verrukkend gezicht den wijze nadenkend en heilig te zien zitten, den overwinnaar van zonde en droefenis, niet meer gekweld door spijt en berouw, dien zelfs de verzoeking nooit bereiken kan, en toch wordt de wijze aangevuurd door een nog heerlijker visie, van den Zaligmaker, die zijn kennis werkzaam openbaart in onzelfzuchtigen arbeid en zijn Godheid meer kracht verleent ten goede door zelf weg te zinken in het kloppende, bedroefde, smachtende hart van het menschdom.

Dit alleen is de ware dienstvaardigheid — zich te vergeten in liefde jegens allen, zich te verliezen in arbeid voor het geheel. O, gij dwaze en ijdele mensch, die denkt, dat uw vele werken u kunnen redden, die geketend aan alle dwaling, luid van uzelf spreekt, van uw werk en uw vele opofferingen en uw eigen belangrijkheid steeds verkondigt; weet dit, dat ofschoon uw roem de geheele aarde zou vervullen, toch al uw werk tot stof zou ineenvallen en gijzelf gerekend zoudt worden lager dan de laagste in het Koninkrijk der waarheid. Alleen het werk, dat onpersoonlijk is, kan leven, de werken der zelfzucht zijn krachteloos en vergankelijk. Waar plichten, hoe laag ook, vervuld worden zonder eigenbelang en met vreugdevolle zelfopoffering, daar is ware dienstvaardigheid en blijvend werk. Waar daden, hoe schitterend ook en schijnbaar welgeslaagd, verricht worden uit zelfzucht, daar is onbekendheid met de wet der dienstvaardigheid en het werk vergaat.

Het is de wereld gegeven een groote en heilige les te leeren, de les van volstrekte onzelfzuchtigheid. De heiligen, wijzen en redders van alle tijden zijn degenen, die zich aan deze taak gewijd hebben en die geleerd hebben en er naar geleefd. Al de geschriften der wereld worden geschreven om deze een les te leeren, al de groote leeraars herhalen die. Zij is toch te ingewikkeld voor de wereld, die ze verachtend voortstrompelt op den hobbeligen weg der zelfzucht. Een rein hart is het einde van allen godsdienst en het begin aller goddelijkheid. Naar deze gerechtigheid te zoeken is te wandelen op den weg der waarheid en des vredes en hij, die dezen weg betreedt, zal spoedig die onsterfelijkheid bemerken, die onafhankelijk is van geboorte en dood en hij zal gewaar worden dat in de goddelijke bedeeling van het heelal de nederigste poging niet verloren is. De goddelijkheid van een Krishna, een Gautama of zelfs van den Heere Jezus is de bekronende heerlijkheid der zelfverloochening, het einde van den pelgrimstocht der ziel in de stof en de sterfelijkheid en de wereld zal niet haar loopkring voleind hebben, voordat iedere ziel als deze geworden is en is ingegaan in het gezegende begrip van haar eigen goddelijkheid.

Verheven glorie kroont de hoogten der hoop door vurigen strijd gewonnen,
Hooge eer daalt neer op het grijze hoofd dat groote werken heeft verricht;
Groote rijkdom komt tot hem die streeft naar gulden winst,
En roem bestraalt zijn naam, die werkt met geniaal verstand,
Maar grooter glorie nog wacht hem, die in den geestelijken kamp
Tegen zelfzucht en kwaad, in liefde het priesterlijk ambt bekleedt,
En schooner eer straalt om de kruin van hem, die onder den spot
Van blinde aanbidders der zelfzucht, de doornenkroon wil dragen,
En reiner rijkdom komt tot hem, die steeds blijft streven,
Te wandelen op wegen van liefde en waarheid om der menschen wil,
En hij, die het menschdom dient, ruilt vergankelijken roem,
Voor eeuwige vreugde en licht, vrede en ’t gewaad der hemelsche glorie.

7. Het verkrijgen van volmaakte vrede

In het uitwendig heelal is onophoudelijke drukte, verandering en onrust; in het hart van alle dingen is onverstoorde vrede, in deze diepe stilte woont de Eeuwige. De mensch is ook dit dualisme deelachtig en zoowel de verandering en onrust aan de oppervlakte als de diepe eeuwige zetel des vredes wordt ook in hem gevonden. Evenals er stille diepten zijn in den oceaan, die de hevigste stormen niet kunnen bereiken, zoo zijn er ook stille, heilige diepten in het hart des menschen, die door de stormen van zonde en droefenis nooit kunnen beroerd worden. Deze stilte te bereiken en er zelfbewust in te leven, is vrede voor den mensch. Overal in de uitwendige wereld heerscht oneenigheid, maar onverbroken harmonie woont in het hart van het heelal. De menschelijke ziel geslingerd door wanluidenden hartstocht en smart, zoekt blindelings naar de harmonie van den zondeloozen toestand en dezen staat te bereiken en daarin welbewust te leven is vrede.

Door haat worden de levens der menschen vaneengescheiden, wordt vervolging gekweekt en worden natiën in vreeselijke oorlogen gestort, toch behouden de menschen, ofschoon zij niet begrijpen waarom, altijd eenigermate hun geloof in het overschaduwen van een volmaakte liefde en deze liefde te verkrijgen en er welbewust in voort te leven is vrede.

Deze innerlijke vrede, deze stilte, harmonie en liefde is het koninkrijk der Hemelen, dat zoo moeilijk te verkrijgen is, omdat slechts weinigen zichzelf willen verloochenen en willen worden als kleine kinderen.

„De poort des hemels is zeer eng en nauw,
De dwazen kunnen dezen ingang niet bemerken,
Verblind zijn zij door ijdele wereldsche inbeelding,
Zelfs de helderzienden, die den weg ontwaren,
En trachten in te gaan zien de poort versperd,
En hard te openen. De massieve grendels
Zijn trots en hartstocht, gierigheid en lust.”

De menschen roepen „vrede! vrede!”, maar er is geen vrede, integendeel niets dan oneenigheid, onrust en strijd. Afgescheiden van die wijsheid, die tot de zelfopoffering behoort kan er geen ware en blijvende vrede zijn.

De vrede, die voortkomt uit wereldsch genot, een voorbijgaand genoegen of overwinning is vergankelijk in zijn aard en verbrandt in de hitte der vurige beproeving. Alleen de vrede des hemels blijft door alle beproeving heen bestaan en alleen het zelfzuchtige hart kan den vrede des hemels smaken.

Heiligheid alleen is onsterfelijke vrede. Zelfbeheersching leidt er toe en altijd toenemend licht der wijsheid leidt den pelgrim op zijn weg. Men wordt die al dadelijk in zekere mate deelachtig, zoodra het pad der deugd betreden wordt, maar zij wordt slechts in haar geheele volheid beseft, wanneer de zelfzucht verdwijnt in een onbesmet leven.

„Dit is vrede,
De zelfzucht en de lusten des levens te overwinnen,
Diep gewortelden hartstocht zich uit het hart te scheuren,
Den innerlijken strijd te bezweren”.

Indien gij, o lezer, wenscht dat dit licht, dat nooit vergaat in uw hart schijnt, dat gij moogt genieten van eindelooze vreugde en van onverstoorbare rust; als gij uwe zonden voor goed achter u zoudt willen laten, evenals uw smarten, uw angsten en moeilijkheden; indien gij deze zaligheid zoudt willen deelachtig worden, dit heerlijke leven, overwin dan uwe zelfzucht. Breng elke gedachte, eiken indruk, elke begeerte tot volkomen gehoorzaamheid aan de goddelijke kracht in u. Er is geen andere weg tot vrede dan deze en als gij weigert dien te bewandelen, zal uw bidden en uw hechten aan godsdienstvormen vruchteloos en van geener waarde zijn en God noch de engelen zullen u kunnen helpen. Alleen hem die overwint wordt gegeven de witte keursteen, waarop zijn nieuwe naam geschreven is.

Zonder u af voor een tijd van de uitwendige dingen, van de genoegens der zinnen en den verstandelijken arbeid, van de drukte en de opwinding der wereld, en trek u terug in de binnenkamer van uw hart vrij van het onheilig binnendringen van alle zelfzuchtige begeerten en daar zult gij een diepe stilte vinden, een heilige kalmte, een zalige rust en als gij een oogenblik wilt verwijlen in die heilige plaats en daar wilt mediteeren, dan zal het onfeilbare oog der waarheid zich in u openen en gij zult de dingen onder hun werkelijke gedaante zien. Deze heilige plaats in u is uw werkelijk en eeuwig zelf, het is het goddelijke in u en alleen, wanneer gij uzelf daarmede identificeert dan kan men van u zeggen, dat gij „gekleed zijt en bij uw zinnen.” Het is het verblijf des vredes, de tempel der wijsheid, de woonstede der onsterfelijkheid. Afgescheiden van deze innerlijke rustplaats den berg des Gezichts kan er geen ware vrede zijn, geen kennis van het goddelijke en als gij daar voor ééne minuut kunt verblijven of voor een uur of een dag, dan is het mogelijk voor u er voor altijd te zijn.

Al uw zonden en smarten, uw vreezen en angsten behooren u toe en gij kunt er u aan vastklemmen of ze opgeven. Uit uzelf hecht gij u aan uw onrust en uit uzelf kunt gij komen tot blijvenden vrede. Niemand anders kan de zonde voor u opgeven, dat moet gij zelf doen. De grootste leeraar kan niet meer doen dan zelf den weg der waarheid bewandelen en u dien weg aanwijzen, gij moet dien voor uzelf bewandelen. Gij kunt vrijheid en vrede verkrijgen alleen door uw eigen pogingen, door datgene op te geven wat uw ziel vastketent en dat uw vrede verstoort.

De engelen van den goddelijken vrede en vreugde zijn altijd gereed en als gij ze niet ziet en hoort en met hen woont, dan is dat, omdat gij uzelf van hen afkeert en dat gij de voorkeur schenkt aan het gezelschap der booze geesten binnen in u. Gij zijt wat gij wenscht te zijn, wat gij liever wilt zijn. Gij kunt beginnen met uzelf te reinigen en door dit te doen, kunt gij vrede erlangen of gij kunt weigeren uzelf te reinigen en zoo blijven lijden.

Zonder u dan af; ga uit van de drukte en de koorts des levens, weg van de verterende hitte der zelfzucht en ga de innerlijke rustplaats binnen, waar de verkoelende lucht des vredes u zal kalmeeren, hernieuwen en verkwikken. Ga uit buiten de stormen van zonde en angst. Waarom zoudt gij uw vrede laten verstoren en u door den storm heen en weer laten slingeren, wanneer de haven der rust zoo nabij is?

Geef alle zelfzucht op, verloochen uzelf en zie de vrede Gods is uw deel!

Beteugel het dierlijke element in u; overwin elke zelfzuchtige gedachte, smoor elke wanluidende stem; verander het onedel metaal van uw zelfzuchtige natuur in het zuivere goud der liefde en dan zult gij het leven van den volmaakten vrede verkrijgen. Indien gij alzoo verandert en overwint, zult gij reeds in het vleesch de donkere wateren der sterfelijkheid oversteken en gij zult die kust bereiken, waartegen de stormen der smart nooit beuken en waar zonde en lijden en onzekerheid niet kunnen komen. Staande op die kust, heilig, medelijdend, ontwaakt, kalm en blijde zult gij u verheugen met een oneindige vreugde, die niet van u zal wijken.

„Nooit werd de Geest geboren, nooit zal hij te niet gaan,
Nooit was er een tijd, dat hij niet bestond; einde en begin zijn slechts droomen,
Zonder geboorte, dood noch verandering blijft de Geest voor eeuwig,
De dood raakt hem niet aan, schoon zijn tempel dood schijnt te zijn.”

Dan zult gij de beteekenis begrijpen van zonde, droefenis en lijden en dat het einde er van wijsheid is, gij zult de oorzaak en de uitkomst van het bestaan kennen.

Dit verkregen hebbende zult gij tot de rust ingaan, want dit is de zegen der onsterfelijkheid, dit is de onveranderlijke blijdschap en kennis, de onbevlekte Wijsheid en Onsterfelijke liefde; dit en dit alleen is de eeuwige en volmaakte Vrede.

O, Gij, die den menschen de waarheid wilt leeren!
Zijt gij de woestijn des twijfels doorgetrokken?
Zijt gij door het vuur gereinigd? Heeft het leed
De booze geesten van eigen meening uitgeworpen
Uit uw hart? Is uw ziel zoo schoon
Dat geen verkeerde gedachte daar kan wonen?

O, Gij, die den menschen de liefde wilt leeren!
Zijt gij door de wateren der wanhoop gegaan?
Hebt gij geweend in den nacht der smart? Is daardoor
(Nu vrij van smart, leed en zorg)
Uw menschelijk hart tot medelijdende zachtheid bewogen,
Voor alle verkeerdheid, haat en voortdurenden strijd?

O, Gij, die den menschen van vrede wilt spreken!
Zijt gij den wijden Oceaan des strijds overgetrokken?
Hebt gij op de kusten der stilte ontheffing gevonden,
Van al de wilde onrust des levens?
Is alle strijd uit uw eigen hart verdwenen
En woont er waarheid, liefde en vrede alleen?

[to home]