Het lot meester worden. Door James Allen.

Vertaald door Arjen van Kol.

Deze vertaling is auteursrechterlijk beschermd. Niets uit deze uitgave mag worden gekopieerd of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de vertaler.

Inhoud

  1. Daden, karakter en lot
  2. De wetenschap der zelfbeheersing
  3. Oorzaak en gevolg in het menselijk handelen
  4. Het sterken van de wil
  5. Gedegenheid
  6. Een geest en een leven opbouwen
  7. De cultivering van concentratie
  8. Mediteren
  9. De kracht van doelbewust zijn
  10. De vreugde van verdienste

1. Daden, karakter en lot

Nog altijd, zoals immer tevoren, bestaat er een wijdverbreid geloof in het Lot, in een eeuwige en ondoorgrondelijke Macht die mensen en mogendheden hun onherroepelijke rollen toebedeelt. Dit geloof is voortgesproten uit langdurige beschouwing van het menselijk bestaan.

Mensen beseffen dat er bepaalde gebeurtenissen zijn waar ze geen greep over hebben en waartegen elk verweer vergeefs is. Geboorte en dood, bijvoorbeeld, zijn onontkoombaar net als vele andere voorvallen in het leven.

Mensen gaan tot het uiterste om sommige doelen te bereiken en ontdekken van lieverlee een Macht die van buiten henzelf lijkt te komen, die hun nietige inspanningen dwarsboomt en als het ware staat te lachen om hun vergeefs geworstel en geploeter.

Gaandeweg hun leven leren mensen zich min of meer te onderwerpen aan deze dominerende Macht die ze niet begrijpen, bemerken alleen de uitwerkingen op henzelf en de wereld om hen heen en geven haar allerlei namen, zoals God, Voorzienigheid, de Loop der Dingen, Lot, enzovoort.

Bespiegelaars, zoals denkers en dichters, doen als het ware een stap opzij om de manoeuvres van deze geheimzinnige Macht te aanschouwen bij het ogenschijnlijk ophemelen van haar gunstelingen aan de ene kant en het vellen van haar slachtoffers aan de andere kant, zonder enige acht op verdiensten of vergrijpen.

De grootste dichters en in het bijzonder toneelschrijvers voeren deze Macht op in hun stukken zoals ze haar in Wezen hebben aangetroffen. De Griekse en Romeinse toneelschrijvers voeren vaak helden op die voorkennis over hun eigen lot hebben en middelen aangrijpen om eraan te ontsnappen; maar aldus raken ze verwikkeld in een opeenvolging van voortvloeisels die juist dat noodlot teweegbrengen waaraan ze probeerde te ontkomen. Shakespeares personages daarentegen, zijn opgevoerd zoals ze in Wezen zijn, zonder voorkennis (behalve in de vorm van een voorgevoel) van hun specifieke lot. Als we de dichters mogen geloven, kan een mens, al of niet bekend met diens lot, onmogelijk aan dat lot ontsnappen en iedere bewuste of onbewuste handeling vormt een stap in de richting ervan.

De Vinger van Omar Khayyam beschrijft dit idee van Lot op levendige wijze:

“De Vinger schrijft, en schrijft maar voort, en dan
Verdwijnt hij, en geen vrees noch wijsheid kan
Hem nopen tot het wisschen van één woord:
Geen traan zelfs vlekt een enkel woord ervan.”

Zo hebben mensen overal en altijd het optreden van deze onoverwinnelijke Macht of Wetmatigheid in hun leven ervaren en hier en nu is deze ervaring uitgemond in het beknopte spreekwoord “De mens wikt, God beschikt”.

Maar, al lijkt het tegenstrijdig, er bestaat een even wijdverbreid geloof in de verantwoordelijkheid van de mens als vrij handelend persoon.

Alle zedenleer is een bevestiging van de vrijheid van mensen om hun eigen pad te kiezen en hun lot gestalte te geven en hun geduld en verwoede inspanningen om hun doelen te bereiken zijn getuigenissen van besef van vrijheid en vermogen.

Deze tweeledige beleving van lot enerzijds en vrijheid anderzijds heeft aanleiding gegeven tot het eindeloze geschil tussen hen die geloven in Fatalisme en de verdedigers van vrije wil – een geschil dat kort geleden opnieuw is opgedoken onder de noemer “Determinisme versus Vrije wil”.

Tussen ogenschijnlijk tegenstrijdige uitersten bestaat altijd een “middenweg” van evenwicht, rechtvaardigheid of vereffening, die weliswaar beide uitersten in zich heeft, maar niet louter het een of ander zijn kan en de beide in harmonie samenbrengt; deze middenweg is het raakpunt tussen twee uitersten.

Het Ware kan niet partijdig zijn maar is van nature de Verzoener van uitersten; zo bestaat er voor wat ons onderwerp betreft een “gulden middelmaat” die Lot en Vrije wil samenbrengt in een innig verbond, waarin waarachtig zichtbaar is dat deze twee onbetwistbare realiteiten van het menselijk leven, want dat zijn ze, slechts twee facetten zijn van één centrale wetmatigheid, één allesomvattend en verenigend grondbeginsel, namelijk de wet van oorzaak en gevolg in haar morele hoedanigheid.

Morele oorzakelijkheid vergt zowel Lot als Vrije wil, zowel persoonlijke verantwoordelijkheid als persoonlijke voorbestemming, want de wet van oorzaken moet ook de wet zijn van gevolgen en oorzaak en gevolg moeten altijd gelijkwaardig zijn; de causale opeenvolging moet, in zowel het stoffelijke als het geestelijke, immer in evenwicht zijn, zodoende immer rechtvaardig, immer volmaakt. Zo valt te zeggen dat elk gevolg voorbestemd is, maar de voorbeschikkende macht is een oorzaak en niet het besluit van een arbitraire wil.

Mensen weten zich verwikkeld in de causale opeenvolging. Hun leven is opgebouwd uit oorzaken en gevolgen. Het zaait zowel als dat het oogst. Elk van hun handelingen is een oorzaak waar een gevolg tegenover moet staan. De oorzaak kiezen ze (dat is Vrije wil), het gevolg kunnen ze niet kiezen, veranderen of verijdelen (dat is het Lot); zo staat Vrije wil voor het vermogen om oorzaken in gang te zetten en is lot gemoeid met gevolgen.

Daarom is het waar dat mensen zijn voorbestemd tot bepaalde rollen, maar ze hebben (al of niet willens en wetens) daartoe zelf het bevelschrift uitgevaardigd; dat goede of kwade waaraan niet valt te ontkomen, hebben ze zelf met hun eigen doen en laten teweeggebracht.

Je zou kunnen aanvoeren dat mensen niet verantwoordelijk zijn voor hun handelen, dat dat het gevolg is van hun karakters en dat ze niet verantwoordelijk zijn voor hun karakters, goed of slecht, die ze bij hun geboorte meekregen. Als karakters “meegekregen” werden bij de geboorte, dan zou dat kloppen en zou er geen morele wetmatigheid zijn en geen zedenleer; maar karakters zijn niet kant-en-klaar, ze ontwikkelen zich; ze zijn waarachtig gevolgen, voortbrengselen van de morele wetmatigheid zelf, met andere woorden, voortbrengselen van doen en laten. Karakter is zogezegd de uitkomst van een opeenstapeling van doen en laten door een persoon gedurende diens leven.

Mensen verrichten hun eigen daden en zijn zo de scheppers van hun eigen karakter. Als verrichters van hun daden en scheppers van hun karakter zijn ze de grondleggers en vormgevers van hun eigen lot. Aan hen is het vermogen hun doen en laten bij te sturen of te veranderen en in elke handeling hervormen ze hun karakters en met het hervormen van hun karakters, ten goede of ten kwade, beschikken ze voor zichzelf nieuwe lotsbestemmingen, noodlottig of weldadig naar gelang de aard van hun doen en laten. Karakter is lotsbestemming in eigen persoon; als een strak samenspel van daden draagt het de resultaten van die daden binnenin zich. Deze resultaten liggen als morele zaadjes verborgen in de diepste krochten van het karakter, wachtend tot het hun tijd is om te ontkiemen, te groeien en vruchten te dragen.

Wat mensen treft zijn de weerspiegelingen van henzelf; het lot dat hen achtervolgde, waaraan ze met alle macht niet konden ontsnappen, of dat ze middels gebed niet konden keren, was de meedogenloze wreedaard van hun eigen slechte doen en laten dat vereffening eiste en afdwong; die zegeningen en vloeken die ongevraagd tot hen komen zijn de weerklinkende echo’s van de klanken die ze zelf hebben uitgezonden.

Het is dit besef van de Volmaakte Wetmatigheid die dwars door en boven alle dingen uit werkt, van de Volmaakte Rechtvaardigheid die van kracht is en ordening brengt in alle menselijke aangelegenheden, dat goede mensen in staat stelt hun vijanden lief te hebben en uit te stijgen boven alle haat, wrevel en beklag, omdat ze weten dat alleen het hunne tot hen komen kan en dat, al zijn ze omringd door beschuldigende vingers, hun vijanden maar blinde werktuigen zijn van feilloze genoegdoening; veroordelen doen ze hen daarom niet, alleen nemen ze kalm hun rekeningen in ontvangst en betalen geduldig hun morele schuld af.

Maar dat is niet alles. Ze betalen niet louter hun schuld af, ze waken er ook voor om zich geen nieuwe schulden op de hals te halen. Ze waken over zichzelf en maken hun doen en laten feilloos. Ze vereffenen hun tekortkomingen en bouwen tegelijkertijd nieuwe tegoeden op. Door hun eigen zonde te staken stoppen ze kwaad en leed.

Laten we nu nagaan hoe de Wetmatigheid functioneert in specifieke gevallen van de uitwerking van het lot via daden en karakter. Eerst bekijken we het leven van nu, want het nu is de bundeling van het gehele verleden; het netto resultaat van alles wat een mens ooit gedacht en gedaan heeft ligt in diens wezen besloten. Het is merkwaardig dat soms de goede mens faalt en de gewetenloze mens floreert – iets wat de morele stelregel dat goede resultaten volgen uit rechtgeaardheid onderuit lijkt te halen – en daarom weigeren velen het optreden van enige eerlijke wetmatigheid te onderkennen in het menselijk bestaan en verklaren zelfs dat het veelal de oneerlijken zijn die floreren.

De morele wetmatigheid heerst daar niet te minder om. Ze laat zich met oppervlakkige conclusies niet wijzigen of ondermijnen. We moeten onthouden dat de mens een veranderend, zich ontwikkelend wezen is. De goede mens is niet altijd goed geweest, de slechte mens niet altijd slecht. Zelfs in dit leven waren er veelvuldig tijden waarin de mens die nu deugdzaam is een slechterik was, waarin degene die nu welwillend is een wreedaard was, waarin degene die nu eerbaar is een losbandige was.

Omgekeerd waren er in dit leven veelvuldig tijden waarin de slechterik van nu rechtvaardig was, de wreedaard van nu welwillend was en de losbandige van nu eerbaar was. Zo oogst de goede mens die vandaag door onheil getroffen wordt de zure vruchten van diens beroerd gezaai van voorheen. Later zal die mens de zoete vruchten plukken van diens huidig probaat gezaai. Terwijl de slechte mens nu de zoete vruchten plukt van diens eerder probaat gezaai en later de zure vruchten oogsten zal van diens beroerd gezaai van vandaag.

Karaktertrekken zijn vaste denkgewoonten, het resultaat van doen en laten. Een veelvuldig herhaalde verrichting wordt onbewust, of automatisch: ze lijkt zich zonder inspanning van de verrichter te herhalen, zodat het haast onmogelijk lijkt haar niet te doen en dan is het tot een karaktertrek geworden.

Hier zijn wat arme lui zonder werk. Het zijn eerlijke mensen, geen nietsnutten. Ze willen werk, maar kunnen het geen krijgen. Ze doen hun best, maar blijven zonder. Waar is de rechtvaardigheid in hun lot? Er waren tijden dat deze mensen werk te over hadden. Ze voelden zich ermee belast, veronachtzaamde het en verlangde naar rust. Ze bedachten zich hoe heerlijk het zou zijn om niets om handen te hebben.

Het fortuin van wat hun deel was ontging hen. Hun hang naar rust is nu behaagd, maar de vruchten waarnaar ze verlangden, waarvan ze dachten dat ze zo zoet zouden smaken, zijn in hun monden verworden tot as. De toestand die ze beoogden, niets te doen hebben, hebben ze bereikt en ze zijn gedwongen in die toestand te blijven tot ze hun les serieus hebben geleerd.

Ongetwijfeld leren ze dat ledigheid mensonwaardig is, dat niks om handen hebben miserabel is en dat werk een groots en zalig goed is. Hun eerdere begeerten en daden brachten hen tot waar ze zijn en hun huidige verlangen naar werk, hun onophoudelijk zoeken en vragen ernaar, zal even zeker het aangename resultaat ervan teweegbrengen. Nu hun hang naar rust over is, zal hun huidige toestand, waarvan de oorzaak niet langer wordt uitgedragen, snel plaats maken en zullen ze emplooi vinden. En wanneer hun gedachten nu helemaal op werk gericht zijn, zullen ze ermee overladen worden, het zal van alle kanten komen aanwaaien en ze zullen floreren in hun werkzaamheden.

Ze zullen zich dan afvragen, als ze de wetmatigheid van oorzaak en gevolg in het leven niet begrijpen, waarom het werk ogenschijnlijk zomaar op hen afkomt, waar anderen die het naarstig zoeken zonder blijven zitten. Niets komt ongevraagd. Waar de schaduw is, is ook de zaak. Wat een mens toevalt is het voortbrengsel van diens eigen doen en laten.

Zoals toewijding met verve tot grotere verrichtingen en toenemend welzijn voert en veronachtzaamd of met tegenzin ondernomen werk tot mindere kwaliteit en een afnemend welzijn, zo is het voor alle levensomstandigheden die we tegenkomen. Ze vormen de uitkomsten teweeggebracht door het denken en doen van elke persoon afzonderlijk. Zo ook is het met het brede scala aan karakters: ze vormen de groeiende en volgroeide wasdom van de gezaaide daden.

Zoals enkelingen oogsten wat ze zaaien, zo oogst een staat als gemeenschap van enkelingen evenzeer wat ze zaait. Staten worden groot als de leiders ervan rechtschapen mensen zijn en ze gaan achteruit en verbleken als de rechtschapen leiders heengaan. Machthebbers vormen een voorbeeld, goed dan wel slecht, voor de gehele natie.

Grote harmonie en welvaart valt het land ten deel als er een slag staatslieden opstaat dat, na zich eerst te hebben gevestigd tot verheven zuivere karakters, de krachten van de natie weet te koersen richting het kweken van oprechtheid en ontwikkelen van karakter, in de wetenschap dat nationale welvaart alleen middels persoonlijke inzet, integriteit en verhevenheid vooruitgeraakt.

Vredig, boven alles uit, bezorgt de Almachtige Wetmatigheid beheerst, met feilloze rechtvaardigheid, stervelingen hun vergankelijke lotsbestemmingen, in tranen of glimlachend, hun eigenhandig weefsel. Leven is de grote school van karakterontwikkeling en iedereen leert er, door schade en schande, met vallen en opstaan, winst en verlies, langzaam maar zeker de lessen van diep inzicht.

2. De wetenschap der zelfbeheersing

We leven in een tijdperk van wetenschap. Duizenden wetenschapslui zoeken, ontleden en experimenteren onophoudelijk in een streven naar ontdekkingen en kennistoename.

De planken in onze publieke en private bibliotheken zijn rijk gevuld met al hun indrukwekkende banden over wetenschappelijke onderwerpen. De geweldige verdiensten van de moderne wetenschap zijn immer alom aanwezig. Of het nu is in onze huizen of onze straten, stad of platteland, ter land of ter zee, voor ons prijkt zomaar zo’n wonderbaarlijke vinding, zo’n nieuwbakken verdienste van de wetenschap, om ons gerief te vergroten, onze snelheid te verhogen of om ons werk uit handen te nemen.

Toch is er, in deze tijd van grote wetenschappelijke kennis, van verbluffende en zich razendsnel opvolgende resultaten in de wereld van ontdekking en vindingrijkheid, één tak van wetenschap dusdanig in verval geraakt dat ze welhaast vergeten lijkt. Het is niettemin een wetenschap van groter gewicht dan alle andere wetenschappen samen, zonder welke alle wetenschap slechts zou dienen tot eigenbaat en zou bijdragen tot de ondergang van de mens; ik heb het over de Wetenschap der Zelfbeheersing.

Vandaag de dag bestuderen onze wetenschapslui de krachten en elementen buiten henzelf, met de bedoeling die te bedwingen en tot nut te maken. In vroeger tijden bestudeerde men de krachten en elementen binnen zichzelf, met de bedoeling die te bedwingen en tot nut te maken. Men bracht op dat terrein zulke Meesters voort, dat die tot op de dag van vandaag vereert worden als goden en op hun verdiensten zijn de grote godsdienstige genootschappen van de wereld gegrondvest.

Hoe geweldig de krachten der natuur ook zijn, ze zijn stukken minder dan het samenstel van intelligente krachten waaruit de menselijke geest is opgebouwd en die de blinde mechanische krachten der natuur aansturen. Daaruit volgt dat de geestdrift, het verlangen, de wil en het verstand begrijpen, beheersen en aansturen betekent te beschikken over de lotsbestemmingen van mensen en mogendheden.

In deze goddelijke wetenschap bestaan er net als in gewone wetenschap gradaties van bekwaamheid. Een mens blinkt zo uit in kennis, in zichzelf en in diens invloed op de wereld, als de mate waarin die mens uitblinkt in zelfbeheersing.

Wie de krachten van de uitwendige natuur begrijpt en de baas is bedrijft natuurwetenschap, maar wie de inwendige krachten van het denken begrijpt en de baas is bedrijft goddelijke wetenschap en de wetmatigheden in het spel bij het verkrijgen van inzicht in uiterlijke verschijnselen, spelen ook bij het verkrijgen van inzicht in innerlijke hoedanigheden.

Je kunt geen volleerd wetenschapsmens worden in weken, maanden, nee, zelfs niet in een paar jaar. Alleen na vele jaren nauwgezet vorsen kan iemand met recht spreken en tot de rangen gerekend worden van de meesters der wetenschap. Evenzo kun je geen zelfbeheersing verwerven en wijsheid en verlichtend inzicht bezitten die zelfbeheersing verschaft, anders dan door jarenlange geduldige arbeid, arbeid die des te moeizamer is omdat ze in stilte plaatsvindt, zowel onopgemerkt als ongewaardeerd door anderen. Wie deze wetenschap met goed gevolg najaagt moet leren alleen te staan, te zwoegen zonder beloning, voor wat uiterlijke verdiensten aangaat.

Mensen die natuurwetenschap bedrijven, ondernemen bij het verwerven van hun specifieke soort kennis de volgende vijf methodische en opeenvolgende stappen:

1. Waarneming: dat wil zeggen, gedegen en gedurig de realiteiten van de natuur waarnemen.

2. Experimenteren: Na middels herhaaldelijke waarnemingen kennis gemaakt te hebben met bepaalde gegevens, experimenteren met die gegevens, met de bedoeling natuurlijke wetmatigheden te ontdekken. Gegevens onderwerpen aan een streng procedé van analyse en zo uitvinden wat onbruikbaar is en wat van waarde en eerstgenoemde verwerpen en laatsgenoemde behouden.

3. Classificatie: Na een heleboel gegevens te hebben verzameld en getoetst aan de hand van talloze waarnemingen en experimenten, beginnen met het classificeren van deze gegevens, ze rangschikken in ordelijke groepen om één of andere onderliggende wetmatigheid te ontdekken, één of ander overkoepelend principe dat uit deze gegevens spreekt, dat hen regeert en samenbindt.

4. Gevolgtrekking: Op die manier volgt de vierde stap, die van gevolgtrekking. Uit de gegevens en resultaten onder ogen zekere onveranderlijke handelwijzes ontdekken en zo de verborgen wetmatigheden van dingen blootleggen.

5. Kennis: Van iemand die zekere wetmatigheden heeft vastgesteld en beproefd, mag je zeggen dat die mens waarlijk weet. Zo iemand is een wetenschapsmens, iemand met kennis van zaken.

Toch is het verwerven van wetenschappelijke kennis, hoe groot die ook moge zijn, niet het doel. Mensen verwerven geen kennis alleen voor zichzelf, of om heimelijk in hun hart verborgen te houden, als ware het een parel in een donkere juweelkoffer. Het doel van zulke kennis is nut, dienstbaarheid, de groei van weelde en geluk in de wereld. Ben je een wetenschapsmens geworden, dan bevoordeel je daarmee de wereld met je kennis en verleen je de mensheid onbaatzuchtig de resultaten van je inspanningen.

Voorbij kennis, is er dus de stap verder, Toepassing, de juiste en onbaatzuchtige benutting van vergaarde kennis, de aanwending van kennis voor uit- en ondervindingen voor het nut van het algemeen.

Merk op dat de vijf opgesomde stappen of processen elkaar in vaste volgorde opvolgen en dat niemand die een enkele stap ervan overslaat tot wetenschap kan komen. Zonder de eerste stap van stelselmatige waarneming bijvoorbeeld, kan zo iemand niet eens het rijk der kennis van de geheimen der natuur betreden.

In eerste instantie hebben mensen die zulke kennis najagen alleen een wereld van dingen voor zich, dingen die ze niet begrijpen. Vele daarvan lijken elkaar zowaar op onverzoenlijke wijze tegen te spreken en er schijnt wanorde, maar door geduldig en onverdroten deze vijf processen te doorlopen, ontdekken ze de orde, de aard en het wezen der dingen. Ze ontdekken de centrale wetmatigheid of wetmatigheden die hen in een harmonieus verband brengt en brengen zo een eind toe aan verwarring en onwetendheid.

Net als in de natuurwetenschap gaat het bij de goddelijke wetenschap. Dezelfde vijf stappen moeten met even toegewijde inzet doorlopen worden, vijf stappen ter verwerving van zelfkennis en zelfbeheersing. Deze vijf stappen zijn dezelfde als bij de natuurwetenschap, maar het proces verloopt andersom: de geest is, in plaats van tot uitwendige zaken, tot zichzelf gekeerd en de vorsing wordt doorgevoerd in het rijk van de geest (van de eigen geest) in plaats van in het rijk van de materie.

Eerst worden mensen die goddelijke kennis najagen geconfronteerd met een arsenaal aan begeerten, passies, emoties, ideeën en noties die ze als hun zelf bestempelen, die de grondslag vormen van al hun handelen en vanwaaruit hun leven verloopt.

Dit samenspel van onzichtbare, maar sterke krachten werkt verwarrend. Sommige lijken haaks op elkaar te staan, zonder uitzicht op verzoening. Ook hun geest als geheel lijkt, net als hun leven dat eruit voortkomt, geen enkel redelijk verband te hebben met de vele andere geesten en levens rondom hen en er is al met al een toestand van pijn en verwarring waaruit ze maar al te graag zouden ontsnappen.

Zo beginnen ze nauwkeurig hun toestand van onvermogen in te zien, want kennis, zij het natuurlijke of goddelijke, kan niemand verwerven die overtuigd is het zonder studie of inzet al te bezitten.

Met zulk besef van eigen onvermogen vormt zich het verlangen naar kennis en de beginnelingen in zelfbeheersing betreden het omhoog voerende pad, dat bestaat uit de volgende vijf stappen:

1. Introspectie. Dit valt samen met het waarnemen in de natuurwetenschap. Het geestelijk oog keert zich als een zoeklicht op de dingen binnenin en de subtiele en veranderlijke processen ervan worden gadegeslagen en zorgvuldig opgemerkt. Dit voorbijgaan aan zelfgenoegzaamheid, aan de opwindingen van wereldlijk genoegen en eerzucht, om je eigen wezen te bezien, met de bedoeling het te doorgronden, is het begin van zelfbeheersing. Tot nog toe werden mensen blind en onmachtig geleefd door de opwellingen van hun eigen wezen, als louter werktuigen van toestanden en omstandigheden, maar nu werpen ze blokkades op voor hun opwellingen en beginnen, in plaats van beheerst te worden, te beheersen.

2. Zelfonderzoek. Nadat de neigingen van de geest zijn beschouwd, worden ze van dichtbij onderzocht en aan grondige analyse blootgesteld. De slechte neigingen (voortbrengers van pijnlijke uitwerkingen) worden geïsoleerd van de goede neigingen (voortbrengers van vredige uitwerkingen) en de verschillende neigingen, met de specifieke handelingen die eruit voortspruiten, raken stilaan doorzien door het verstand, dat ten langen leste in staat wordt hen te volgen in hun rasse en subtiele wisselwerking en diepe vertakkingen. Het is een proces van op de proef stellen en de maat nemen en, voor de zoekende, een tijd van beproeving en de maat genomen worden.

3. In overeenstemming brengen. Intussen hebben praktische studenten van het goddelijke elke neiging en facet van hun aard helder voor zichzelf, tot op de diepste ingevingen van hun geest en de subtielste drijfveren van hun hart. Er rest geen uithoek meer, die ze niet hebben doorzocht en met het licht van zelfonderzoek hebben opgeklaard.

Ze zijn bekend met elk zwak en ijdel punt, met elke sterke en deugdzame hoedanigheid. Het geldt als de hoogste graad van inzicht om onszelf te kunnen zien zoals anderen ons zien, maar beoefenaars van zelfbeheersing gaan stukken verder: ze zien zichzelf niet alleen zoals anderen hun zien, ze zien zichzelf zoals ze zijn. Zo, zichzelf recht in de ogen kijkend, niet langer weglopend voor welk verborgen gebrek ook, niet langer vluchtend in goedpraterij, hun vermogens ook niet langer onder- of overschattend en bevrijd van de vloeken borstklopperij en zelfmedelijden, zien ze de volle omvang van de taak die voor hen ligt. Zo zien ze de bergtoppen van zelfbeheersing recht voor zich uit en weten ze wat hun te doen staat om die te bereiken.

Ze leven niet langer in staat van verwarring, maar hebben een glimp opgevangen van de wetmatigheden die de gedachtewereld besturen en ze beginnen nu hun geest in overeenstemming te brengen met deze wetmatigheden. Dit is een proces van wieden, zuiveren en veredelen. Zoals kwekers hun grond wieden, veredelen en klaar maken voor hun gewassen, zo wieden de studenten al het kwalijke uit hun geest, zuiveren en veredelen hun geest voor ze de zaden van rechtgeaard handelen erover uitstrooien die de oogst voort zal brengen van een leven op orde.

4. Rechtschapenheid. Nadat ze hun denken en doen in overeenstemming hebben gebracht met die lagere wetmatigheden, die de werking van de geest besturen waaruit verdriet en vreugde voortkomt, onrust en vrede, kommer en gelukzaligheid, doorzien ze nu dat besloten in deze wetmatigheden zich één Grote Centrale Wet bevindt, die, zoals de wet van de zwaartekracht in de wereld der natuur, oppermachtig is in de wereld van de geest, een wet waaraan al het denken en doen is onderworpen en volgens welke ze allemaal bestuurd en in hun juiste verband gehouden worden.

Deze wet van Rechtvaardigheid of Rechtschapenheid is alomvattend en almachtig. Naar deze wet richten ze zich nu. In plaats van blind te denken en doen zodra het gemoed aangeroepen of geprikkeld wordt, maken ze hun denken en doen ondergeschikt aan dit hoofdbeginsel. Ze handelen niet langer uit zichzelf, maar doen wat goed is, wat alom en eeuwig goed is. Ze zijn niet langer meer de laakbare slaven van hun eigen gemoed en omstandigheden; ze zijn hun gemoed en omstandigheden meester.

Niet langer worden ze van hot naar her geslingerd door de krachten van hun gedachten, maar ze beteugelen en sturen die krachten richting vervulling van hun intenties. Hun gemoed de baas, zonder gedachten of daden die strijdig zijn met de rechtschapen wet, wat maakt dat die wet onheil en mislukking opheft, overstijgen ze zo de heerschappij van wangedrag en narigheid, onvermogen en twijfel en zijn sterk, onverstoorbaar en vredig.

5. Zuivere kennis. Met juiste gedachten en juist gedrag bewijzen ze, door haar te ervaren, het bestaan van de goddelijke wetmatigheid waarop de geest gestoeld is, die het leidend en verbindend grondbeginsel vormt in elk menselijk wedervaren, persoonlijk zowel als nationaal. Door zo zichzelf aan de hand van zelfbeheersing te vervolmaken verkrijgen ze goddelijke kennis, bereiken ze het punt waarop van hen, net als bij wetenschapslui, kan worden gezegd dat ze waarlijk weten.

Ze zijn de wetenschap der zelfbeheersing meester en hebben kennis gebracht waar onwetendheid troef was, orde waar verwarring heerste. Ze hebben zelfkennis verworven en daarin ligt kennis van alle mensen besloten. Zulke kennis van je eigen leven, die kennis van al het leven omvat, aangezien iedere geest in essentie gelijk is (alleen gradueel verschillend), is op dezelfde wetmatigheid gestoeld en gelijk denken en doen, door welke persoon ook beoefend, zal altijd gelijke resultaten voortbrengen.

Maar deze goddelijke en rustgevende kennis is, net als bij natuurwetenschap, niet alleen verkregen voor jezelf, want ware dat zo, zou het streven naar ontwikkeling mislukken en het ligt niet in de aard der dingen om in rijping en vervulling tekort te schieten en, waarachtig, wie denkt deze kennis uitsluitend ten behoeve van eigen geluk te kunnen vergaren, zou daarin onherroepelijk mislukken.

Zo is er, voorbij de vijfde stap van Zuivere Kennis, nog een verdere, die van Wijsheid, de juiste toepassing van vergaarde kennis, het gul en onbegrensd over de wereld uitschenken van de resultaten van eigen inspanningen en zo vooruitgang bespoedigen en de mensheid naar een hoger plan tillen.

Van mensen die niet in hun eigen wezen zijn gedoken om het te beheersen en te veredelen kan worden gezegd dat ze niet helder kunnen onderscheiden tussen het goede en het kwade, tussen wat juist is en verkeerd. Ze jagen die dingen na waarvan ze denken dat ze hun vreugde geven en proberen de dingen te ontlopen waarvan ze geloven dat ze hun pijn veroorzaken.

De bron van hun handelen is hun zelf en ze ontdekken de goede weg alleen ten dele en met moeite, door steeds terugkerend leed en berouw. Zij die echter zelfbeheersing betrachten, door de vijf stappen, groeistadia als het ware, te doorlopen, verwerven die kennis die hen in staat stelt te handelen vanuit de morele wetmatigheid die het heelal bestiert. Zij die het verschil weten tussen het goede en het kwade, wat juist is en wat verkeerd, leven in overeenstemming met het goede en het juiste. Hun denken is in harmonie met de Almachtige Wet en wangedrag en narigheid verschijnen niet langer. Het kwade is voor hen geschiedenis en goed is al er is.

3. Oorzaak en gevolg in het menselijk handelen

IN de wetenschap bestaat een grondstelling dat elk gevolg verbonden is met een oorzaak. Als we dat toepassen op het terrein van menselijk handelen, openbaart zich het grondbeginsel Rechtvaardigheid.

Iedereen binnen de wetenschap weet (en iedereen erbuiten gelooft nu) dat volmaakte harmonie de overhand heeft binnen elk onderdeel van het heelal, van het kleinste stofje tot de grootste zon. Overal heerst volmaakte verstandhouding. In de sterrenstelsels, met hun miljoenen majestueus door de ruimte tollende zonnen met ieder hun eigen stelsel van eromheen wentelende planeten, hun uitgestrekte sterrennevels, hun stortvloed aan meteoren, hun omvangrijke leger aan kometen die met onvoorstelbare snelheid door de onmetelijke ruimte reizen, daar heeft volmaakte orde de overhand en ook in de wereld der natuur, met haar talrijke facetten van het leven en haar oneindige vormverscheidenheid, bestaan er de helder omlijnde grenzen van specifieke wetmatigheden, waarvan de werking elke wanorde vermijdt en eeuwige eenheid en harmonie bewerkstelligt.

Als deze allesomvattende harmonie zomaar doorbroken zou kunnen worden, al ware het in het miniemste detail, zou het heelal ophouden te bestaan. Dan was er geen kosmos, alleen algehele chaos. Net zomin zou er in zo’n door wetmatigheid bestierd heelal een persoonlijke macht kunnen bestaan boven, buiten of hoger dan de wetmatigheid, die haar zou kunnen trotseren of opzij zou kunnen zetten. Want wat voor wezens er ook zoal mogen bestaan, of het nu mensen zijn of goden, ze bestaan bij de gratie van die wetmatigheid en moge de hoogsten, besten, en meest wijzen onder hen hun hogere inzicht aan de dag leggen middels volledigere gehoorzaamheid aan die wetmatigheid, die wijzer is dan wijsheid en die door geen volmaakter ontwerp kan worden overtroffen.

Alles, of het nu zichtbaar of onzichtbaar is, is onderhorig aan en valt binnen de draagwijdte van deze oneindige en eeuwige wetmatigheid van oorzaak en gevolg. Precies zoals alles wat we kunnen zien eraan gehoorzaamt, kan ook alles wat we niet zien, het denken en doen van mensen, heimelijk zowel als openlijk, er onmogelijk aan ontsnappen.

“Doe recht, het zal je lonen; doe iemand onrecht en het komt je onherroepelijk duur te staan”.

Het universum handhaaft volmaakte rechtvaardigheid. Volmaakte rechtvaardigheid beschikt over het menselijk leven en handelen. Alle omstandigheden in het leven, zoals die vandaag in de wereld heersen, zijn het resultaat van de repliek van deze wetmatigheid op het menselijk handelen. Mensen kunnen kiezen (en doen dat ook) welke oorzaken ze in werking stellen, maar kunnen niet de aard van de gevolgen veranderen. Ze kunnen beslissen welke gedachten ze er op na houden en hoe ze handelen, maar hebben geen greep op de gevolgen van dat denken en doen. Daarover wordt beschikt door de almachtige wetmatigheid.

Mensen zijn alvermogend om te handelen, maar hun vermogen eindigt met de gedane handeling. Het gevolg van de handeling kan niet worden veranderd, tenietgedaan of ontkomen: het is onherroepelijk. Kwalijk denken en doen brengt ellendige omstandigheden voort, juist denken en doen wekt gezegende omstandigheden. Zo is de macht van mensen beperkt tot en zijn hun eigen zegeningen en ellende opgewekt door hun eigen handelen. Het besef van deze waarheid maakt het leven gemakkelijk, helder en onmiskenbaar. Alle slingerpaadjes rechten zich, de bergtoppen van wijsheid openbaren zich en de openstaande deur naar de redding uit onheil en ellende wordt ontwaard en binnengegaan.

Het leven laat zich vergelijken met een rekensom. Ze is verbijsterend moeilijk en ingewikkeld voor de leerling die de sleutel tot de juiste oplossing nog niet heeft ontrafeld, maar zodra die ontwaard wordt, wordt het zo verbazend gemakkelijk als het eerst volslagen onthutsend was. Om een idee te kunnen krijgen van de verhoudingsgewijze eenvoud en complexiteit van het leven, moeten we volledig erkennen en inzien dat, hoewel er tientallen, misschien wel honderden manieren zijn om een som verkeerd te doen, er maar één manier is waarop ze juist gedaan kan worden en dat, wanneer die juiste weg gevonden is, de leerling weet dat ze juist is. De verbijstering verdwijnt en de leerling is het probleem meester.

Het is waar dat leerlingen, terwijl ze hun som verkeerd doen, kunnen (een veelal zullen) denken dat ze haar juist hebben gedaan, maar zeker zijn ze niet. Hun verbijstering is er nog steeds en als ze oprechte en ordentelijke leerlingen zijn, zullen ze hun fout inzien als die door de leerkracht wordt aangewezen. Zo ook in het leven kunnen mensen denken dat ze betamelijk leven, terwijl ze door onwetendheid doorgaan heilloos te leven, maar de aanwezigheid van twijfel, verbijstering en onvrede zijn gewisse tekenen dat de juiste weg nog niet gevonden is.

Er zijn dwaze en onverschillige leerlingen die een som voor goed willen houden nog voor ze de getallen waarlijk begrepen hebben, maar het vakkundig oog van de leerkracht bemerkt en ontmaskert zulk vals spel onmiddellijk. Zo kunnen er ook in het leven geen resultaten vervalst worden, het oog van de Almachtige Wetmatigheid achterhaalt en ontmaskert. Twee maal vijf is voor iedereen en altijd tien en geen enkele dosis onvermogen, domheid of zinsbegoocheling kan er ooit elf van maken.

Als je een lap stof oppervlakkig bekijkt, zie je het als een lap stof, maar als je verder gaat en je verdiept in de manier waarop hij gemaakt is en hem van dichtbij nauwlettend onderzoekt, zie je dat hij is opgebouwd uit een samenstel van afzonderlijke draden en dat, al zijn al die draden onderling van elkaar afhankelijk, elke draad zijn eigen weg gaat en nooit verward wordt met zijn broertjes of zusjes. Deze algehele afwezigheid van wanorde maakt het voltooide product een lap stof. Iedere onsamenhangende structurering van de draad zou resulteren in een warboel of een waardeloze vod.

Het leven is als een lap stof en de draden waaruit het is opgebouwd zijn afzonderlijke levens. De draden, al zijn ze onderling van elkaar afhankelijk, zijn niet met elkaar verlegen. Elk volgt zijn eigen weg. Elke persoon ondergaat en geniet de gevolgen van diens eigen handelen, de vorming van een ingewikkeld maar harmonieus samenspel van opeenvolgingen. Er is actie en reactie, handeling en consequentie, oorzaak en gevolg en de tegenwicht biedende reacties, consequenties en gevolgen zijn altijd in exacte verhouding met de oorspronkelijke prikkels.

Een duurzame en degelijke lap stof kan niet worden gemaakt uit ondeugdelijk materiaal en de draden van ijdel denken en euvel doen zullen geen nuttig en aantrekkelijk leven voortbrengen, een leven dat zich goed houdt en gedegen inspectie verdraagt. Mensen maken of breken elk afzonderlijk hun eigen leven. Het wordt niet gemaakt of gebroken door hun naaste of door wat dan ook buiten henzelf. Elke gedachtegang, elke handeling, is een nieuw gewoven draad, beroerd of oprecht, in het tenue van hun leven en zoals ze hun tenue vervaardigen zullen ze het moeten dragen. Ze zijn niet verantwoordelijk voor het handelen van hun naasten; ze waken niet over het gedrag van hun naasten. Ze zijn slechts verantwoordelijk voor hun eigen handelen; ze waken over hun eigen gedrag.

Het “probleem van het kwade” bestaat in het eigen doen en laten van een mens en lost zich op als dat doen en laten gezuiverd is. Rousseau zegt:

“Mens, zoek niet langer naar de bron van het kwaad, gij zelf zijt haar bron”.

Gevolg laat zich niet scheiden van oorzaak; het kan nooit van een andere aard zijn dan oorzaak. Emmerson zegt:

“Rechtvaardigheid duldt geen uitstel; een volmaakte gerechtigheid regelt het evenwicht in alle onderdelen van het leven”.

En er bestaat een vergaande mate waarin oorzaak en gevolg gelijktijdig zijn en een volmaakt geheel vormen. Zodra je een gedachte vormt, laten we zeggen een wrede gedachte, of een wrede daad verricht, heb je op dat zelfde moment je eigen geest aangetast. Je bent niet meer dezelfde mens als het moment ervoor, maar een beetje gemener en een beetje ongelukkiger en een aantal van zulke opeenvolgende gedachten en daden zouden een wrede en miserabele mens voortbrengen. Hetzelfde geldt voor het tegenovergestelde, het vormen van hartelijke gedachten of het verrichten van hartelijke daden. Die worden onmiddellijk vergezeld van waardigheid en vreugde. De mens is een betere dan ervoor en een aantal van zulke daden zou een grote en gezegende ziel voortbrengen.

Zo bepaalt het handelen van mensen afzonderlijk, door de feilloze wetmatigheid van oorzaak en gevolg, persoonlijke verdiensten of vergrijpen, persoonlijke grootheid of boosaardigheid en persoonlijke vreugde of ellende. Zoals je denkt, zo handel je. Zoals je handelt, ze ben je. Ben je verbijsterd, ongelukkig, rusteloos of ellendig, kijk dan naar jezelf, want de bron van dat al is nergens anders.

4. Het sterken van de wil

ZONDER een sterke geest, kan niets van verdienste worden gedaan en het cultiveren van die volharding en duurzaamheid van karakter, die gewoonlijk “wilskracht” genoemd wordt, is één van de voornaamste taken van de mens, want bezit ervan is volstrekt noodzakelijk voor zowel diens tijdelijk als eeuwig welzijn. Vastberadenheid is de wortel van alle geslaagde inspanningen, wereldlijk zowel als geestelijk, en zonder zou de mens niet anders zijn dan ellendig en afhankelijk van anderen voor het houvast dat in zichzelf had moeten worden gevonden.

We moeten ons bevrijden van de geheimzinnigheid die rond het onderwerp van het cultiveren van de wil is opgeworpen door hen die adverteren “occult advies” op dat terrein voor een lieve duit te verkopen, want er is niets dat verder verwijderd kan zijn van raadselachtigheid en geheimzinnigheid dan de praktische aanpak waarmee een sterke wil uitsluitend kan worden ontwikkeld.

Het ware pad van het cultiveren van de wil kan slechts worden gevonden in het gewone alledaagse leven van de afzonderlijke mens en het is zo voor de hand liggend en gemakkelijk dat de meerderheid, zoekend naar iets ingewikkelds en geheimzinnigs, er onopgemerkt aan voorbijgaat.

Een beetje logisch nadenken zal mensen snel overtuigen dat ze niet tegelijk zwak en sterk kunnen zijn, dat ze geen sterkere wil kunnen opbouwen terwijl ze slaven blijven van hun gebrek aan ruggengraat en dat daarom de rechtstreekse en enige weg naar grotere kracht bestaat uit het attaqueren en overwinnen van hun zwakten. Alle middelen om de wil te cultiveren zijn al in bezit van de geest en het leven van de mensen afzonderlijk; ze bevinden zich in de zwakke kant van hun karakter en door die aan te vallen en te overwinnen zal de benodigde kracht ontwikkeld worden. Wie deze eenvoudige, inleidende waarheid slaagt in te zien, zal ontwaren dat de hele wetenschap van het cultiveren van de wil wordt belichaamd door de volgende zeven regels:

1. Slechte gewoonten opgeven
2. Goede gewoonten vormen
3. Zich nauwgezet wijden aan de huidige taken
4. Onmiddellijk en doortastend doen wat nodig is
5. Leven volgens principes
6. De tong in bedwang houden
7. Gedachten in bedwang houden

Iedereen die zich oprecht toelegt en naarstig oefent op de bovengenoemde regels, zal onvermijdelijk die zuivere bedoelingen en wilskracht ontwikkelen, die het mogelijk maken om met goed gevolg elke moeilijkheid het hoofd te bieden en glorieus elk noodgeval te doorstaan.

Gezien zal worden dat de eerste stap is om slechte gewoonten op te geven. Dit is geen gemakkelijke opgave. Het vergt grote inspanningen en alleen door zulke inspanningen kan de wil worden gesterkt en gevoed. Als je weigert de eerste stap te zetten, kun je je wilskracht niet vergroten, want door je te onderwerpen aan slechte gewoonten, om het onmiddellijke genoegen dat ze verschaffen, verspeel je het recht over jezelf te beschikken en ben je in zoverre een zwakke slaaf. Zij die op die manier zelfdiscipline ontwijken en rondkijken voor wat “occulte geheimen” om wilskracht te verwerven die gepaard gaan met weinig of geen eigen inspanning, houden zichzelf voor de gek en verzwakken die wilskracht die ze al bezitten.

De toegenomen kracht gewonnen door het met goed gevolg te boven komen van slechte gewoonten stelt je in staat om een begin te maken met goede gewoonten, want het vormen van nieuwe gewoonten dwingt, hoewel het overwinnen van oude slechte alleen een sterk doelbewust zijn vergt, tot verstandig doelbewust zijn. Daartoe moet je fervent en doortastend van geest zijn en voortdurend waken over jezelf. Wanneer je er in slaagt de tweede regel te volvoeren, zal het je niet zwaar vallen om de derde in acht te nemen, die van het zich nauwgezet wijden aan de huidige taken.

Gedegenheid is een stap in de ontwikkeling van de wil die niet kan worden overgeslagen. Slordig werk is een teken van zwakte. Volmaaktheid moet worden nagestreefd, zelfs bij de kleinste karweitjes. Door gedachten niet uiteen te laten lopen, maar volledige aandacht te richten op elke afzonderlijke taak die zich voordoet, win je stilaan aan onverdeelde intentie en diepe geestelijke concentratie – twee mentale vermogens die waarde en gewicht geven aan je karakter en vrede en vreugde brengen aan wie hen bezitten.

De vierde regel, onmiddellijk en doortastend doen wat nodig is, is even belangrijk. Ledigheid en sterke wil kunnen niet samengaan en uitstelgedrag is een volstrekte hinderpaal voor het komen tot doelgericht handelen. Niets dient te worden “uitgesteld” tot een later tijdstip, niet eens voor een paar minuten. Wat gebeuren moet, moet nu gebeuren. Dit lijkt iets kleins, maar het belang ervan is verstrekkend. Het leidt tot kracht, welslagen en vrede.

Zij die een gecultiveerde wil wensen moeten ook leven volgens bepaalde vaste regels. Ze moeten niet blind hun driften en impulsen behagen, maar moeten hen manen tot gehoorzaamheid. Ze dienen te leven volgens principes niet volgens driften.

Ze dienen te beslissen wat ze eten en drinken en wat voor kleren ze dragen en wat ze niet eten en drinken en dragen, hoeveel maaltijden per dag ze eten en op welke tijden, hoe laat ze naar bed gaan en hoe laat ze opstaan. Ze dienen regels te maken voor de handelwijze op alle gebieden in hun leven en dienen die gewetensvol op te volgen. Lichtzinnig en onbezonnen te leven, te eten en te drinken en lichamelijk toe te geven bij de minste of geringste begeerte of aandrang, betekent niets meer zijn dan een dier in plaats van een mens met wil en verstand.

Het beest in de mens moet gegeseld, getuchtigd en getemd worden en dat kan alleen gedaan worden middels oefening van de geest en een leven volgens bepaalde vaste regels van juist handelen. De heilige bereikt heiligheid door zijn geloften niet te schenden en mensen die leven volgens goede en vaste regels zijn kranig om in hun opzet te slagen.

De zesde regel, die van de tong in bedwang houden, moet worden geoefend tot ze het spreken volmaakt de baas zijn, zodat ze geen humeurigheid, boosheid, prikkelbaarheid of kwade bedoelingen uitbrengen. Mensen van sterke wil staan niet toe dat hun tong gedachteloos en onbeteugeld voortratelt.

Al deze zes regels zullen, wanneer ze nauwgezet worden nageleefd, leiden naar de zevende, die de belangrijkste van allemaal is, namelijk gedachten in bedwang houden. Zelfbeheersing is het meest wezenlijke in het leven, doch het minst begrepen, maar zij die geduldig de regels opvolgen die hier zijn voorgeschreven, voor zichzelf naleving ervan vorderen in al hun doen en laten, zullen door ervaring en inspanning leren hoe ze hun gedachten kunnen oefenen en bedwingen en daarmee de opperste troon der mensheid bestijgen, de troon van een volmaakt afgewogen wil.

5. Gedegenheid

GEDEGENHEID bestaat eruit kleine dingen te doen als waren ze de grootste dingen ter wereld. Dat de kleine dingen in het leven van het voornaamste belang zijn is een niet algemeen begrepen waarheid en de gedachte dat kleine dingen kunnen worden veronachtzaamd, opzij gegooid of dat de kantjes ervan kunnen worden afgelopen, vormt de wortel van het zo veelvoorkomend gebrek aan gedegenheid dat leidt tot onvolmaakt werk en ongelukkige levens.

Als je begrijpt dat de grote dingen van de wereld en het leven bestaan uit een samenspel van kleine dingen en dat zonder deze verzameling van kleine dingen de grote dingen niet zouden bestaan, dan begin je zorgvuldig aandacht te besteden aan die dingen die je voorheen zag als onbeduidend. Je verkrijgt zo de eigenschap gedegenheid en wordt een mens van nut en invloed, want het hebben of niet hebben van deze ene eigenschap kan het verschil betekenen tussen een leven van vrede en kracht en één van ellende en zwakte.

Iedere werkgever weet hoe verhoudingsgewijs zeldzaam deze eigenschap is, hoe moeilijk het is om mannen en vrouwen te vinden die in hun werk inzicht en inzet aan de dag leggen en dat volledig en naar tevredenheid doen. Gedachteloosheid, nonchalance en luiheid zijn zulke veelvoorkomende ondeugden dat het nauwelijks nog bevreemden kan dat de rangen der werklozen, ondanks “sociale hervorming”, maar blijven groeien, want zij die nu hun werk afraffelen, zullen eens, op het moment dat ze er om staan te springen, tevergeefs uitkijken en vragen naar werk.

De wetmatigheid dat de sterksten overleven is niet gegrond op wreedheid, ze is gegrond op gerechtigheid: het is één facet van die goddelijke rechtvaardigheid die overal heerst. Ondeugd wordt “gestraft met menige zweepslag”. Als dat niet zo was, hoe kon deugd dan worden ontwikkeld? De onbedachtzamen en luiaards kunnen geen voorrang krijgen boven, of gelijkberechtigd worden als de bedachtzamen en vlijtigen. Een vriend van me vertelde me dat zijn vader al zijn kinderen het volgende advies gaf:

“Wat ook je toekomstige werk moge zijn, richt er volledig je gedachten op en doe het gedegen. Dan hoef je je geen zorgen te maken over je voorspoed, want er zijn zovelen die onbezonnen en nalatig zijn dat de diensten van de gedegen mens altijd gevraagd zijn”.

Ik ken er die jarenlang haast vergeefs geprobeerd hebben om een behoorlijke betrekking veilig te stellen in kringen die geen uitzonderlijke bekwaamheid vergen, maar die voornamelijk behoedzaamheid, inzet en zorgvuldigheid verlangen. Ze zijn stuk voor stuk ontslagen om onachtzaamheid, luiheid, onvermogen en aanhoudend plichtsverzuim, om van andere ondeugden die met ons onderwerp niets te maken hebben maar te zwijgen en toch blijven massa’s werkelozen het uitschreeuwen tegen de wetgeving, tegen de maatschappij en tegen de Hemel.

De oorzaak van dit veelvoorkomend gebrek aan gedegenheid is snel gevonden. Ze is gelegen in genotszucht, die niet alleen afkeer van gestadige arbeid teweegbrengt, maar die het een mens ook onmogelijk maakt om het beste werk te doen en om behoorlijk diens taken te vervullen. Kort geleden, kwam er een kwestie onder mijn aandacht (één van de vele) van een arme vrouw die op haar plechtig verzoek een verantwoordelijke en goed lonende baan kreeg. Ze was nog maar een paar dagen op haar post toen ze begon te spreken van “pleziertochtjes” die ze nu zou hebben nu ze deze plek had bereikt. Ze werd aan het einde van de maand ontslagen voor onachtzaamheid en onvermogen.

Zoals twee voorwerpen niet op hetzelfde moment dezelfde ruimte in kunnen nemen, zo kan de geest die in beslag wordt genomen door geneugte niet tegelijkertijd geconcentreerd zijn op volmaakte taakuitvoering.

Voor geneugte bestaat een eigen plaats en tijd, maar het in aanmerking komen ervan dient niet in het denken te worden toegestaan tijdens wat diensturen horen te zijn. Zij die, terwijl ze bezig zijn met hun aardse taak, voortdurend stil staan bij de te verwachten geneugten, kunnen niet anders dan de kantjes ervan aflopen of zelfs hun werk geheel veronachtzamen zodra hun genot op het spel lijkt te staan.

Gedegenheid is volledigheid, volmaaktheid. Het betekent iets zo goed doen dat het niets te wensen over laat. Het betekent je werk doen, beter dan iedereen kan, of tenminste niet slechter dan het beste dat anderen doen. Het betekent er goed over nadenken, veel inzet aan de dag leggen, aanhoudend het hoofd erbij houden, geduld oefenen, volharding en een groot plichtsbesef. Een aloude leermeester heeft gezegd: “Als iets gebeuren moet, laat een mens het doen, laat hem er doortastend opvliegen”. Een andere leermeester zei: “Wat uw hand ook tegen moge komen om te doen, doe het uit al uw macht”.

Hun die het aan gedegenheid ontbreekt in hun aardse taken, zal het ook ontbreken aan dezelfde eigenschap in het geestelijke. Ze zullen hun karakter niet verbeteren, zullen zwak en halfslachtig zijn in hun geloofsovertuiging en zullen niets goeds of nuttigs bereiken. Mensen die met het ene oog gericht zijn op wereldlijke geneugten en met het andere op zielenheil en die denken dat ze beide kunnen verzilveren, zullen noch in hun genotzucht noch in hun toewijding gedegen zijn, maar van allebei een zootje maken. Het is beter om met ziel en zaligheid een wereldling te zijn dan een halfslachtige gelovige. Je kunt beter je denken geheel wijden aan het lagere, dan maar half aan het hogere.

Het verdient de voorkeur om gedegen te zijn, zelfs al is het in een slechte of zelfzuchtige richting, boven om ondoelmatig en schoorvoetend te zijn in de goede richting, want gedegenheid leidt sneller tot karakterontwikkeling en inzicht. Het bespoedigt vooruitgang en ontplooiing en drijft, omdat het van het slechte naar iets beters leidt, het goede op tot almaar grotere hoogte van profijt en vermogen.

6. Een geest en een leven opbouwen

ALLES komt voort, of het nu het werk is van de natuur of van de mens, uit een bouwproces. De steen is opgebouwd uit atomen, de plant, het dier en de mens zijn opgebouwd uit cellen, een huis is opgebouwd uit bakstenen en een boek is opgebouwd uit letters. Een wereld is samengesteld uit een veelheid aan vormen en een stad uit een veelheid aan huizen. De kunsten, wetenschappen en instellingen van een natie zijn opgebouwd uit de inspanningen van afzonderlijke mensen. De geschiedenis van een natie is het bouwwerk van haar handelen.

Voor het proces van opbouwen is het proces van afbraak, waarmee het in wisselwerking is, noodzakelijk. Oude vormen die dienst hebben gedaan worden omvergehaald en het materiaal waaruit ze bestaan gaat nieuwe verbindingen aan. Het is een over en weer van verbinding en ontbinding. In elk complex lichaam, worden oude cellen onophoudelijk afgebroken en worden nieuwe cellen gevormd in hun plaats.

Ook de creaties van de mens vergen voortdurend vernieuwing tot ze oud en onbruikbaar worden en ze ontmanteld worden opdat een hoger doel kan worden gediend. Deze twee processen van afbreken en opbouwen heten in de Natuur dood en leven, in de gemaakte wereld van de mens heten ze verwoesting en wederopbouw.

Dit tweeledig proces, dat algeheel geldend is in het zichtbare, geldt precies zo in het onzichtbare. Zoals een lichaam wordt opgebouwd uit cellen, een huis uit stenen, zo is de menselijke geest opgetrokken uit gedachten. De verschillende karakters van mensen zijn niets meer of minder dan stelsels van gedachten van een grote verscheidenheid. Hierin zien we de diepe waarheid besloten van het gezegde “zoals je denkt, zo ben je in je hart”. Afzonderlijke karaktertrekken zijn vaste denkprocessen, dat wil zeggen, ze zijn vast in de zin dat ze zo’n integraal onderdeel van het karakter geworden zijn, dat ze alleen veranderd of weggenomen kunnen worden door een langdurige inspanning van de wil en door veel zelfdiscipline. Karakter wordt gebouwd op dezelfde manier als een boom of een huis wordt opgebouwd, namelijk door onophoudelijk nieuw materiaal toe te voegen en dat materiaal is gedachte. Met behulp van miljoenen bakstenen wordt een stad opgebouwd, met behulp van gedachten in de geest, wordt een karakter opgebouwd.

Iedere mens bouwt, al of niet bewust, gedachten op. Iedere mens moet noodzakelijkerwijs denken en elke gedachte is weer een baksteen erbij in het gebouw der gedachten. Zulk “gemetsel” gebeurt door velen onnauwkeurig en zonder er acht op te slaan, zodat het resulteert in onbestendige en wankele karakters die bij de minste of geringste windvlaag van ongerief of verleiding omver dreigen te gaan.

Daarbij leggen sommigen ook onzuivere gedachten in hun geestelijk bouwwerk. Dat zijn zulke beroerde bouwstenen, die even snel afbrokkelen als dat ze gelegd zijn, altijd een onvoltooid en onooglijk bouwwerk achterlaten, eentje dat geen comfort en geen beschutting kan bieden aan wie er woont.

Fnuikende gedachten over de eigen dood, uitputtende gedachten omtrent clandestiene geneugten, verzwakkende gedachten van mislukking en zieke gedachten van zelfmedelijden en borstklopperij zijn waardeloze bouwstenen, waaruit geen degelijke gedachtentempel kan worden opgetrokken.

Zuivere gedachten, verstandig gekozen en zorgvuldig aangebrachte gedachten vormen een veelheid aan duurzame bouwstenen die nooit zullen afbrokkelen en waarmee binnen de kortste keren een compleet en welgevormd bouwwerk kan worden opgetrokken, dat comfort en beschutting biedt aan wie er woont.

Bekrachtigende gedachten van doelbewust zijn, vertrouwen en plichtsbesef, bezielende gedachten van een omvangrijk, vrij, onbelemmerd en onbaatzuchtig leven zijn bruikbare bouwstenen, waarmee een degelijke gedachtentempel kan worden opgericht en om zo’n tempel te kunnen bouwen is het nodig om loze denkgewoonten omver te werpen en te vernietigen.

“Bouw uzelf statiger woningen, O Ziel van mij!
De jaargetijden vliegen zo voorbij”.

Alle mensen zijn hun eigen bouwers. Zijn ze de bewoners van inderhaast neergezette krotten van geesten, die menig onheilsregen doorlaten en waardoorheen de snijdende winden blazen van almaar terugkerende teleurstellingen, laat hen er dan werk van maken om respectabelere woningen te bouwen, die hen betere beschutting bieden tegen zulk soort weer en wind. Slap proberen de verantwoordelijkheid voor hun bouwvallen af te schuiven op de duivel, hun voorvaders of wie of wat ook buiten henzelf, zal noch hun comfort verhogen, noch hen helpen een beter onderkomen te bouwen.

Zodra hen het besef daagt van verantwoordelijkheidszin en van wat er globaal in hun vermogen ligt, zullen ze beginnen te bouwen als ware werklui en symmetrische, afgeronde en duurzame karakters tot stand brengen, die gekoesterd zullen worden door hun nageslacht en die, naast dat ze immer feilloos beschutting verschaffen aan henzelf, nadat ze zijn overleden onderdak zullen blijven bieden aan menigeen die ternauwernood het hoofd boven water houdt.

Heel het zichtbare universum berust op een paar wiskundige grondbeginsels. Alle werken van de mens in de stoffelijke wereld zijn tot stand gebracht door de strenge inachtneming van een paar onderliggende grondbeginsels en alles wat er komt kijken bij het bewerkstelligen van een geslaagd, gelukkig en fraai leven is het besef en de toepassing van een paar fundamentele grondslagen.

Wie een bouwwerk moet oprichten dat de roerigste stormen moet kunnen doorstaan, zal bouwen volgens een eenvoudige wiskundige grondregel of wetmatigheid, zoals een vierkant of een cirkel. Een mens die daar niet van wil weten, zal diens bouwsel zien omvallen nog voor het klaar is.

Zo is het ook als een mens een geslaagd, sterk en voorbeeldig leven wil opbouwen, een leven dat dapper de onstuimigste stormen van tegenspoed en verlokking weerstaat: het moet zijn gebaseerd op een paar eenvoudige, onwankelbare grondbeginsels.

Vier van deze grondbeginsels zijn Gerechtigheid, Rechtschapenheid, Eerlijkheid en Vriendelijkheid. Deze vier ethische waarheden zijn voor het ontwikkelen van een leven wat de vier lijnen van een vierkant zijn voor het bouwen van een huis. Als mensen deze beginsels negeren en denken welslagen, geluk en vrede ook zonder te kunnen bereiken, met onrecht, bedrog en egoïsme, dan staan ze in de schoenen van bouwers die zich inbeelden dat ze een sterk en duurzaam onderkomen kunnen bouwen, terwijl ze de onderlinge rangschikking van wiskundige lijnen uit het oog verliezen en ze zullen uiteindelijk alleen teleurstelling en mislukking ondervinden.

Ze kunnen misschien een tijdje geld verdienen, wat hen in de waan brengt dat onrecht en oneerlijkheid lonen, maar in werkelijkheid is hun leven zo broos en wankel dat het elk ogenblik ineen kan vallen en zodra dat cruciale moment komt, want komen moet het, zal hun handel, goede naam en weelde verbrokkelen tot puin en raken ze bedolven onder hun eigen ontreddering.

Het is voor iemand volstrekt onmogelijk om het tot een waarlijk geslaagd en gelukkig leven te brengen, als die mens de vier opgesomde morele grondbeginsels in de wind slaat, terwijl aan mensen die ze in al hun doen en laten nauwlettend in de gaten houden, even onmogelijk voorspoed en geluk onthouden blijft als de aarde zonder licht en warmte van de zon blijven kan, zolang ze in haar regelmatige baan blijft draaien, omdat ze in harmonie werken met de basisbeginsels van het universum. Ze bouwen hun leven op een fundament dat niet veranderd of omvergeworpen kan worden en daarom zal alles wat ze doen sterk en duurzaam zijn en zullen alle onderdelen van hun leven zo samenhangen, overeenstemmen en ineengevlecht zijn dat het onmogelijk ten gronde gericht kan worden.

In alle vormen ter wereld die door de Grote Onzichtbare en onfeilbare Macht zijn ontwikkeld komt naar voren dat wiskundige wetmatigheid met feilloze precisie tot op het kleinste detail in acht is genomen. De microscoop toont dat het oneindig kleine even volmaakt is als het oneindig grote.

Een sneeuwvlok is net zo volmaakt als een ster. Zo moet ook wanneer mensen een gebouw oprichten, uiterste oplettendheid voor elk detail in acht worden genomen.

Eerst moet een fundering worden gelegd. Daaraan moet, al zal die bedekt en verborgen worden, de grootste zorg worden besteed. Ze moet sterker worden gemaakt dan welk ander onderdeel van het gebouw ook. Daarna moet zorgvuldig blok op blok en baksteen op baksteen gelegd worden met behulp van een schietlood, tot het gebouw er uiteindelijk in zijn geheel staat in al zijn duurzaamheid, sterkte en schoonheid.

Voor het leven van mensen geldt hetzelfde. Mensen die een veilig en voorspoedig leven willen hebben, een leven vrij van ellende en mislukkingen waarvan zovelen de dupe worden, moeten het bezigen van de morele grondbeginsels tot in elke finesse van hun leven uitdragen, tot in elke kortstondige taak en onbeduidende verrichting. In elke kleinigheid dienen ze degelijk en eerlijk te zijn en niets over het hoofd te zien.

Een klein detail over het hoofd zien of verkeerd doen, of ze nu handelslui, landbouwers, vrije beroepsbeoefenaars of ambachtslui zijn, is hetzelfde als een blok of een baksteen in een gebouw over het hoofd zien en zal een bron zijn van zwakte en narigheid.

De meerderheid van hen die mislukken en stranden doen dat door ogenschijnlijk onbelangrijke details over het hoofd te zien.

Het is een gangbare vergissing om te denken dat aan kleinigheden voorbij kan worden gegaan en dat de grote zaken belangrijker zijn en alle aandacht verdienen, maar een terloopse blik op het universum of wat grondige bespiegeling op het leven leert dat niets groots kan bestaan zonder dat het gemaakt is uit kleine details en waarvan de opbouw niet tot op elk detail volmaakt is.

Zij die de vier grondbeginsels kiezen als de wetmatigheid en basis van hun leven, die hun eigen karakterbouwwerk oprichten, die in hun denken, spreken en handelen er niet van afdwalen, die elke taak en elke voorbijgaande handeling verrichten in strikte overeenstemming met wat er uit de beginsels kan worden opgemaakt, zulke mensen, die nauwkeurig en terdege het verborgen fundament van trouwhartigheid neerleggen, kan het onmogelijk mislukken om een bouwwerk overeind te zetten, dat hun eer aandoet. Ze bouwen een tempel waarin ze kunnen verpozen in vrede en voorspoed, zowaar de sterke en schitterende Tempel van hun leven.

7. De cultivering van concentratie

CONCENTRATIE of de geest naar een middelpunt voeren en daar houden, is van levensbelang om enigerlei taak te volbrengen. Het is de vader van gedegenheid en de moeder van uitmuntendheid. Als een vaardigheid is het op zichzelf geen oogmerk, maar het is behulpzaam bij alle vaardigheden, alle werk. Al is het geen doel op zich, toch is het een vermogen dat ieder doel dient. Zoals stoom in de werktuigbouw, is het een stuwende kracht in de machinerie van het denken en van de wapenfeiten van het leven.

Dit vermogen is een gangbare eigenschap, al is het in volmaakte vorm zeldzaam – net zoals wil en verstand gangbare eigenschappen zijn, al zijn een volmaakt evenwichtige wil en een verreikend verstand zeldzame eigenschappen – en de geheimzinnigheid die sommige moderne mystieke schrijvers er rond gezaaid hebben is volstrekt overbodig.

Alle succesrijke mensen, op welk gebied hun succes ook ligt, beoefenen concentratie, al weten ze er misschien niets van als onderwerp van studie. Telkens als je in beslag genomen wordt door een boek of een bezigheid of verzonken bent in toewijding of naarstig bezig bent, komt concentratie in meer of mindere mate in het spel.

Veel boeken die beweren concentratie bij te brengen maken het beoefenen en verkrijgen ervan een doel op zich. Een snellere weg naar de ondergang ervan bestaat er niet. Staren naar het puntje van de neus, naar de deurknop, een afbeelding, een raadselachtig voorwerp of een heiligenportret, of alle aandacht fixeren op de navel, de pijnappelklier of één of ander denkbeeldig punt in de ruimte (ik heb al deze methoden serieus aangeraden gezien in boekwerken over dit onderwerp), is als proberen het lichaam te voeden door alleen de kaak te bewegen bij het eten, zonder dat er voedsel aan te pas komt. Zulke methoden ondergraven het doel waar ze naar streven.

Ze leiden tot afleiding en niet tot concentratie, tot zwakte en waanzin in plaats van tot kracht en intelligentie. Ik heb mensen ontmoet die op die manier dat beetje concentratie dat ze eerst hadden verspild hebben en ten prooi zijn gevallen aan een zwakke en dwalende geest.

Concentratie is een hulpmiddel om iets te doen, het is niet iets doen op zichzelf. Een ladder of het vegen van een vloer hebben geen goddelijke kennis – waartoe dient concentratie, zonder een toevlucht te nemen tot methoden die geen praktische betekenis hebben in het leven, anders dan tot het brengen van een goed beheerste geest tot datgene dat gedaan moet worden?

Mensen die hun werk op doelloze, gehaaste of achteloze wijze doen en hun toevlucht nemen tot hun kunstmatige “concentratiemethoden”, tot hun deurknop, hun afbeelding of neusuiteinde, om datgene te verwerven waarvan ze zich inbeelden dat het één of andere mystieke kracht is, maar wat eigenlijk een heel gewone en praktische vaardigheid is, kunnen afdrijven richting waanzin (ik ken een man die door deze praktijken krankzinnig geworden is) en zullen niet de bestendigheid van hun geest vergroten.

De grote vijand van concentratie – en daarmee van iedere vaardigheid en vermogen – is een wankelmoedige, dwalende, ongedisciplineerde waarde alleen op zichzelf, maar alleen tot op het punt dat het ons in staat stelt om iets te bereiken dat we op een andere manier niet bereiken kunnen. Vergelijkbaar is concentratie dat wat de geest in staat stelt om met gemak te bereiken wat anders onmogelijk te bereiken is, maar op zichzelf is het een dood ding en geen levende verdienste.

Concentratie is zo vervlochten met toepasbaarheid in het leven, dat het niet los gezien kan worden van bezigheid en zij die het najagen los van hun taak, hun bezigheid, zullen er niet alleen in mislukken, maar zullen hun mentale beheersing en handelingsvermogen zien afnemen in plaats van toenemen en zullen zich steeds slechter toerusten om hun ondernemingen te doen welslagen.

Een uiteengejaagd en ongedisciplineerd leger zou niets waard zijn. Om het tot doeltreffend handelen en snelle overwinning te brengen moet het hecht geconcentreerd worden en meesterlijk aangestuurd worden. Dwalende en verstrooide gedachten zijn zwak en nutteloos. Gedachten die worden verordend, gecommandeerd en gestuurd richting een bepaald punt zijn onklopbaar. Verwarring, twijfel en beletsel wijken voor hun meesterlijke opmars. Geconcentreerd denken speelt een grote rol in ieder welslagen en wijst de weg naar elke overwinning.

Er is even weinig geheimzinnigs aan het verkrijgen ervan als aan het bemachtigen van wat dan ook, want het wordt geregeerd door het onderliggende grondbeginsel van alle ontwikkeling, namelijk oefening. Om iets te kunnen doen, moet je het doen en blijven doen tot je het meester bent. Dit beginsel is algemeen geldend, in alle kunsten, wetenschappen, vakgebieden, in ieder leerproces, gedrag en iedere geloofsovertuiging. Om te kunnen schilderen, moet je schilderen; om te weten te komen hoe een gereedschap bekwaam gehanteerd wordt, moet je het hanteren; om geleerd te worden, moet je leren; om verstandig te worden, moet je verstandige dingen doen en om erin te slagen je te concentreren, moet je je concentreren. Maar het doen is niet alles – het moet gebeuren met wilskracht en verstand.

Het begin van concentratie is daarom je dagelijkse taak aanvaarden en heel je geest erop richten, al je verstand en geesteskracht vestigen op wat gebeuren moet en telkens zodra de gedachten doelloos dreigen af te dwalen, dienen ze stante pede terug gebracht te worden naar wat om handen is.

Het “middelpunt” waarop je je gedachten dient te richten is derhalve niet je pijnappelklier of een punt in de ruimte, maar het werk dat je iedere dag doet en het doel ervan is om in staat te zijn je werk volleerd en met vloeiende vaart te doen, want tot je zo je werk verrichten kunt heb je nog geen enkele beheersing over het denken en heb je het vermogen tot concentreren nog niet verworven.

Dit krachtig focussen van je gedachten, daadkracht en wilskracht op het doen van verrichtingen is in het begin moeilijk, zoals alles wat het waard is te bereiken moeilijk is, maar dagelijkse inspanningen, ijverig ondernomen en geduldig voortgezet, zullen spoedig leiden tot een dusdanige mate van zelfbeheersing die je in staat stelt om een sterke en scherpzinnige geest te richten op elke ondernomen werkzaamheid, een geest die gauw alle finesses van het werk doorheeft en er zorgvuldig en doeltreffend mee afrekent.

Zo zal een mens, naarmate diens concentratievermogen groeit, diens nut voor de samenleving vergroten en diens waarde voor de wereld doen toenemen en zo verhevener mogelijkheden uitnodigen en deuren openen naar hogere ambten. Zo iemand zal ook de vreugde van een uitgestrekter en voller leven ervaren.

Op de weg naar concentratie zijn er de volgende vier stappen:

1. Aandachtigheid
2. Overpeinzing
3. Abstractie
4. Gelaten voortvarendheid

Eerst worden gedachten staande gehouden en wordt de geest gericht op het onderwerp van concentratie, de taak om handen – dit is aandachtigheid. De geest wordt dan aangespoord tot duchtig nadenken over hoe te werk gegaan kan worden – dit is overpeinzing.

Langdurige overpeinzing leidt tot een geestestoestand waarin alle zintuiglijke deuren gesloten worden tegen afleiding van buitenaf, de gedachten gaan geheel op in en zijn uitsluitend aandachtig toegelegd op het werk om handen – dit is abstractie. Zo bereikt de geest, samengebald in diepe overdenking, een toestand waarin de grootste klus met de geringste wrijving wordt geklaard – dit is gelaten voortvarendheid.

Aandachtigheid is het eerste stadium van alles wat succesvol wordt ondernomen. Hun die het ontberen zal alles mislukken. Het zijn de luiaards, de achtelozen, de onverschilligen en de incapabelen. Zodra dat aandachtigheid gevolgd wordt door het vorderen van de geest tot grondig nadenken, is het tweede stadium bereikt. Om succes te verzekeren in alle normale, wereldlijke ondernemingen, is het niet nodig om voorbij deze twee stadia te gaan.

Ze worden bereikt, in meer of mindere mate, door die grote horden aan vakkundige en bekwame werkers die het werk van de wereld in zijn vele hoedanigheden uitvoeren en alleen een vergelijkenderwijs klein aantal bereiken het derde stadium van abstractie, want zodra abstractie is bereikt, betreden we de rangen der genialiteit.

Gedurende de eerste twee stadia zijn het werk en de geest gescheiden en wordt het werk gedaan met enige moeite en een zekere mate van wrijving, maar in het derde stadium vindt een huwelijk tussen werk en geest plaats, er is een samensmelting, een verbond en ze worden één: dan is er een uitgelezener doelmatigheid met minder moeite en wrijving. In de vervolmaking van de eerste twee stadia is de geest doelgericht bezig en raakt gemakkelijk afgeleid door beelden en geluiden van buitenaf, maar zodra de geest volmaakte abstractie heeft bereikt, is de subjectieve werkwijze bewerkstelligd, die zich onderscheidt van de objectieve.

Denkers zijn zich dan onbewust van de buitenwereld, maar hun geest gaat ijverig te keer. Als ze aangesproken worden, zullen ze het niet horen en als met dringender beroep wordt aangedrongen, zullen ze hun geest terug naar de buitenwereld brengen alsof ze ontwaken uit een droom. Inderdaad is deze abstractie een soort dromen bij bewustzijn, maar de gelijkenis met dromen is beperkt tot de subjectieve toestand: ze gaat niet op voor het denkwerk in deze toestand, daarin heerst in plaats van de wanorde van dromen, een volmaakte orde, feilloos besef en een haarscherp inzicht. Degenen die volmaakte abstractie voor elkaar krijgen zullen genialiteit aan de dag leggen in het specifieke werk waarop hun geest gericht is.

Uitvinders, kunstenaars, dichters, wetenschapslui, filosofen en alle grote geesten beheersen abstractie. Ze bereiken subjectief en gemakkelijk wat de objectieve werklui, mensen die het tweede stadium nog niet voorbij geraakt zijn, niet kunnen bereiken met de grootste inspanning.

Zodra het vierde stadium, dat van gelaten voortvarendheid, is bereikt, is volmaakte concentratie verworven. Mij ontbreekt een enkel woord om volledig uitdrukking te geven aan deze tweeledige toestand van naarstige bezigheid verbonden met gemoedsrust of bedaardheid en ik gebruik daarom de term “gelaten voortvarendheid”.

De term lijkt in tegenspraak met zichzelf, maar de paradox kan eenvoudig worden verhelderd door het voorbeeld van een tol. Als een tol draait op opperste snelheid, is de wrijving tot een minimum beperkt en neemt de tol een toestand aan van volmaakte rust, zo’n prachtig gezicht, en fascineert zo de geest van het schoolkind, dat dan zegt dat diens tol “slaapt”.

De tol is ogenschijnlijk roerloos, maar het is geen lome rust, maar rust van razende en volmaakt uitgebalanceerde vaart. Zo ook is de geest die komt tot volmaakte concentratie, als in volle vaart haar gedachten voortrazen en vruchtbaar werk van de hoogste graad teweegbrengen, in een staat van roerloos evenwicht en kalme gelatenheid. Uiterlijk is er geen aanwijsbare beweging, geen verstoring, en het gezicht van iemand die dit vermogen heeft verworven zal een min of meer blakende rust aannemen en het gezicht zal des te rustiger worden naar mate de geest voortvarender gedachten voortbrengt. Ieder stadium van concentratie heeft zijn eigen kenmerkende kracht. Zo leidt de eerste stap, zodra die gerealiseerd wordt, tot bruikbaarheid, de tweede leidt tot vakbekwaamheid, bedrevenheid en begaafdheid, de derde leidt tot originaliteit en genialiteit en de vierde leidt tot meesterschap en kracht en maakt mensen tot leiders en leermeesters.

Ook bij de ontwikkeling van concentratie omvatten, zoals bij alles wat onderwerp van groei is, de stadia die volgen die die voorafgaan in hun geheel. Zo omvat overpeinzing aandachtigheid, omvat abstractie zowel aandachtigheid als overpeinzing en wie het vierde stadium bereikt brengt bij het concentreren alle vier de stadia in het spel.

Zij die zich vervolmaakt hebben in het concentreren kunnen op ieder moment hun gedachten samenballen ten aanzien van iedere kwestie en kunnen die onderzoeken met het stralende licht van een voortvarend bevattingsvermogen. Ze kunnen even weloverwogen zaken ter hand nemen als loslaten. Ze hebben geleerd hun denkvermogen voor vaste doeleinden te gebruiken en te leiden naar welomschreven uitkomsten. Het zijn verstandige doeners en geen dolende zwakkelingen te midden van ordeloze gedachten.

Vastbeslotenheid, wilskracht en waakzaamheid gaan net als bespiegeling, gezond verstand en gewichtigheid met de gewoonte concentratie gepaard en de nadrukkelijke geestelijke oefening die de cultivering ervan vergt, leidt, langs almaar groeiende bruikbaarheid en beroepsmatig welslagen, naar een hogere vorm van concentratie, die “meditatie” heet, waarbij de geest goddelijk verlicht raakt en hemelse kennis verwerft.

8. Mediteren

ALS aspiratie verenigt wordt met concentratie is de uitkomst meditatie. Als mensen intens verlangen om een hoger, zuiverder en stralender leven te bereiken en te verwezenlijken dan alleen het wereldlijke op geneugten gerichte leven, dan laten ze aspiratie gelden en als ze naarstig hun gedachten concentreren op het vinden van dat leven, dan beoefenen ze meditatie.

Zonder diepgaande aspiraties kan er geen meditatie zijn. Lusteloosheid en onverschilligheid zijn er fataal aan. Hoe bevlogener je geaard bent, des te spoediger zul je meditatie vinden en des te geslaagder zul je het beoefenen. Een gedreven karakter zal binnen de kortste keren de hoogten van het Ware beklimmen middels meditatie, zodra diens aspiraties afdoende zijn opgewekt.

Concentratie is nodig voor wereldlijk succes, meditatie is nodig voor geestelijk succes. Wereldlijke bedrevenheid en kennis worden verkregen met concentratie, geestelijke bedrevenheid en kennis worden verkregen met meditatie. Met concentratie kan iemand de hoogten van genialiteit beklimmen, maar niet de hemelse hoogten van het Ware, die te bereiken vergt meditatie.

Met concentratie kun je het geweldige bevattingsvermogen en de verreikende macht verkrijgen van een Caesar; met meditatie kun je de hemelse wijsheid en volmaakte vrede bereiken van een Boeddha. Volmaakte concentratie is macht; volmaakte meditatie is wijsheid.

Met concentratie verwerven mensen bedrevenheid in het doen van de dingen in het leven – in wetenschap, kunst, handel, enzovoort – maar met meditatie verwerven ze bedrevenheid in het leven zelf, in juist leven, verlichting, wijsheid, enzovoort. Heiligen, wijsgeren en verlossers – wijze mensen en goddelijke leermeesters – zijn de weerslagen van plechtige meditatie.

De vier stadia van concentratie worden ook gebezigd bij meditatie. Het verschil tussen de twee krachten zit hem in de richting en niet in de aard. Zodoende is meditatie bovenzinnelijke concentratie, het scherpstellen van de geest op zoek naar goddelijke kennis, het goddelijke leven, het in gedachten uitgebreid uitweiden over het Ware.

Mensen streven er daarbij bovenal naar om het Ware te onderkennen en te verwezenlijken. Ze schenken aandacht aan hun handelwijze, leven en zelfbevrijding. Met het beoefenen van deze aandachtigheid, gaan ze over in gedegen overpeinzing van de realiteiten, problemen en raadsels van het leven. Zo overpeinzend, gaan ze zo ten volle en intens houden van het Ware, dat ze er geheel in opgaan, hun geest wordt weggeleid van haar dwaalwegen van talloze begeerten, ze lossen één voor één de problemen van het leven op en verwezenlijken die diepgaande eenheid met het Ware: de staat van abstractie. Zo opgaand in het Ware is het karakter beheerst en in balans, er is gelaten voortvarendheid, de onveranderlijke rust en vrede van een vrijgemaakte en verlichte geest.

Meditatie is moeilijker om te beoefenen dan concentratie omdat het een veel grotere zelfdiscipline met zich meebrengt dan dat geldt voor concentratie. Een mens kan concentratie beoefenen zonder diens hart en leven te zuiveren, terwijl het proces van zuivering met meditatie onlosmakelijk verbonden is.

Het doel van meditatie is goddelijke verlichting, raken aan het Ware en is daarom vervlochten met daadwerkelijke zuivering en rechtschapenheid. Al is de tijd die werkelijk aan meditatie besteed wordt in het begin kort, misschien een half uur in de vroege ochtend, het inzicht dat zo in dat halve uur van helder aspireren en geconcentreerd denken gewonnen wordt, wordt gedurende de gehele dag in alle handelen uitgedragen.

Daarom is het hele leven van mensen bij meditatie betrokken. Wanneer ze zich in het beoefenen ervan ontwikkelen, raken ze meer en meer toegerust om hun levenstaken uit te voeren in de situaties die ze kunnen tegenkomen, want ze worden sterker, vromer, kalmer en wijzer. Het grondbeginsel van meditatie is tweeledig:

1. Zuivering van het hart door het gedurig koesteren van zuivere gedachten.
2. Goddelijk inzicht verwerven door het uitdragen van die zuiverheid in de praktijk van alledag.

Mensen zijn gedachtewezens en hun leven en karakter zijn bepaald door de gedachten die ze plegen te hebben. Door oefening, associatie en gewoonte neigen gedachten zich te herhalen in steeds grotere mate en met steeds groter gemak en ze “schaven” zo het karakter bij in een bepaalde richting door automatisch gedrag voort te brengen dat we “gewoonte” noemen.

Door dagelijks zuivere gedachten te plegen, vormt de mediterende mens de gewoonte van zuiver en verlicht denken die leidt tot zuiver en verlicht handelen en degelijk volbrachte taken. Door het onophoudelijk herhalen van zuivere gedachten, wordt die mens uiteindelijk één met die gedachten en is een gelouterd wezen, die zijn verworvenheid aan de dag legt in zuiver handelen, in een sereen en wijs leven.

Het leeuwendeel van alle mensen leeft in een aaneenschakeling van tegenstrijdige verlangens, begeerten, emoties, mijmeringen en er is rusteloosheid, onzekerheid en droefenis, maar zodra mensen hun geest beginnen te oefenen in meditatie, winnen ze allengs greep over deze innerlijke strijd door hun gedachten te richten op een wezenlijk grondbeginsel.

Op die manier worden oude gewoonten van onzuiver en verkeerd denken en doen afgebroken en nieuwe gewoonten van zuiver en verlicht denken en doen gevormd. Mensen raken zo meer en meer verenigd met het Ware en er is een toenemende verstandhouding en toenemend inzicht, een groeiende volmaaktheid en vrede.

Een krachtig en verheven streven naar het Ware gaat altijd gepaard met een scherp besef van de treurnis, de korte duur en het raadsel van het leven en tot deze geestestoestand bereikt is, is meditatie onmogelijk. Louter mijmeren en de tijd verdrijven met doelloos dromen (gewoonten waarvoor het woord meditatie vaak misbruikt wordt), zijn verre van wat meditatie is volgens de verheven bovenzinnelijke betekenis die wij ermee verbinden.

Mijmering laat zich gemakkelijk verwarren met meditatie. Dit is een noodlottige vergissing die door iedereen die meditatie beoogt vermeden moet worden. De twee moeten niet door elkaar gehaald worden. Mijmering is een vaag dromen waar een mens in vervalt; meditatie is een sterk, doelmatig denken waartoe een mens zich verheft. Mijmering is gemakkelijk en genoeglijk; meditatie is in het begin moeizaam en ongemakkelijk.

Mijmering gedijt bij gezapigheid en overdaad; meditatie komt voort uit ijver en discipline. Mijmering is eerst aanlokkelijk, dan zinnenprikkelend en daarna zinnelijk. Meditatie is eerst afschrikwekkend, dan voordelig en daarna vredig. Mijmering is gevaarlijk, het ondermijnt zelfbeheersing. Meditatie is beschermend, het brengt zelfbeheersing teweeg.

Er zijn bepaalde tekenen waaruit een mens afleiden kan of die zich met mijmering of meditatie bezig houdt.

De aanwijzingen voor mijmering zijn:

1. Een verlangen om inspanning uit de weg te gaan.
2. Een verlangen om de geneugten van dromen te ervaren.
3. Een toenemende afkeer van de eigen wereldlijke taken.
4. Een verlangen om de eigen wereldlijke verantwoordelijkheden in te perken.
5. Angst voor consequenties.
6. Een verlangen om geld te verkrijgen met zo min mogelijk inspanning.
7. Gebrek aan zelfbeheersing.

De aanwijzingen voor meditatie zijn:

1. Toename van zowel de fysieke als mentale energie.
2. Een naarstig streven naar inzicht.
3. Een afname van ergernis in het uitvoeren van taken.
4. Een sterke vastberadenheid om nauwgezet alle wereldlijke verantwoordelijkheden te vervullen.
5. Vrij zijn van angst.
6. Onverschilligheid tegenover weelde.
7. Zelfbeheersing bezitten.

Er bestaan bepaalde tijden, plekken en omstandigheden die zich volstrekt niet lenen voor meditatie, andere die zich er moeilijk voor lenen en andere die zich er beter voor lenen en deze bedingingen, die bekend dienen te zijn en in acht dienen te worden genomen, zijn als volgt:

Tijden, plekken en omstandigheden die zich volstrekt niet lenen voor meditatie:

1. Tijdens, of onmiddellijk na maaltijden.
2. In plaatsen van vertier.
3. Op drukke plekken.
4. Al hollende.
5. ’s Ochtends, liggend in bed.
6. Al rokende.
7. Liggend op de bank of op bed om lichamelijk of geestelijk uit te rusten.

Tijden, plekken en omstandigheden die zich moeilijk lenen voor meditatie:

1. ’s Nachts.
2. In een weelderig bemeubelde ruimte.
3. Zittend in een zachte, meegevende zetel.
4. Weelderige kleding dragend.
5. In gezelschap.
6. Als het lichaam vermoeid is.
7. Als het lichaam teveel voedsel heeft gekregen.

Tijden, plekken en omstandigheden die zich het beste lenen voor meditatie:

1. Zeer vroeg in de ochtend.
2. Vlak voor maaltijden.
3. In eenzaamheid.
4. In de open lucht of in een sober bemeubelde ruimte.
5. Zittend op een harde stoel.
6. Als het lichaam sterk en energiek is.
7. Als het lichaam bescheiden en sober gekleed is.

Uit de voorafgaande instructie kan worden gezien dat gemak, weelde en toegevendheid (die leiden tot mijmering) het moeilijk maken om te mediteren en zelfs onmogelijk als ze uitgesproken aanwezig zijn, terwijl ijver, discipline en zelfverloochening (die mijmering verdrijven) het vergelijkenderwijs gemakkelijk maken om te mediteren. Ook dient het lichaam overvoed noch uitgehongerd te zijn, in lompen gehuld noch in pronkerige kleding. Het dient niet moe te zijn, maar aan zijn hoogste energie- en krachtpeil, aangezien het in de geest vasthouden van een geconcentreerde reeks subtiele en verheven gedachten een hoge graad van zowel fysieke als mentale energie vergt.

Aspiratie kan vaak het best worden opgewekt en de geest kan het beste vernieuwd worden in meditatie, door het in de geest herhalen van een verheven voorschrift, een mooie zin of een vers uit een gedicht. De geest die rijp is voor meditatie zal daadwerkelijk deze praktijk overnemen. Louter mechanische herhaling is zinloos en zelfs een beletsel.

De herhaalde woorden moeten zo geëigend zijn voor de eigen omstandigheden dat er liefdevol en met geconcentreerde overgave bij kan worden stilgestaan. Zo verbinden aspiratie en concentratie zich om zonder overdreven inspanning de staat van meditatie voort te brengen. Alle omstandigheden die hierboven genoemd worden zijn van het grootste belang in de vroege stadia van meditatie en dienen zorgvuldig opgemerkt en opgevolgd te worden door iedereen die er naar streeft het onder de knie te krijgen en hun die trouw de aanwijzingen volgen en hun best doen en doorzetten, zal het niet mislukken om, zodra de tijd er rijp voor is, de oogst van zuiverheid, inzicht, gelukzaligheid en vrede binnen te halen en zullen met zekerheid de zoete vruchten smaken van vrome meditatie.

9. De kracht van doelbewust zijn

VERSNIPPERING is zwakte, concentratie is kracht. Verwoesting is een uiteenjagend en instandhouding is een verenigend proces. Zaken zijn nuttig en gedachten zijn krachtig in die mate dat hun onderdelen sterk en verstandig geconcentreerd zijn. Doelbewust zijn is sterk geconcentreerd denken.

Alle mentale energie wordt gericht op het bereiken van een doel en hindernissen die tussen de denker en het doel opdoemen, worden één voor één omvergeworpen en te boven gekomen. Doelbewust zijn is de sluitsteen op de tempel van verdienste. Het totale geheel, dat anders onbruikbaar uitgestrooid zou liggen, wordt erdoor verbonden en bijeengehouden.

Voor loze invallen, efemere grillen, vage begeerten en halfslachtige besluiten is er in doelbewust zijn geen plaats. In de aanhoudende vastberadenheid om te slagen bevindt zich een onverslaanbare kracht, die elke ondergeschikte overweging opslokt en rechtstreeks richting de overwinning oprukt.

Alle succesvolle mensen zijn doelbewust. Ze bijten zich vast in een idee, een project, een plan en laten niet los. Ze koesteren het, broeden erop, ze voeden en ontwikkelen het. En worden ze belaagd door moeilijkheden, dan weigeren ze verleid te worden tot capitulatie. De intensiteit van het doelbewust zijn neemt zelfs toe naar mate er grotere hindernissen opdoemen.

De mensen die de lotsbestemmingen van de mensheid gevormd hebben waren mensen doordesemd van doelbewust zijn. Zoals de Romein zijn weg aanlegde, hebben ze een gedegen afgebakend pad gevolgd en geweigerd om te wijken zelfs ten overstaan van foltering en dood. De Grote Leiders van onze soort zijn de geestelijke wegbereiders en de mensheid volgt op de verstandelijke en geestelijke paden die zij hebben gebaand en bestraat.

De kracht van doelbewust zijn is groot. Wie wil weten hoe groot, hoeft maar de levens te bestuderen van hen wier invloed het pleit van naties beslecht heeft en de wereld de weg gewezen heeft. In Alexander de Grote, Caesar of Napoleon zien we de kracht van doelbewust zijn als die langs wereldlijke en persoonlijke paden wordt geleid. In Confucius, Boeddha of Christus ontwaren we de reusachtigere kracht als de weg ervan voert over hemelse en onpersoonlijke paden.

Doelbewust zijn gaat gepaard met verstand. Er zijn kleinere en grotere doelen naar gelang de mate van verstand. Een grotere geest zal altijd grote doelen hebben. Een zwak verstand zal zonder doel zijn. Een zwalkende geest duidt op een mate van onderontwikkeling.

Wat biedt weerstand tegen een onwankelbaar doel? Wat kan het tegenhouden of afwenden? Inerte materie geeft mee aan levende kracht en omstandigheden bezwijken aan de kracht van doelbewust zijn. Voorwaar zal een mens met een ongeoorloofd doel, bij het waarmaken ervan, zichzelf vernietigen, maar een mens met een goed en geoorloofd doel kan niet mislukken. Die mens hoeft alleen dagelijks het vuur en de energie van diens sterke vastberadenheid te hernieuwen om diens doel vervuld te krijgen.

Zwakke mensen, die treuren omdat ze niet begrepen worden, zullen weinig bereiken. IJdele mensen, die van hun beslissing afwijken om anderen een plezier te doen en om daarmee hun goedkeuring te winnen, zullen niet veel voor elkaar krijgen. Mensen die hinken op twee gedachten, die erover denken om te morrelen aan hun doelstellingen, zullen mislukken.

Mensen die vastberaden hun doel voor ogen houden, geven, of er nu onbegrip, smerige beschuldigingen of gevlei en mooie beloften op hen neerdalen, geen fractie van hun doelstelling op. Het zijn uitmuntende en presterende mensen, mensen met succes, statuur en macht.

Obstakels prikkelen vastberaden mensen. Moeilijkheden peppen hen op tot nieuwe inspanning. Vergissingen, verliezen of pijn krijgen hen niet klein. En mislukkingen zijn stappen op de ladder van succes, want ze zijn zich immer bewust van de zekerheid dat ze uiteindelijk zullen slagen.

Uiteindelijk wijken alle dingen voor de stille, onweerstaanbare, alles overwinnende energie van doelbewust zijn.

“Vanonder nachts inktzwarte gewaad,
Betuig ik mijn erkentenis
Tot elke god die maar bestaat,
Dat mijn ziel zo onwrikbaar is.
Gegeseld door omstandigheid
Bekloeg ik niet wat was mislukt;
Geraakt door toevals grilligheid,
Mijn hoofd bebloed maar niet gebukt.
Hoe ingenieus ook het complot
Of kwetsbaar mijn achilleshiel;
Ik ben de meester van mijn lot
Ik voer gezag over mijn ziel.”

10. De vreugde van verdienste

Vreugde is wat er altijd gepaard gaat met een geslaagd afgeronde verrichting. Een voltooid karwei of een afgehandelde taak brengt rust en tevredenheid. “Zodra diens taak volbracht is, is een mens opgewekt en gelukkig”, aldus Emerson, en ongeacht hoe onbelangrijk die taak ogen mag, haar nauwgezet en gewetensvol uitvoeren levert altijd blijmoedigheid en gemoedsrust op.

Van alle armzalige mensen, zijn de luiaards de armzaligsten. Al denken ze gemak en tevredenheid te vinden door lastige opgaven en noodzakelijke verrichtingen te ontwijken, hun geest is voortdurend onrustig en opgejaagd. Ze worden belast met een innerlijk schaamtegevoel en verspelen hun bravoure en zelfrespect.

“Wie niet wenst te werken naar eigen vermogen, moge creperen naar eigen noodzaak”, aldus Carlyle. Het is een morele wetmatigheid dat mensen, die hun taken ontlopen en niet werken naar de volle omvang van hun vermogens, daadwerkelijk creperen, eerst voor wat hun karakters betreft en uiteindelijk voor wat hun lichaam en omstandigheden betreft. Leven en handelen zijn synoniem en zodra mensen lichamelijke dan wel geestelijke inspanningen proberen te ontlopen, begint onmiddellijk hun verval.

Daartegenover staat de krachtige verbetering in het bestaan door het volledig uitoefenen van hun vermogens, door moeilijkheden te boven te komen en door het voltooien van taken die buigen onder de naarstige toepassing van lichamelijke en geestelijke kracht.

Hoe opgetogen kan een kind wel niet zijn zodra het leerstof, waarop het zo lang heeft gezwoegd, uiteindelijk meester wordt! De atleten, die hun lichaam over lange maanden of jaren van gedisciplineerde inspanning hebben geoefend, worden rijkelijk beloond met een betere gezondheid en grotere kracht en zullen de blijdschap van hun vrienden voelen als ze prijzen op hun gebied in de wacht slepen. Na jaren van genereus zwoegen, wordt het hart van de student verblijd met de voordelen en vermogens die geleerdheid verleent.

De zakenmens, die te kampen heeft met moeilijkheden en tegenslagen, wordt ruimschoots terugbetaald met de blijde zekerheid van welverdiend succes en de tuinder, die naarstig de strijd aangaat met de onwillige grond, kan uiteindelijk plaatsnemen om zich de vruchten van eigen arbeid te laten smaken.

Iedere geslaagde prestatie, zelfs in het wereldlijke, wordt terugbetaald met haar eigen bijbehorende hoeveelheid vreugde en de vreugde in het geestelijke die onverwacht optreedt bij het vervolmaken van doelbewust zijn is onfeilbaar, diep en duurzaam. Groot is de oprechte blijdschap (zij het onuitsprekelijk) als na ontelbare en ogenschijnlijk mislukte pogingen een zekere ingeroeste karaktertekortkoming verjaagd wordt zodat die diens voormalige slachtoffer en de wereld niet langer teisteren kan.

Mensen die streven naar deugdzaamheid, die de vrome taak onder handen nemen om een edel karakter op te bouwen, proeven bij elke stap van overwinning over zichzelf een vreugde die beklijft en die een integraal onderdeel van hun gemoed wordt.

Alle leven is een strijd. Zowel van buiten als van binnen zijn er kwesties waartegen de mens het moet opnemen. Diens ware bestaan is een reeks inspanningen en verdiensten en diens recht om onder de levenden te blijven als een bruikbare eenheid van menselijkheid hangt af van de mate van diens vermogen om geslaagd de elementen van de natuur te trotseren in de buitenwereld of de vijanden van deugd en waarheid van binnen.

Van mensen wordt gevorderd dat ze blijven streven naar het betere, naar grotere volmaaktheid, naar hogere en nog hogere prestaties en overeenkomstig de mate van gehoorzaamheid aan deze vordering, maakt de engel van de vreugde zijn opwachting bij hun voetstappen en is hen behulpzaam, want wie gedreven wil leren, vurig wil weten en de inspanning levert om te slagen, vindt de vreugde die eeuwig zingt in het hart van het universum.

De mens moet eerst streven naar het kleine, dan naar het grote, dan naar het nog grotere, tot die mens uiteindelijk klaar is voor de ultieme inspanning en moet vervolgens streven naar de vervulling van het Ware en zal dan, bij het slagen daarin, eeuwige vreugde bewerkstelligen.

Je best doen is de prijs van het leven. Het summum van je best doen is verdienstelijkheid. De beloning voor verdienstelijkheid is vreugde. Gezegend is de mens die het opneemt tegen de eigen zelfzucht. Die mens zal de volle omvang smaken van de vreugde van verdienste.

[to home]