Alle deze dingen zullen u worden toegeworpen. Door James Allen.

Uit het Engelsch vertaald door W.D. KOOT
Uitgegeven ten voordeele der Olcott Panchama Free Schools
Indon. Drukkerij, Weltevreden

Inhoud

Ter inleiding

Dankbaar voor de lezing van den schoonen inhoud van dit boek, besloot ik het te vertalen. Dit laatste schonk mij opnieuw leering en genot. Kennisname van den inhoud beteekent zelf te ervaren, dat de schrijver een bekwaam gids is op den weg, die tot geestelijke volmaking voert.

Dit weinige slechts ter inleiding van een boekwerk, dat tot titel voert een zeer oud, een zeer bekend en een zeer diepzinnig Bijbelwoord n.l.: „Al deze dingen zullen u toegeworpen worden”.

Onder welke voorwaarden?

Dat wordt den aandachtigen lezer telkens meer duidelijk.

De Vertaler.

Voorwoord

Door steeds genot hier en belooningen in ’t hiernamaals te zoeken, hebben de menschen (in hun harten) den Tempel der Heiligheid vernietigd en zijn zij van het Koninkrijk der Hemelen afgedwaald. Door op te houden, langer aardsche genoegens en hemelsche belooningen te zoeken, kan die Tempel van Heiligheid hersteld en het Koninkrijk der Hemelen hervonden worden. Deze waarheid is bestemd voor hen, die gereed staan en rijp zijn. haar te ontvangen; en dit boek is ook enkel bestemd voor degenen, wier zielen genoeg zijn voorbereid, om zijn leeringen te verwerken.

James Allen.

Deel I: Alle deze dingen zullen u worden toegeworpen

1. De groote ellende der Ziel

Iedere menschelijke ziel is in ellende en moeite. De uitdrukking of het voorkomen dier ellende moge bij onderscheidene menschen verschillen, maar daar is geen enkele, die haar niet tot op zekere hoogte gevoelt. Het is een geestelijke ellende, die wel degelijk haar oorzaak heeft, en die in zielen van een bepaalde ontwikkeling den vorm aanneemt van een diepen en moeilijk te omschrijven honger, die nooit bevredigd kan worden door stoffelijke zaken, al bezit men de laatste in rijken overvloed. Toch tracht de groote massa, in kennis onvolmaakt, en misleid door schijngeluk, dien honger te stillen door naar ’t bezit van veel stoffelijk goed te streven, in ’t geloof, dat dit hare ellende zal doen ophouden en haar vrede zal brengen.

Iedere ziel hongert, bewust of onbewust, naar heiligheid en iedere ziel zoekt op haar manier en in overeenstemming met de kennis, door haar verworven, dien honger te stillen. Die honger is iets, maar de heiligheid is iets anders en de manieren, waarop naar heiligheid wordt gestreefd, zijn vele. Zij, die bewust zoeken, mogen zich gelukkig achten. Zij zullen spoedig ervaren, dat de voortdurende bevrediging, waarnaar de ziel streeft, enkel in heiligheid kan gevonden worden. Dezulken zijn in ’t bezit van kennis aangaande het ware pad. Maar zij, die onbewust zoeken, kunnen, al baden zij zich ook langen tijd in een zee van genot, niet het geluk vinden, want zij banen voor zich zelf een lijdensweg, waarover zij heen moeten met gescheurde en gewonden voeten, en hun honger wordt grooter ; en ten laatste zal de ziel schreeuwen om zijn verloren erfenis — de eeuwige erfenis van heiligheid.

Noch in wereldsch genot, noch in geleerdheid, noch in wijsbegeerte kan de ziel voortdurende bevrediging vinden, zonder heiliging te zoeken. Nog in het lichaam, of na den dood daarbuiten, wordt zij onophoudelijk door de tucht van het lijden voortgejaagd, tot zij eindelijk, als dit lijden zijn hoogtepunt bereikt, vlucht tot haar eenig veilig toevluchtsoord — het toevluchtsoord der heiligheid — en daar de vreugde, de bevrediging en den vrede vindt, die zij zoo lang en te vergeefs zocht.

Dat, waaraan de ziel groote behoefte heeft, is het eeuwig beginsel,dat heiligheid heet; op heiligheid rustend, kan de ziel muurvast en kalm blijven te midden van de stormen tijdens haar aardsch leven, zonder verbijsterd te worden. Is heiligheid haar fundament, dan kan zij daarop het gebouw van een schoon, vredevol en volmaakt leven stichten.

Het Koninkrijk der Hemelen, het blijvend thuis voor de ziel, kan slechts gebouwd worden op heiligheid. Heiligheid slechts kan de bron zijn en de voorraadschuur vormen van ononderbroken geluk. Wie heiligheid bereikt, heeft alles bereikt; wie haar verliest, heeft alles verloren. Zij is een houding van den geest, een toestand van bewustzijn, een kennis, niet uit te spreken, waardoor de strijd om het bestaan ophoudt, en de ziel zich geplaatst ziet te midden van een overvloed, waardoor haar grootste wensch, neen,

zelfs iedere wensch bevrediging vindt, zonder strijd en zonder vrees. Gezegend zijn zij, die ernstig en met verstand zoeken, want het is onmogelijk, dat zij te vergeefs zoeken.

2. De strijd om het bestaan en de Wet der Liefde

Er is gezegd geworden, dat de wetten der natuur wreed zijn; er is evenzoo gezegd, dat zij vriendelijk zijn. De eene bewering is het gevolg van het uitsluitend letten op die zijde der Natuur, welke van hevige mededinging getuigt; de andere leert men kennen door slechts die zijde van de Natuur te beschouwen, die haar beschermend en vriendelijk karakter openbaart. In werkelijkheid zijn de natuurwetten wreed noch vriendelijk: zij zijn volmaakt rechtvaardig, en inderdaad de uitwerking van het onmogelijk te vernietigen denkbeeld der rechtvaardigheid zelve. De wreedheid, en daaruit volgend lijden, die zoo overheerschend is in de Natuur, behoort niet onafscheidelijk tot het hart en de kern van leven; het is een voorbijgaand verschijnsel van evolutie (ontwikkeling of vooruitgang), eene pijnlijke ondervinding, die ten slotte zal rijpen tot de vrucht van een meer volmaakte kennis; het is dus een donkere nacht van onwetendheid en onrust, die tot een heerlijken morgen van vreugde en vrede voert.

Als een hulpeloos kind door verbranden den dood vindt, schrijven wij aan de werking eener natuurlijke wet, door welker deugdelijkheid het kind werd vernietigd, geen wreedheid toe; wij trekken het besluit, dat het kind dit aan eigen onwetendheid, of aan de zorgeloosheid dergenen dankt, die voor zijne belangen waken moesten. Evenzoo worden mannen en vrouwen dagelijks verteerd in de onzichtbare vlammen van den hartstocht, wijl zij voor het onophoudelijk spel dezer vurige psychische (tot de ziel behoorende) krachten, die zij in hunne onwetendheid niet verstaan, bezwijken, maar die zij ten laatste zullen leeren te begrijpen en te beheerschen, om ze tot hun eigen bescherming te gebruiken, en niet, zooals thans geschiedt, ze, dwaas genoeg, tot hun eigen ondergang aan te wenden. De onzichtbare krachten zijner eigene ziel te verstaan, te beheerschen en harmonisch te schikken, is de eindelijke bestemming van ieder wezen en schepsel. Sommige menschen in het verleden hebben dit heerlijke en verheven doel bereikt; en ook tegenwoordig zijn anderen evenzoo geslaagd, en dit moet geschied zijn, alvorens iemand de rustplaats kan binnentreden, waarbinnen hij alles ontvangt, wat noodig is voor zijn welzijn en geluk, zonder strijd en volkomen vrij van pijn.

In een eeuw als de tegenwoordige, nu, in alle beschaafde landen, het levenskoord tot zijne uiterste grens is gespannen, nu menschen in ieder deel van ’t leven met elkander ter wille van de ijdelheden en stoffelijke bezittingen van dit vergankelijk bestaan strijd voeren, en mededinging of wedijver tot zijn uiterst mogelijke grens hebben ontwikkeld — in zulk eene eeuw worden de verheven hoogten der wetenschap gemeten; de meest indrukwekkende geestelijke overwinningen worden behaald; want als de ziel het zwaarst beproefd wordt, is haar nood het grootst en waar de nood groot is, zal ook de krachtsinspanning groot zijn. Waar dus ook de verleidingen machtig zijn, te grooter en duurzamer zal daar de overwinning wezen. De menschen houden van den wedijverenden strijd met hunne medeschepselen, wijl dit ze winst en geluk belooft en schijnt te brengen; maar als de onvermijdelijke reactie komt en het koude staal van het zelfzuchtig streven, gedwongen door hun eigen handen, in hun eigen hart treedt, dan, maar ook eerst dan, zoeken zij een’ beleren weg. „Zalig zijn zij, die treuren” — die zijn gekomen tot het einde van den strijd; zij hebben de pijn en zorg leeren kennen, waartoe deze leidt; want voor dezulken, doch ook voor hen alleen, kan de deur geopend worden, die tot het Koninkrijk van Vrede voert.

Om dit Koninkrijk te zoeken, is het noodzakelijk het wezen en den oorsprong te verstaan van alles, wat het vinden ervan zou kunnen verhinderen — namelijk de strijd in de Natuur, de wetten van mededinging in menschelijke zaken, en de algemeene onrust, onzekerheid en vrees, die deze factoren vergezellen; want zonder zulk begrijpen kan er geen gezond begrip omtrent de oorzaak van het ware en het valsche in het leven gevormd worden en kan geen geestelijke vooruitgang ontstaan. Vóórdat het ware begrepen en genoten kan worden, moet het valsche ontsluierd zijn. Vóórdat het werkelijke als het wezenlijke kan erkend worden, moeten de valsche voorstellingen, die het onkenbaar maken, vernietigd worden; en vóór de grenzenlooze uitgebreidheid der Waarheid zich aan ons kan vertoonen, moet de beperkte ondervinding, die zich tot de wereld van het zichtbare en tot oppervlakkige indrukken bepaalt, worden overschreden.

Laten daartoe die mijner lezers, die bedachtzaam en ernstig zijn en die ijverig zoeken of gewillig zijn, ijverig te zoeken naar de basis van denken en gedrag, die de verbijsterende ingewikkeldheden en ongelijkheden van het leven vereenvoudigt en in samenklank brengt, stap voor stap met mij voortwandelen, als ik den Weg naar het Koninkrijk openstel; eerst afdalende in de hel (de wereld van strijd en zelfzucht), opdat wij daarna tot in den Hemel (de wereld van Vrede en Liefde) mogen opklimmen.

Het is de gewoonte in mijne huishouding, gedurende de koude wintervorsten voedsel voor de vogels uit te strooien, en het is een opmerkelijk feit, dat deze schepselen, als zij werkelijk van gebrek stervende zijn, meest vriendschappelijk te zamen leven, terwijl zij zich tegen elkander plaatsen, om malkaar warm te houden, zoodat van twist geen sprake is; en zoo hun een weinig voedsel wordt gegeven, zullen zij dit evenzoo zonder gekibbel verorberen; maar niet zoodra ontvangen zij grooter hoeveelheid dan zij behoeven, om zich te voeden, of de strijd om ’t bezit van het begeerde te veel volgt dadelijk. En in geval we een heel brood gaven, zou de twist eerst recht heftig worden en van langen duur zijn, hoewel er meer zou wezen dan zij bij machte zijn gedurende verscheidene dagen op te eten. Sommigen, die schrokten tot zij niet meer konden, zouden eindelijk op het brood gaan staan en er de wacht houden, en door hevig naar alle nieuwe aankomelingen te pikken, trachten te voorkomen, dat deze ook maar iets te eten kregen. En te gelijk met dit heftig optreden zouden ze nog een groote vrees toonen. Bij iederen mondvol voedsel, die zij namen, zouden ze met zenuwachtige vrees om zich heen zien, bang hun voedsel of hun leven te verliezen.

In dit eenvoudige voorval hebben wij een teekening — wreed, misschien, maar waar — van den grondslag en uitwerking van den strijd om het bestaan in de Natuur en in menschelijke zaken. Het is geen schaarschte, die wedijver doet ontbranden, het is overvloed, zoodat hoe rijker en weelderiger een volk wordt, des te vinniger en te heftiger wordt de wedijver, om zich zoowel van het noodige als het overtollige in dit leven te voorzien. Laat hongersnood een volk treffen, en dadelijk vervangen medelijden en medegevoel den onderlingen naijver, en in de zaligheid van geven en ontvangen genieten de menschen een’ voorsmaak van die hemelsche zaligheid, die de geestelijk wijze gevonden heeft, en die allen ten laatste zullen bereiken.

Het feit, dat overvloed, en niet schaarschte, naijver doet ontstaan, moet den lezer voortdurend voor oogen staan, want dit werpt een zoeklicht op ieder vraagstuk, dat het sociale leven en het gedrag der menschen raakt. En wordt het daarenboven ernstig overdacht, en de lessen, die er uit te leeren zijn, op ons persoonlijk gedrag toegepast, dan zal ons de Weg geopend worden, die tot het Koninkrijk voert.

Laat ons nu de oorzaak van dit feit opsporen, ten einde te ervaren welke fouten of gebreken er mee samengaan of er uit voortspruiten.

Ieder verschijnsel in maatschappelijk en nationaal leven (evenals dat in de Natuur) is een gevolg, en al deze gevolgen zijn geschapen door een oorzaak, die niet alleen niet ver gezocht en verwijderd is van, maar die ook de onmiddellijke ziel en het leven van dit gevolg vormt. Zooals de bloem het zaad bevat en het zaad weer de bloem, zoo is de betrekking tusschen oorzaak en gevolg innig en onafscheidelijk. Een gevolg wordt dus bezield en voortgeplant of uitgebreid, niet door een leven, onafscheidelijk eigen aan zich zelve, maar door het leven en den aandrift, die de oorzaak in zich bevat.

Als wij een blik op de wereld rondom ons slaan, leeren wij haar kennen als een strijdperk of kampplaats, waar personen, vereenigingen en volken onafgebroken om den voorrang strijd voeren en om het bezit van het grootste deel van wereldsch goed te bemachtigen. We zien ook, dat de zwakkeren verslagen uitvallen, en dat de sterken — dat zijn zij, die welgewapend zijn om den strijd met onverminderd vuur voort te zetten — de overwinning behalen en tot bezit geraken. En te gelijk met den strijd zien wij het lijden, dat er onafscheidelijk mee verbonden is — mannen en vrouwen, gebroken onder het gewicht hunner verantwoordelijkheid, die in hun pogen falen en alles verliezen; families en vereenigingen, uiteengespat; en volken, onderdrukt en zonder vrijheid. Wij zien zeeën van tranen, die van diepe zielepijn en groot verdriet spreken; we zien pijnvolle scheidingen en vroeg en onnatuurlijk sterven; en wij weten, dat dit leven van strijd, ontdaan van den uiterlijken schijn, niets dan een leven van zorg is.

In ’t kort geschetst zijn, zoodanig de verschijnselen, die wij bespeuren, in verband met die zijde van het menschelijk leven, die wij thans beschouwen; aldus zijn de gevolgen, zooals wij ze zien; en zij hebben ééne zelfde oorzaak, die in het menschelijk hart zetelt. Evenals de veelvormige verscheidenheden van het plantaardig leven denzelfden bodem deelen, waaraan zij ’t noodige voor hun onderhoud ontleenen dat ze gedijen doet, evenzoo wortelen alle verschillende handelingen van ’t menschelijk leven in en ontleenen hun vermogen aan ééne zelfde oorzaak — het menschelijk hart. De oorzaak van alle lijden en alle geluk troont niet op de uiterlijke handelingen van ’t menschelijk leven, maar op de innerlijke handelingen van hart en gemoed; en iedere uitwendige verrichting wordt gevoed uit het leven, dat zij aan het menschelijk gedrag ontleent.

Her bewerktuigde levensbeginsel in den mensch graaft voor zich zelve kanalen, waarlangs het zijn inwendig opgehoopte vermogens kan doen uitstroomen; maakt voor zich zelve voertuigen, waardoor het zijne macht kan openbaren en zijne ervaringen kan oogsten en als gevolg daarvan, hebben wij onze godsdienstige, sociale en politieke regelingen.

Alle zichtbare openbaringen van het menschelijk leven zijn gevolgen; en als zoodanig, hoewel zij terugwerkende kracht kunnen bezitten, kunnen zij nooit oorzaken worden, maar moeten zij voor immer blijven wat zij zijn — doode gevolgen, in ’t leven geroepen door eene voortdurende en diepzinnige oorzaak.

Het is de gewoonte der menschen, in de wereld dezer gevolgen rond te dwalen en zijne begoochelingen voor werkelijkheden aan te zien, terwijl zij eeuwig deze gevolgen verplaatsen en ordenen, ten einde tot eene oplossing der menschelijke vraagstukken te geraken, in plaats van tot de onderliggende oorzaak af te dalen, die dadelijk het middelpunt vormt, dat ze alle vereenigt en die de basis is, welke tot eene oplossing of verklaring van het menschelijk leven voert, die vrede schenkt.

De strijd in de wereld in al zijne vormen, ’t moge dan oorlog, maatschappelijke of politieke twisten, haat tusschen secten, persoonlijke woordenwisselingen, of mededinging in handelszaken gelden, heeft zijn’ oorsprong in ééne gemeenschappelijke oorzaak: persoonlijke zelfzucht. En ik gebruik dit woord: zelfzucht, in verreikende beteekenis. Ik reken er alle vormen van zelfzucht en egoïsme toe — waarmee ik bedoel het voldoen aan alle eigen wenschen, tegen welke prijs dan ook.

Deze zelfzucht is het leven en de ziel van onderlingen naijver en van den strijd om het bestaan. Van zelfzucht ontdaan, hebben deze geen bestaan meer. Maar in het leven van ieder persoon, in wiens hart zelfzucht, in welken vorm ook, voorkomt, worden deze wetten in werking gesteld en is die persoon aan haar onderworpen.

Ontelbare staathuishoudkundige stelsels faalden, en moesten falen, om dien strijd in de wereld te verdelgen. Zij zijn de uitkomst der be-driegelijke voorstelling, dat uitwendige regeeringstelsels oorzaken van dien strijd zijn, terwijl zij slechts de uitwendig zichtbare en vergankelijke gevolgen van den inwendigen strijd zijn, de kanalen, waardoor deze zich meest noodzakelijk moest openbaren. Het kanaal te vernietigen is, en moet steeds, zonder gevolgen blijven, wijl de innerlijke kracht onmiddellijk voor zich zelve een ander kanaal zal maken en nog een en nog een ander, telkens weer. Strijd kan niet ophouden; en de wetten van onderlingen naijver moeten blijven heersenen, zoolang zelfzucht in het hart gekweekt wordt. Alle hervormingen moeten falen, zoolang dit bestanddeel niet wordt erkend of niet in rekening wordt gebracht; alle hervormingen zullen slagen, waar zijn bestaan erkend wordt en stappen worden genomen, het te vernietigen.

Zelfzucht dus is de wortel-oorzaak van naijver of mededinging, de grond waarop alle stelsels van mededinging berusten, en de steeds voedende oorzaak van de wetten in den strijd om het bestaan. Het zal zoodoende duidelijk worden, dat alle stelsels van mededinging, al de zichtbare handelingen in den strijd van den eenen mensch tegen den anderen, zijn als de bladeren en takken van een’ boom, die de geheele aarde overdekt, terwijl zijn wortel persoonlijke zelfzucht is, en zijn gerijpte vruchten niet anders dan pijn en zorg zijn. Deze boom kan niet vernietigd worden door slechts zijne takken af te houwen; maar om afdoend te handelen, moet zijn wortel uitgeroeid worden.

Maatregelen te treffen in den vorm van veranderd uitwendige toestanden, is slechts het afkappen van de lakken; en wijl hetafhouwen van sommige takken van een’ boom nieuwe levenskracht schenkt aan die, welke overblijven, hebben de beste middelen, die aangewend worden om den strijd om het bestaan te bemantelen, dezelfde uitkomst, wanneer die middelen uitsluitend de uitwendige gevolgen betreffen; en zij zullen kracht en leven aan den boom der zelfzucht toevoegen, wiens wortels worden gevoed en gesterkt door het menschelijk hart. Het uiterste, dat wetgeving kan tot stand brengen, is het snoeien der takken, om zoo te voorkomen, dat de boom geheel in ’t wild voortgroeit.

Machtige pogingen worden thans aangewend om een Tuinstad te stichten, die een waar Eden zal zijn, te midden van boomgaarden geplant, en wiens inwoners, vergelijkenderwijs gesproken, in gemak en in rust zullen leven. En schoon en loffelijk zijn al deze pogingen, als zij door onzelfzuchtige liefde werden ingegeven. Maar zulk eene stad kan niet bestaan, of kan niet lang het Eden blijven, dat het in zijn’ uiterlijken vorm bedoelt te zijn, tenzij de meerderheid harer inwoners de innerlijke zelfzucht voor goed heeft onderdrukt en overwonnen. Zelfs één vorm van zelfzucht, namelijk toegevendheid jegens zich zelven, zoo deze door hare inwoners gevoed wordt, zal de stad volkomen ondermijnen, hare boomgaarden tot den grond toe vellen, hare schoonste huizen opnieuw in markten, waar men weer om het bestaan gaat strijden en in aanstootgevende middelpunten voor de persoonlijke voldoening van eetlust doen verkeeren, en sommige harer openbare gebouwen in instellingen, om de orde te handhaven; en op hare openbare ruimten zullen gevangenissen, ziekenhuizen en weeshuizen verrijzen, want waar de geest van toegevendheid jegens zich zelven bestaat, worden de middelen, om daaraan te voldoen, onmiddellijk aanvaard, zonder met het goed van anderen of der gemeenschap rekening te houden, (want zelfzucht is steeds blind), zoodat de vruchten of gevolgen dier voldoening spoedig geoogst worden. De bouw van aangename woningen en het planten van schoone boomgaarden en tuinen kan nooit uit zich zelve een Tuinstad stichten, tenzij hare inwoners geleerd hebben, dat zelfopoffering beter is dan zelfbescherming, en zij eerst in hun eigen hart de Tuinstad der onzelf-zuchtige liefde moeten stichten. En wanneer een voldoend aantal mannen en vrouwen dit gedaan hebben, zal de Tuinstad verschijnen, en zij zal groeien en bloeien en groot zal hare vrede zijn, want uit het hart zijn de uitgangen des levens.

Nu wij bevonden hebben, dat de worteloorzaak van alle mededinging en twist of strijd zelfzucht is, rijst natuurlijk de vraag, hoe deze oorzaak moet worden behandeld, want het spreekt als van zelve, dat, zoodra de oorzaak vernietigd is, geen nieuwe gevolgen kunnen ontstaan; terwijl bij een oorzaak, die gevoed wordt en uitgebreid, al hare gevolgen, zij mogen dan van buiten af gematigd worden, zich moeten doen gelden.

Ieder mensch, die zijne gedachten diep heeft gevestigd op het vraagstuk van het leven, en met medegevoel het lijden der menschheid heeft overpeinst, heeft bevonden, dat zelfzucht de wortel van alle smart is — inderdaad is dit eene der waarheden, die het eerst door den denkenden geest wordt waargenomen en verstaan. En te gelijk met deze gewaarwording is in zijn binnenste een verlangen geboren, om eene manier te vinden, waardoor deze zelfzucht kan overwonnen worden. De eerste aandrang, die zoo iemand in zich voelt opkomen, is te beproeven een zoodanige uitwendige wet te ontwerpen, of sommige nieuwe maatschappelijke regelingen of voorschriften in te voeren, die paal en perk zullen stellen aan de zelfzucht van anderen. Het tweede gevoel, dat zijn geest beheerscht, is een gevoel van machteloosheid, dat hem bekruipt, als hij staat tegenover den ijzeren muur van zelfzucht, dien hij het hoofd moet bieden. In het eene zoowel als in het andere geval is zijn pogen het gevolg van gebrekkige kennis omtrent datgene, waardoor zelfzucht ontstaat. En deze gedeeltelijke kennis beheerscht hem, omdat hij, hoewel hij in zich zelven de grover vormen van zelfzucht overwonnen heeft, in andere en meer verwijderde en verborgen richtingen, nog zelfzuchtig is. Dit gevoel van hulpeloosheid is de inleiding tot één van twee toestanden — de mensch zal in wanhoop zich zelven opgeven, en weer tot de zelfzucht der wereld terugvallen, of hij zal zoeken en overpeinzen, tot hij een’ anderen weg vindt, die hem uit de moeilijkheid voert. En dien weg zal hij vinden. Steeds dieper en altijd dieper blik slaande in het leven, zal hij door overdenken, peinzen, onderzoeken en ontleden; door met de kracht van zijn denken de worsteling tegen iedere moeilijkheid en met ieder vraagstuk te wagen, door met gloeiende liefde voor de waarheid dag aan dag ontwikkeling te zoeken — door al deze middelen geholpen, zijn hart doen groeien en zijn begrip uitbreiden, en eindelijk zal hij inzien, dat de manier om zelfzucht te vernietigen, niet is te trachten een’ vorm ervan in andere menschen uit te roeien, maar haar met tak en wortel in zich zelven te vernietigen.

Deze waarheid te gevoelen, veroorzaakt geestelijke verlichting, en wanneer het gemoed dit eenmaal gevoelt, wordt den mensch het „moeilijke en nauwe pad” geopenbaard, en de schitterende Poorten van het Koninkrijk doemen reeds in de verte op. Dan past een mensch op zich zelven — en niet op anderen de woorden toe: „En wat ziet gij den splinter, die in het oog uws broeders is, maar den balk, die in uw oog is, merkt gij niet? Of hoe zult gij tot uwen broeder zeggen:

„Laat toe, dat ik den splinter uit uw oog uitdoe; en zie, daar is een balk in uw oog. Gij geveinsde, werp eerst den balk uit uw oog, en dàn zult gij bezien, om den splinter uit uws broeders oog uit te doen.”

(Mattheus 7, vers 3—5)

Als de mensen deze woorden op zich zelf kan toepassen en diensvolgens handelen, terwijl hij zonder genade zichzelven oordeelt, zal hij den weg ontdekken, die hem uit de hel van den strijd om het bestaan voert; dan zal hij zich boven de wetten der mededinging verheffen, er zich aan ontscheuren en de hoogere wetten der Liefde vinden, waarmee, te gelijk dat hij zich aan deze onderwerpt, ieder kwaad hem zal ontvlieden, en de genoegens en zegeningen, die de zelfzuchtige te vergeefs zoekt, zullen hem voortdurend wachten. En niet slechts dit, maar nu hij zich zelf heeft verheven, zal hij ook de wereld verheffen. Door zijn voorbeeld zal menigeen den Weg zien en dien volgen. En de machten der duisternis zullen de zwakkere zijn, nu hij leerde te leven.

Hier kan gevraagd worden: „Maar zal de mensch, die zijne zelfzucht heeft overwonnen, en daarmee de zucht tot naijver, niet lijden door de zelfzucht en den naijver zijner omgeving? Zal hij niet, na al de moeite, die hij zich getroostte, om zich zelven te reinigen, door den invloed der onreinen tot lijden gedoemd worden?” — Neen, dit zal hij niet. De rechtvaardigheid der Goddelijke Wet is volmaakt, en kan niet in onrecht worden omgezet, zoodat het onmogelijk is voor iemand, die zelfzucht heeft overwonnen, onderworpen te zijn aan die wetten, die door de daad der zelfzucht in werking worden gebracht; met andere woorden: ieder individu (persoon) lijdt slechts door de ondeugd zijner eigene zelfzucht. Het is waar, dat de zelfzuchtigen allen aan de wetten der mededinging onderworpen zijn, en gezamenlijk lijden, terwijl ieder meer of minder handelt als het werktuig, waardoor anderer lijden ontstaat,’t geen, oppervlakkig beschouwd, het doet voorkomen, alsof menschen meer voor anderer dan voor eigen zonden lijden moeten. Maar de waarheid is, dat in een heelal, waarvan de eenige grondslag harmonie of overeenstemming is, en die slechts kan in stand blijven, door de volmaakte schikking van al zijne deelen, ieder lid loon naar eigen werk ontvangt en slechts in en door zich zelven lijden kan. Ieder mensch komt onder de wetten van zijn eigen wezen, nooit onder die van anderen, ’t Is waar: hij zal lijden evenals een ander, en zelfs door de werkzaamheid van een ander, als hij verkiest onder dezelfde verhoudingen als deze te gaan leven. Maar als hij kiest die toestanden te ontvlieden, en te midden van een aantal betere en hoogere toestanden te leven, die den ander onbekend zijn, zal hij ophouden onder den invloed van lagere wetten te geraken.

Laat ons nu terugkeeren tot het zinnebeeld van den boom, en de overeenkomst een weinig verder uitwerken. Evenals de bladeren en takken door de wortels gevoed worden, ontleenen deze hunne voeding aan den bodem, waarin zij blindelings in duisternis rondwoelen, om het noodige tot steun van den boom te vinden. Op dezelfde wijze betrekt de zelfzucht, die de wortel van den boom van het kwaad en van het lijden is, hare voeding van den donkeren grond der onwetendheid. Hierin gedijt zij; hierop staat zij vast en bloeit. Door onwetendheid bedoel ik iets dat hemelsbreed verschilt van gebrek aan kennis; en den zin, waarin ik het gebruik, zal duidelijk worden, als ik vervolg.

Zelfzucht tast altijd in het duister. Zij heeft geen kennis; door hare eigenaardige natuur is zij gescheiden van de bron van het licht; zij is een blinde aandrift, weet niets, gehoorzaamt aan geen enkele wet, omdat zij er niet ééne kent en is daarbij vast verbonden aan die wetten der mededinging, door wier invloed lijden ontstaat, opdat harmonie gehandhaafd blijve. Wij leven in een wereld, in een Heelal, overvloedig rijk aan alle goede dingen. Zoo groot is de overvloed van geestelijke, verstandelijke en stoffelijke zegeningen, dat iedere man en iedere vrouw op deze aardbol niet slechts van alle noodig goed kan voorzien worden, maar te midden van een’ overvloedigen rijkdom kon leven, en nog veel kon sparen. En toch, ten spijt van dit alles, wat een schouwspel van onwetendheid zien wij. Aan den eenen kant zien wij millioenen mannen en vrouwen in onophoudelijke slavernij geketend, tot vervelens toe zwoegend, ten einde een armzaligen en schralen maaltijd en een kleed, waarmee ze hunne naaktheid dekken, te verdienen; en aan den anderen kant zien wij duizenden, die reeds meer hebben, dan zij behoeven en goed kunnen leven, zich zelven berooven van al de zegeningen van een waar leven en van de uitgebreide gelegenheden, die hunne bezittingen hun schenken, om van deze laatste steeds meer op te hoopen, stoffelijke dingen dus, waarvan ze niet eens een behoorlijk of wettig gebruik weten te maken. Inderdaad : mannen en vrouwen bezitten geen meerdere wijsheid dan de beesten, die over het bezit van datgene vechten, wat meer bedraagt, dan zij alle kunnen gebruiken; en ’t geen zij alle in vrede zouden kunnen genieten.

Tot zulk een’ toestand van zaken kan men alleen door diepe, door duistere onwetendheid vervallen; zoo duister en dom, dat zij volmaakt ondoordringbaar is, behalve voor het onzelfzuchtige oog van wijsheid en waarheid. En te midden van al dit vechten om eene plaats en voedsel en kleeding, werkt ongezien, doch machtig en onfeilbaar, de alles-overheerschende Wet der Rechtvaardigheid, die aan ieder individu het loon voor goed en slecht gedrag uitbetaalt. Die Wet is onpartijdig; zij schenkt geen voorrechten; zij geeft evenmin onverdiende straffen. Een dichter zei van deze Wet:

„Zij kent wraak noch vergiffenis; maar hare maten meten uiterst zuiver;
haar balans weegt zonder de geringste fout; tijd kent zij niet;
of zij morgen of eerst na vele, vele dagen recht spreekt,
in elk geval blijft het rechtspreken niet uit”.

De rijken zoowel als de armen lijden voor hunne eigene zelfzucht; en niemand ontsnapt. De rijken hebben zoowel hun bijzonder lijden als de armen. Nog erger: de rijken zijn voortdurend bezig, hunne rijkdommen te verliezen en de armen spannen zich voortdurend in, om ze te verwerven. De arme man van heden is de rijke van morgen en omgekeerd. Er is geen evenwicht, geen zekerheid in zulke helsche toestanden en slechts korte en toevallige tijden komen voor, gedurende welke lijden van allerlei vorm tijdelijk wordt onderbroken. En daarnevens: vrees vervolgt steeds de menschen als een groote schaduw, want hij, die zelfzuchtig kracht verkrijgt en ontwikkelt, zal steeds door een gevoel van onzekerheid vervolgd worden, en voortdurend vreezen, zijne bezitting te verliezen, terwijl de arme man, die zelfzuchtig zoekt of hunkert, om stoffelijke rijkdommen te verwerven, steeds door de vrees voor groote armoede wordt gekweld. En alle dezen, die in deze onder-wereld of helsche strijd leven, worden beheerscht door ééne groote vrees — de vrees om te sterven.

Omringd door de duisternis der onwetendheid en zonder eenige kennis omtrent die eeuwige algemeene waarheden, die ons leven verzekeren en waaruit alle dingen voortkomen, werken de menschen onder de bedrie-gelijke voorstelling, dat de belangrijkste en meest wezenlijke dingen in dit leven voedsel en kleeding zijn, en dat het hun eerste plicht is, deze te verwerven, in ’t geloof, dat deze uitwendige zaken de bron en oorzaak vormen van alle gemak en geluk. Het is het blinde dierlijke instinct voor zelfbehoud, (zorg voor eigen lichaam en persoonlijkheid), door de kracht van welke iedere mensch zich tegenover andere menschen stelt, om een bestaan te krijgen, of een welgesteld man te worden, in de vaste overtuiging, dat, als hij niet onophoudelijk andere menschen in de gaten houdt, en voortdurend den strijd hernieuwt, zij hem ten laatste het brood uit den mond zullen nemen.

Het is uit deze eerste bedriegelijke voorstelling, dat de gansche reeks van bedriegelijke voorstellingen ontspruit, met al het lijden, dat er noodzakelijk aan verbonden is, in de wereld rondom ons. Voedsel en kleeding zijn niet de wezenlijke dingen in het leven; en in geen geval de oorzaken van geluk. Zij zijn niet wezenlijk, onwerkelijk, slechts gevolgen, en als zoodanig worden zij door het verloop en de werkzaamheid van de natuurlijke wet der wezenlijkheden, der onderliggende oorzaak, voortgebracht. De wezenlijke, de waardevolle dingen in het leven, zijn de voortdurende bestanddeelen van het karakter: oprechtheid, trouw, rechtvaardigheid, zelfopoffering, medelijden, liefde; en uit deze alle komen goede dingen voort. Voedsel, kleeding en geld zijn doode gevolgen; er is in hen geen leven, geen macht, dan die wij er zelve aan toekennen. Zij zijn zonder deugd en ondeugd, en kunnen zegenen noch schaden. Zelfs het lichaam, waarvan de menschen gelooven, dat zij datzelve zijn, waaraan zij zich vastklampen en dat zij wenschen te behouden, moet binnen kort aan de stof worden overgegeven. Maar de hoogere bestanddeelen of eigenschappen van het karakter, zijn het leven zelf; en hen in praktijk te brengen, ze te vertrouwen en geheel in ze op te gaan, dat brengt het Koninkrijk der Hemelen tot stand.

De man, die zegt: „Vóór alle dingen wil ik een bestaan verdienen en mij eene goede positie in het leven verzekeren, en zal dan daarna mijn gemoed aan deze hoogere zaken wijden”, begrijpt deze hoogere dingen niet, gelooft ook niet, dat zij van hoogere waarde zijn; want als hij zulks deed, zou het hem onmogelijk zijn, ze te verwaarloozen. Hij gelooft, dat de stoffelijke uitwassen van het leven de hoogste zijn, en daarom zoekt hij hen het eerst. Hij gelooft, dat geld, kleeding en positie van groot en wezenlijk belang zijn, terwijl hij rechtschapenheid en waarheid op zijn hoogst daarna, dus in de tweede plaats, de aandacht waardig keurt; want de mensen offert dat, wat hij het mindere acht, steeds op aan ’t geen hij het meerdere rekent. Onmiddellijk houdt een mensch op in de eerste plaats naar het verkrijgen van voedsel en kleeding te jagen, zoodra hij gevoelt en innig overtuigd is, dat rechtschapenheid of reinheid des harten van meer waarde is; en dan begint hij voor de laatste te leven. Hier is het, dat wij tot de lijn komen, die beide Koninkrijken — Hemel en Hel — scheidt.

Als een mensen eens de schoonheid en de voortdurende werkelijkheid van reinheid des harten heeft ingezien, verandert zijne geheele gemoedsgesteldheid tegenover hemzelve en anderen en jegens alle dingen in en rondom hem. De liefde voor eigen bestaan laat hem langzamerhand los; de zucht naar zelfbehoud sterft weg, en de beoefening der zelfverzaking vangt aan. In plaats van anderen of hun geluk aan zijne zelfzucht op te offeren, offert hij voortaan zich zelve en zijn eigen geluk aan het welzijn van anderen. En zich aldus boven zich zelven verheffend, verheft hij zich boven den strijd om het bestaan, die het gevolg van zelfzucht is en boven de wetten der mededinging, die slechts heerschen in het rijk der zelfzucht en hare blinde aandriften regelen. Hij is gelijk aan een mensch, die een berg heeft beklommen en daardoor alle storende hindernissen beneden zich in de dalen heeft gelaten. De wolken storten stroomen regen omlaag; de donders rollen en de bliksems doorschieten het luchtruim, mist veroorzaakt dikke duisternis, en de orkanen ontwortelen en vernielen, maar zij kunnen hem op de kalme hoogten, waar hij staat, niet bereiken, daar, waar hij dwaalt te midden van zonneschijn en vrede.

In het leven van zulk een mensch houden de lagere wetten op te heerschen en hij komt onder de bescherming eener hoogere Wet — namelijk de Wet der Liefde; en in overeenstemming met zijne trouw en gehoorzaamheid aan deze Wet, zal alles wat voor zijn welzijn noodig is, hem geworden, wanneer hij dit wenscht. Het denkbeeld, om in de wereld eene positie te verwerven, kan hem niet meer beheerschen en nauwelijks denkt hij meer aan levensbehoeften als geld, voedsel en kleeding. Maar, terwijl hij zich zelven voor het welzijn van anderen opoffert en al zijne plichten zorgvuldig en zonder aan loon te denken, vervult, terwijl hij dagelijks weer volgens de tucht der rechtschapenheid leeft, geworden hem alle andere dingen op den rechten tijd en in de juiste orde. Evenals lijden en strijd eigen zijn aan en voortkomen uit hunne wortel-oorzaak: zelfzucht, evenzoo zijn zegening en vrede eigen aan en komen voort uit hunne wortel-oorzaak: reinheid des harten of rechtschapenheid. En het is een volle en alles omvattende zegen, volmaakt en uitnemend in iedere levensomstandigheid, want dat, wat zedelijk en geestelijk goed is, is ook lichamelijk en stoffelijk goed.

Zulk een mensch is vrij, want hij is van alle angst, kwelling, vrees, moedeloosheid, al die geest-verontrustende zaken, die hun bestaan aan de zelfzucht ontleenen, losgemaakt, en hij leeft in onafgebroken vreugde en vrede, en dit zelfs, terwijl hij in het heetst van den strijd om het bestaan verkeert en leeft. Toch, hoewel hij midden in de Hel wandelt, en de hellevlammen hem van voren en van achteren omsingelen, kan geen haar van zijn hoofd gezengd worden. Hoewel hij te midden van de leeuwen der zelfzucht wandelt, zijn hunne klauwen voor hem gesloten en schaadt hem hunne wreedheid niet. Hoewel aan alle zijden, in den heftigen strijd om het bestaan, menschen om hem heen neerstorten, hij valt niet, noch wordt hij teleurgesteld, want geen doodelijke kogel kan hem treffen, noch kan een giftige pijl door het ondoordringbaar masker zijner rechtschapenheid heen boren. Terwijl hij het kleine, persoonlijke, zelfzuchtige leven van lijden, angst, vrees en gebrek heeft verloren, heeft hij het onbegrensde, overwinnende, naar volmaking strevend leven van vreugde, vrede en overvloed gevonden.

„Daarom: zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten?, of Wat zullen wij drinken?, of Waarmede zullen wij ons kleeden?... Want uw Hemelsche Vader weet, dat gij alle deze dingen behoeft. Maar zoek eerst het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid en alle andere dingen zullen u worden toegeworpen.”

(Matth. 6, vs. 33)

3. Het vinden van de ware Levenswet

Hoe zal een mensch het Koninkrijk vinden? Met behulp van welke handeling zal hij het Licht ontdekken, dat zijne duisternis verdrijven kan ? en op welke wijze kan hij de inwendige zelfzucht, die zoo sterk is en zoo diep is ingeworteld, overwinnen? Een mensch zal het Koninkrijk bereiken door zich zelven te reinigen, en hij kan dit slechts doen door onophoudelijk zelf-onderzoek en zelf-ontleding. De zelfzucht moet ontdekt en begrepen worden, voor zij kan worden weggenomen. Zij is niet bij machte, uit zich zelve te verdwijnen, en kan zich zelve niet eens verplaatsen. Duisternis eindigt slechts daar, waar het licht wordt binnengelaten; evenzoo kan onwetendheid slechts door Kennis verdreven worden; en zelfzucht door Liefde. Terwijl we zien, dat zelfzucht geen zekerheid, geen vastheid, geen vrede schenkt, bestaat het geheele werk van zoeken naar het Koninkrijk, in het zoeken naar de ware Levenswet, eene goddelijke en onveranderlijke Levenswet, waarop de mensen zeker kan betrouwen, bevrijd van zich zelven — d. w. z. van het zelfzuchtige in hem, van de onderdrukking en de slavernij, die door dat zelfzuchtige geëischt en gevraagd wordt. Een mensch moet vóór alles gewillig zijn, zich zelf te verliezen (zijn zich-zelf-zoekend zelf), voor hij zich zelven kan vinden (zijn goddelijk-zelf). Hij moet inzien, dat zelfzucht niet waard is, er zich aan te hechten; dat deze eene meesteres is, die zijne diensten niet waard is en dat goddelijke Goedheid slechts in zijn hart troonen mag als de opperste meester van zijn leven. Dit beteekent, dat hij geloof moet hebben, want zonder deze uitrusting kan er noch vooruitgang noch voleinding volgen. Hij moet gelooven in de wenschelijkheid van reinheid, in het oppergezag van rechtschapenheid, in de steunende kracht, die braafheid schenkt; hij moet steeds de Ideale en Volmaakte Goedheid zich voor oogen stellen en met onverdroten ijver en steeds hernieuwd pogen ernaar streven, om zijne volmaking te beëindigen. Dit geloof moet gevoed worden en zijne ontwikkeling aangemoedigd. Als een lamp moet het in orde gebracht, gevoed en in het hart brandende gehouden worden, want zonder zijne stralende, lichtende vlammen zal er in de duisternis geen weg te ontdekken zijn; hij zal geen pad ontdekken, dat hem aan zich zelven ontvoert. En als de vlam grooter wordt en met minder flikkerend licht gaat branden, dus vaster licht verspreid, zullen wilskracht, beslistheid en zelfvertrouwen hem te hulp komen en bij iederen stap zal zijne vooruitgang versneld worden, totdat eindelijk het Licht der Kennis de plaats van de lamp van het geloof zal innemen, en de duisternis zal aanvangen voor haar onderzoekende pracht te verdwijnen. De Wetten van het goddelijke Leven zullen binnen zijn gezichtskring vallen, en als hij ze naderbij treedt, zullen hunne onvergelijkelijke schoonheid en majestueuse evenredigheid zijn gezicht verbazen, en zijn hart verblijden met eene blijdschap, die tot heden onbekend was.

Langs dit pad van zelf-beheersching en zelf-zuivering (want dat is het) moet iedere ziel zijn’ weg naar het Koninkrijk vervolgen. Deze weg is zoo nauw en reeds bij den ingang zoo dik met het onkruid van zelfzucht begroeid, dat deze moeilijk te ontdekken is, en, eenmaal gevonden, niet kan behouden worden, dan door dagelijksche overpeinzing. Zonder dit worden de geestelijke krachten zwakker, en de mensch verliest het vermogen om voort te gaan. Evenals het lichaam door stoffelijk voedsel gesterkt wordt en kracht ontvangt, evenzoo wordt de geest door zijn eigen voeding gesterkt en vernieuwd — namelijk door overpeinzing van geestelijke zaken.

Dus hij, die ernstig besluit het Koninkrijk te vinden, zal beginnen te overpeinzen, en zijn hart en geest en leven streng onderzoeken bij het licht van die Opperste Volmaaktheid, die het doel van zijn streven is. Op zijn’ weg naar dat einddoel, moet hij door drie poorten van overgave treden. De eerste is: het loslaten der Begeerte; de tweede is: het loslaten van Meening; de derde is: het loslaten van het eigen Ik. Als hij tot overpeinzen komt, moet hij beginnen zijne begeerten, die hij in zijn geest moet opsporen, te onderzoeken, terwijl hij hunnen invloed op zijn leven en zijn karakter naspeurt, en hij zal spoedig inzien, dat zonder zijne begeerte te verzaken, een mensen de slaaf van zijne omgeving en omstandigheden blijft. Als hij door deze poort gaat, maakt hij een proces van zelf-discipline door, die den eersten stap vormt, om de ziel te zuiveren. Tot hiertoe heeft hij geleefd als een beest in slavernij, at, dronk, sliep en joeg genot na op den wenk en den roep zijner lagere driften; blindelings en zonder regel volgde en bevredigde hij zijne neigingen, terwijl hij geen bepaald standpunt innam, van waaruit hij zijn karakter en leven regelde. Nu begint hij echter als een mensch te leven; hij bedwingt zijne neigingen, beheerscht zijne hartstochten, en ontwikkelt een vast gemoed door deugd te beoefenen. Hij houdt op genot na te jagen, maar volgt de aanwijzingen zijner rede, en regelt zijn gedrag in overeenstemming met de eischen van een ideaal. Zoodra hij zulk een regelenden factor in zijn leven toelaat, ziet hij dadelijk in dat hij sommige gewoonten moet opgeven. Hij begint met zorg zijn voedsel te kiezen, en op vaste tijden zijne maaltijden te gebruiken, en eet niet telkens weer, als het zien van voedsel de neiging ertoe prikkelt. Hij vermindert zoowel het getal zijner maaltijden per dag als de hoeveelheid voedsel, die hij verorbert. Hij gaat niet, hoogst ongeregeld, te bed, onverschillig bij dag of bij nacht, om zich in aangenaam niets-doen te koesteren, maar slechts om zijn lichaam de noodige rust te schenken, waartoe hij zijne uren voor den slaap regelt, terwijl hij vroeg opstaat en nooit aan de dierlijke begeerte toegeeft, om in droomerig nietsdoen te genieten, na ontwaakt te zijn. Al die gewoonten van steeds eten en drinken zijn innig aan vraatzucht en gulzigheid gebonden; evenzoo aan wreedheid en dronkenschap; hij zal met die allen breken, terwijl hij de milde en verfrisschende voedingsmiddelen kiest, die Natuur in zulken rijken overvloed verschaft.

Die inleidende of voorbereidende stappen moeten dadelijk genomen worden; en als de weg van zelf-bestuur en zelf-onderzoek verder wordt vervolgd, zal een helderder en steeds helderder begrip omtrent de natuur, beteekenis en gevolgen der begeerte zich ontwikkelen, totdat men zal inzien, dat enkel het regelen der begeerten geheel en al onvoldoende en niet afdoend is, en dat de begeerten zelven moeten worden uitgeroeid; hun moet vergund worden uit het gemoed te verdwijnen en voortaan niet meer tot het karakter en het leven te behooren. Hier is het punt, waar de ziel van den zoeker het donkere Dal der Verleiding betreedt, want deze begeerten zullen niet zonder strijd sterven en zonder menige hevige poging aan te wenden, om zich opnieuw de macht en het gezag te verzekeren, waarmee zij tot hiertoe bekleed waren. En hier moet de lamp van het geloof onophoudelijk gevoed worden en ijverig van olie voorzien worden, want al het licht, dat zij kan uitstralen, wordt vereischt om den reiziger in de dikke duisternis van dit donkere Dal tot gids te dienen en te bemoedigen. In ’t eerst zullen zijne begeerten,evenals zoo vele wilde beesten, luid om voldoening brullen. Geeft ze dit niets, dan pogen ze hem te verlokken, om met hen te strijden, opdat zij hem kunnen onderwerpen. En deze laatste verzoeking is zwaarder en moeilijker te weerstaan dan de eerste, want de begeerten zullen niet tot zwijgen gebracht worden, alvorens zij in ’t geheel niet meer geteld worden; totdat zij niet meer zijne zorg ontvangen, en onvoorwaardelijk worden losgelaten en vergund, uit gebrek aan voedsel te verdwijnen en uit te sterven. Wanneer hij door dit dal trekt, zal de zoeker sommige krachten ontwikkelen, die voor zijn verder voortschrijden noodig zijn: zelf-bestuur, zelf-vertrouwen, onbevreesdheid en onafhankelijkheid van denken. Hier zal hij gedwongen worden te verdragen, dat men hem belachelijk maakt, hem bespot en zelfs valsch beschuldigt; zoo hevig zelfs, dat sommige zijner beste vrienden,’ ja, zelfs zij, die hij ’t meest en geheel onzelfzuchtig bemint, hem van dwaasheid en ongepastheid zullen beschuldigen, en alles, wat zij kunnen, in ’t werk zullen stellen, om hem te overreden, tot het leven van dierlijk nietsdoen en van zelfzucht en vertroeteling van eigen persoonlijkheid terug te keeren. Bijna iedereen in zijne omgeving zal plotseling ontdekken, dat zij zijne plicht beter kennen, dan hij zelve dit doet, en, terwijl zij geen hooger en geen ander leven kennen, dan dat van hun eigen gejaagdheid en lijden, willen zij zelfs heftige pijn verdragen, om hem tot terugtreden te bewegen, terwijl zij in hunne onwetendheid zich verbeelden, dat hij veel genoegen en geluk verliest, en in de plaats daarvan niets terug ontvangt. In ’t eerst zal deze hou-ding van anderen hem tot een plotseling gevoel van lijden doemen, maar hij zal spoedig ontdekken, dat dit lijden door zijn eigen ijdelheid en zelfzucht veroorzaakt wordt, en slechts het resultaat is van zijn eigen sluw begeeren, om erkend, bewonderd te worden, en dat men steeds goed van hem denke; doch onmiddellijk, nadat hij deze kennis heeft verworven, zal hij tot een’ hoogeren staat van bewustzijn opklimmen, waar deze dingen hem niet meer vermogen te bereiken, of pijn veroorzaken. Hier is het, dat hij zal aanvangen vast te staan en met gunstig gevolg de krachten zal gebruiken, die reeds genoemd zijn. Laat hij daartoe moedig voorwaarts gaan, terwijl hij noch den smaad zijner vrienden om hem, noch den vijanden van binnen eenige aandacht waardig keurt; strevend, zoekend, strijdend; terwijl hij steeds met den blik der liefde het oog naar zijn ideaal gericht houdt; dag aan dag zijn gemoed van zelfzuchtige beweegredenen, en zijn hart van onreine begeerte zuivert; somtijds struikelend, somtijds vallend, maar steeds reizend en rijzend naar omhoog; en als hij iederen avond in de stilte van zijn eigen hart de dagreis beschrijft en overziet, laat hem dan niet wanhopen, als maar iedere dag, ondanks al zijne tekortkomingen en fouten, getuigt van een gevoerden heiligen strijd, hoewel verloren, van een pogen, stil eene overwinning te behalen, die evenwel niet verkregen werd. Het verlies van heden zal steun bieden aan de overwinning van morgen voor ieder, wiens gemoed er naar streeft, zich zelven te overwinnen.

Als hij door het Dal voorttrekt, zal hij eindelijk de Velden van Zorg en Verlatenheid bereiken. Zijne begeerten, die van hem noch aanmoedi-ging, noch voedsel ontvingen, zijn zwak geworden, vallen weg en verdwijnen. Hij klimt nu uit het Dal, en de duisternis is minder hevig; maar nu bemerkt hij voor ’t eerst, dat hij alleen is. Het gaat hem als een mensch, die onder aan den voet van een berg staat, terwijl het nacht is. Boven hem verheft zich de trotsche top, waarboven de eeuwigdurende sterren schitteren; op slechts korten afstand onder hem zijnde vlammende lichten der stad, die hij heeft verlaten; en van daaruit stijgen de geluiden harer inwoners tot hem omhoog — eene verbijsterende mengeling van kreten, geschreeuw, gelach, rumoer, door allerlei voertuigen veroorzaakt, zoomede door de melodiën der muziek. Hij denkt aan zijne vrienden, die allen in de stad zijn, en terwijl zij hunne bijzondere genoegens najagen, is hij alleen op den berg. Die stad is de Stad van Begeerte en Genot, de berg is de Berg van Verzaking en de klimmer weet nu, dat hij de wereld heeft verlaten, dat hare opwindingen en haar strijdvoeren levenlooze dingen zijn, die hem niet meer verleiden kunnen. Terwijl hij in deze eenzame plaats een weinig rust neemt, zal hij ervaren, wat zorg is, en haar geheim leeren verstaan; ruwheid en haat zullen van hem vlieden; zijn hart zal teergevoelig worden, en de eerste flauwe sporen zullen zich vertoonen van dat goddelijk medelijden, dat daarna zijn gansche wezen zal in beslag nemen, zal overschaduwen en bezielen. Hij zal leeren in de moeiten en het lijden van al wat leeft deel te nemen en langzamerhand, als deze les geleerd is, vergeet hij zijn eigen zorgen en verlatenheid voor de groote kalme liefde voor anderen, tot zij verdwijnen. Op dit kruispunt gevoelt hij de dwaasheid der mededinging en, terwijl hij ophoudt er naar te streven, anderen te willen overtreffen en het betere van hen te bemachtigen, begint hij hen te bemoedigen, zoowel met behulp van onzelfzuchtige gedachten, als, wanneer noodig, met daden van liefde; en aldus handelt hij zelfs jegens hen, die met hem zelfzuchtig wedijveren, terwijl hij zich zelven niet meer tegen hen verdedigt. Als een oogen-blikkelijk gevolg beginnen zijn wereldsche zaken te gedijen als nooit te voren; velen zijner vrienden, die hem eerst bespotten, beginnen hem te eerbiedigen en zelfs van hem te houden, en plotseling ontwaart hij het feit, dat hij in aanraking komt met menschen van een opmerkelijk onwe-reldsche en nobele of edele soort, van wier bestaan hij geen kennis droeg, toen hij volgens zijne eigene zelfzuchtige natuur leefde. Uit allerlei richting en van verre afstanden zullen deze menschen tot hem komen, om hem te dienen, en hem vergunnen, hen wederkeerig van dienst te zijn; geestelijke omgang en liefhebbende broederschap zullen in zijn leven machtige factoren worden, zoodat hij in staat zal zijn, zich boven de Dalen van Zorg en Eenzaamheid te verheffen.

De lagere wetten van mededinging hebben nu opgehouden in zijn leven van invloed te zijn, evenzoo hunne gevolgen, die bestaan in teleurstelling, rampspoeden, armoede en die niet langer tot zijne ervaringen kunnen behooren; en dit niet enkel, omdat hij boven de lagere vormen van zelfzucht in hem zelf gestegen is, maar ook, wijl hij, aldus stijgend, zekere geestelijke vermogens heeft ontwikkeld, waardoor hij in staat is, zijne zaken met krachtiger en meesterlijker hand te besturen.

Hij heeft echter nog niet ver gereisd, of, tenzij hij onafgebroken op zijne hoede is, kan hij ieder oogenblik in de lagere wereld van duisternis en strijd terugvallen, zoodat hij tot zijne ledige genoegens terugkeert, en zijne doode begeerten tot het leven terugroept. En vooral bestaat er groot gevaar voor, als hij de grootste verleiding ontmoet, waartoe een mensch geroepen wordt, om weerstand te bieden — de verzoeking van den twijfel. Vóór hij de tweede poort bereikt, of ook maar ontdekt, n.l. het Loslaten van Meening, komt de pelgrim op den grooten woestijn der ziel: de Woestijn van den Twijfel. En hier zal hij een’ tijd lang ronddwalen, en moedeloosheid, besluiteloosheid en onzekerheid, die eene zwaarmoedige familie vormen, zullen hem als een wolk omgeven, terwijl zij den weg, die vlak voor hem ligt, verbergen. Een nieuwe en vreemde vrees zal hem mogelijk overmeesteren, en hij zal gaan betwijfelen, of de weg, dien hij volgt, werkelijk die der wijsheid is. Weer worden de verlokkingen der wereld hem aangeboden, in hun fraaist en meest aantrekkelijk kleed, en het oorverdoovend geraas en de prikkelende gejaagdheid van den wereldschen strijd zullen nog eens weer een begeerlijk uiterlijk vertoonen. „Ben ik, alles wel beschouwd, wel op den goeden weg?” „Wat winst is er eigenlijk in gelegen?” „Bestaat het leven zelf niet uit genieten en jagen en strijden, en geef ik, door deze op te geven, niet alles op?” „Ben ik niet bezig het ware geheim van het leven aan eene waardelooze schaduw op te offeren?” „Kan het ook wezen, dat ik, alles goed bezien, niet anders ben, dan een misleide dwaas, en dat al degenen, die rondom mij het leven der zinnen leiden en aan de degelijke, zekere en gemakkelijk te verschaffen genietingen vasthouden, wijzer zijn dan ik ben?”

Door zulke donkere twijfelingen en bezwaren zal hij hier worden verzocht en lastig gevallen, en deze twijfelingen zullen hem tot een dieper onderzoek van de ingewikkeldheden van het leven aansporen en in hem het gevoel doen ontwaken, hoe voor hem eene duurzame Levenswet eisch van noodzaak is, waarop hij staan, waartoe hij steeds vluchten kan. Om daartoe te komen, zal hij, terwijl hij in deze donkere woestenij ronddwaalt, met de hoogere en meer scherp belijnde bedriegelijke voorstellingen van zijn eigen gemoed in aanraking komen: de voorstellingen van het verstand.

In de Woestijn van den Twijfel ontmoet een mensch alle vormen van begoocheling, niet slechts de begoochelingen der zinnen, maar ook die der bespiegelende gedachte en godsdienstige aandoeningen. Door deze begoochelingen te toetsen, er mee te worstelen, en ze ten laatste te vernietigen, zal hij nog hoogere krachten ontwikkelen, die van onderscheiden, geestelijk waarnemen, het bezit van een vast doel en kalmte van geest, door wier beoefening hij in staat wordt gesteld, zonder zich te vergissen, het ware van het valsche te onderscheiden, zoowel in de wereld der gedachte, als in die der stoffelijke verschijnselen. Heeft hij deze machten verworven, en geleerd, hoe hij ze in zijn’ heiligen oorlog gebruiken moet; verheft hij zich uit den Woestijn van den Twijfel, dan verdwijnen de misten en luchtspiegelingen van zijn pad en dan daagt voor hem op de tweede Poort, de Poort van het Loslaten van Meening.

Als hij deze poort nadert, ziet hij den geheelen weg, waarlangs hij reist, voor zich, en voor een oogenblik krijgt hij een’ vagen indruk van de schitterende hoogten, wier top hij tracht te bereiken, waarheen hij opwaarts klimt; hij ziet den Tempel van het Hooger Leven in al zijn Majesteit, en reeds gevoelt hij in zich de kracht en de vreugde en den vrede der overwinning. Met den heer Galahad kan hij uitroepen:

„Ik.... zag de Graal,
de heilige Graal...
....en daar ver weg in de geestelijke stad
zal iemand mij tot koning kroonen.”

Want hij weet, dat hij ten laatste zal overwinnen.

Nu vangt hij een proces van zelf-overwinning aan, dat geheel verschilt van dat, wat hij tot hiertoe volgde; tot heden heeft hij zijne dierlijke begeerten overwonnen, verwisseld en vereenvoudigd; nu begint hij zijn verstand te veranderen en te vereenvoudigen. Tot nu toe heeft hij zijne gevoelens met zijn Ideaal in overeenstemming gebracht; nu vangt hij aan zijne gedachten zoo te regelen, dat zij aan zijn Ideaal beantwoorden, dat op dit punt grooter en schooner afmetingen aanneemt, en voor ’t eerst ziet hij in, wat werkelijk een vaste en onvergankelijke Levens-wet is. Hij ziet dat de rechtschapenheid of reinheid des harten, waarnaar hij zocht, vast en onveranderlijk is; dat zij zich niet schikken kan naar den mensch, maar dat de mensch tot haar moet opklimmen en haar gehoorzamen; dat die rechtschapenheid slechts eene onveranderlijke gedragslijn duldt, los van alle beschouwingen omtrent winst of verlies, van belooning of straf; dat zij in werkelijkheid niets anders beteekent, dan eigen ik los te laten, met al de zonden van begeerte, meening en eigenbelang, waaruit dat zelf is samengesteld, en door een leven te leiden, volmaakt in liefde jegens alle menschen en schepselen. Zulk een leven is volmaakt en onveranderlijk; het kent geen ommekeer, verandering of wijziging en eischt een smetteloos en volmaakt gedrag. Daardoor is het juist volkomen het tegengestelde van het wereldsche en zelfzuchtige leven.

Terwijl hij dit waarneemt, bemerkt de zoeker, dat, ofschoon hij zich van zijne lagere hartstochten en begeerten heeft vrij gemaakt, die de menschheid in slavernij ketenen, hij toch nog een slaaf is, gebonden als hij wordt door de boeien van meening; dat, hoewel hij zich gezuiverd heeft tot een zuiverheid, waarnaar weinigen trachten, en die de wereld niet begrijpen kan, hij toch nog besmet is met een vlek, die moeielijk wordt weggewasschen — hij bemint zijne eigen meeningen en heeft ze steeds met de Waarheid verward, met de Levenswet, waarnaar hij zoekt. Hij is nog niet los van strijd en bevindt zich nog in den strijd om het bestaan of onder de beheersching van de wetten, die tot wedijveren prikkelen, en die in het rijk van het verstand gelden. Hij gelooft nog, dat hij, in de meeningen, die hij koestert, gelijk heeft en dat andere dwalen; en, in zijn eigenliefde is hij zoo diep verzonken, dat hij met spottend medelijden degenen beschouwt, die meeningen koesteren, tegengesteld aan de zijne. Maar thans, nu hij de meer scherp belijnde vormen van zelfzucht ziet, die hem in boeien geklonken houden, en terwijl hij ontdekt, hoe een lange reeks van martelingen er het gevolg van zijn, wijl hij het niet te schatten bezit van geestelijk onderscheiden heeft verworven, buigt hij nederig het hoofd en treedt door de tweede Poort naar den vrede, die hem ten laatste wacht.

En nu, terwijl hij zijne ziel in het Kleed der Nederigheid hult, zet hij alle krachten aan ’t werk, om de denkbeelden, die hij tot heden heeft bemind en gekoesterd, uit te roeien. Hij leert nu te onderscheiden tus-schen zijne eigen en anderer meeningen omtrent de Waarheid, die talrijk en veranderlijk zijn. Hij ziet, dat zijne meeningen omtrent Goedheid, Zuiverheid, Medelijden en Liefde hemelsbreed van deze hoedanigheden zelve verschillen, en dat hij zich onder die goddelijke Levenswetten plaatsen moet en niet op de meeningen, die hij omtrent hen koestert. Tot hiertoe heeft hij aan zijne eigen meeningen groote waarde toegekend en die van anderen waardeloos gerekend, doch nu houdt hij op zijne eigen meeningen zoo hoog te verheffen en ze tegen anderen te verdedigen en leert ze als volkomen waardeloos beschouwen. Als een direct gevolg van dit geestelijk inzicht, brengt hij zich door de praktijk der Zuivere Goedheid in veiligheid, Goedheid, die niet vermengd wordt met lage begeerte en sluwe eigenliefde, en stelt zich onder de goddelijke Levenswetten van Zuiverheid, Wijsheid, Medelijden en Liefde, die hij in zijn gemoed prent en voortaan in zijn leven betracht. Nu is hij bekleed met de Gerechtigheid van Christus (die voor de wereld onbegrijpelijk is) en wordt hij spoedig goddelijk. Niet slechts heeft hij de duisternis der begeerte leeren kennen; maar hij heeft het ijdele van beschouwende wijsbegeerte leeren inzien, en zoo bevrijdt hij zijn gemoed van al die bovennatuurlijke spitsvondigheden, die niets met praktische heiligheid hebben uit te staan, doch wel tot hiertoe zijnen vooruitgang hebben belemmerd en hem belet hebben de duurzame werkelijkheden van het leven te zien.

En nu werpt hij, de eene na de andere, zijne meeningen en beschouwingen van zich, en begint het leven van volmaakte liefde jegens alle schepselen te leiden. Telkens wanneer hij een denkbeeld prijsgeeft en als een last wegwerpt, wordt de geest meer verlicht en nu begint hij de beteekenis van het woord: „vrij” te verstaan. De goddelijke bloemen van Blijdschap, Vreugde en Vrede ontwikkelen zich ongedwongen in zijn hart en zijn leven wordt een lied van zaligheid. En als de melodie in zijn hart in kracht zwelt, en steeds volmaakter wordt, beantwoordt zijn uiterlijk leven steeds meer aan de innerlijke muziek. Terwijl alle kracht, die hij thans uitstort, vrij is van strijd, verkrijgt hij alles, wat noodig is voor zijn welzijn, zonder pijn, angst of vrees. Hij heeft den strijd om het bestaan bijna geheel opgegeven, en de Wet der Liefde is nu de heerschende factor in zijn leven, die al zijn wereldsche zaken harmonisch regelt en dit zonder strijd of moeilijkheid van zijne zijde. Inderdaad heeft hij de strijd om het bestaan, zooals die in de handelswereld voorkomt, reeds ver achter zich, en heeft hij opgehouden in zijne stoffelijke zaken dien ook maar op eenig punt invloed te gunnen, ’t Is hier, dat hij tot een breeder en meer omvattend bewustzijn geraakt, en terwijl hij het heelal en het menschdom van uit de hoogere hoogten van zuiverheid en kennis, wier toppen hij bereikt heeft, gadeslaat, bespeurt hij de ordelijke regeling der wet in alle menschelijke zaken. Voortschrijdend op dit pad, ontwikkelt hij nog hoogere geesteskrachten en deze zijn: goddelijk geduld, geestelijke gelijkmoedigheid, geen tegenstand bieden, en profetisch inzicht. Met profetisch inzicht bedoel ik niet het voorspellen van gebeurtenissen, maar rechtstreeks inzicht in die verborgen oorzaken in ’t menschelijk leven, en inderdaad in alle leven, uit welke oorzaken de menigvuldige en algemeen gevolgen en gebeurtenissen voorspruiten.

Hier verheft zich de mensch boven den strijd om het bestaan, zooals die in de wereld der gedachten gevoerd wordt, zoodat de gevolgen van dien strijd, die beleediging, oneer, smart, vernedering, ellende en angst zijn, in zijn leven niet meer voorkomen. Als hij voortschrijdt, doemen de onvergankelijke Levenswetten voor hem op, die den grondslag en bouw van het heelal beheerschen en vormen, en meer en meer gelijkvormige afmetingen voor hem aannemen. Voor hem bestaat er geen zielesmart meer; geen kwaad kan zijne woning naderen en voor hem verrijst de dageraad van een’ eeuwigen vrede.

Maar hij is nog niet vrij. Hij heeft zijne reis nog niet beëindigd. Hij mag hier rusten, en dat zoo lang, als hij verkiest; maar vroeg of laat zal hij zich zelven tot de laatste poging inspannen, en het einddoel bereiken — den onzelfzchtigen toestand — het goddelijke leven. Van zich zelven is hij nog niet geheel losgemaakt, maar koestert nog steeds, hoewel met minder vasthoudendheid, liefde voor het persoonlijk bestaan en voor het denkbeeld van uitsluitend belangstellen in zijne persoonlijke bezittingen. En als hij eindelijk inziet, dat ook deze zelfzuchtige bestanddeelen moeten worden losgelaten, doemt voor hem op de derde Poort —de Poort van Loslating van het eigen Ik. Het is geen donker portaal, waartoe hij nu nadert, maar een, dat hel verlicht is met goddelijken glans, één brandpunt met eene schittering, waar geen aardsche glans bij halen kan, en hij schrijdt zonder onzekeren tred naar die Poort voort. De wolken van den Twijfel zijn reeds lang uit elkander gejaagd; de klanken van de stemmen der Verzoeking gingen in het dal beneden verloren; en met vasten tred, rechtopgaande houding en een hart, gevuld met onuitsprer kelijke vreugde, nadert hij tot de Poort, die het Koninkrijk van God bewaakt. Hij heeft nu reeds alles losgelaten, behalve zijne belangstelling, niet zonder eigen belang, in die dingen, die volgens wettig recht zijn eigendom zijn, maar nu ziet hij in, dat hij niets voor zich zelven moet behouden; en als hij rust aan de Poort, hoort hij een bevel, dat niet ontdoken of als niet gegeven beschouwd kan worden: Een ding ontbreekt u; verkoop al wat gij hebt en geef het den arme; en gij zult eenen schat hebben in den hemel.” En als hij door de laatste groote poort is heengegaan, staat hij daar roemrijk, stralend, vrij, ontslagen en losgemaakt van de heerschzucht der begeerte, van meening, en van eigen ik; een goddelijk mensch — zonder kwaad, geduldig, zachtmoedig, rein; hij heeft dat gevonden, waarnaar hij gezocht heeft — het Koninkrijk Gods en Zijne Gerechtigheid.

De reis naar het Koninkrijk kan lang en vervelend zijn, maar ook kort en snel worden afgelegd. Zij vraagt slechts eene minuut, maar kan ook duizend eeuwen nemen. Alles hangt af van het geloof en vertrouwen van hem, die zoekt. De meerderheid kan „niet binnengaan uit oorzaak van hun ongeloof,” want hoe kunnen menschen gerechtigheid beoefenen en beleven, zoolang zij er niet in gelooven; noch in de mogelijkheid, dat zij kan beleefd worden. Neen, het kan slechts gevonden worden, door de onzelfzuchtige vervulling van iemands plichten. Er zijn sommigen, wier geloof zoo groot is, dat zij alle persoonlijke zaken onmiddellijk uit hun gemoed kunnen bannen, en dadelijk hun goddelijk erfdeel ontvangen. Doch allen, die gelooven en er naar streven, om het Koninkrijk te bereiken, zullen vroeger of later overwinnen, indien zij, te midden hunner wereldsche plichten, den moed en evenmin het uitzicht op de Ideale Goedheid verliezen, en voortgaan, met ongeschokte vastheid van wil, om „de Volmaking te bereiken”.

4. De rust in het Koninkrijk, terwijl alle dingen worden toegeworpen

Vreugdevol is mijn leven, —

Maar ik vergeet daarbij niet, hoe vol pijnen, hoe arm, hoe zondig en ongelukkig vaak het leven van anderen is; de goden willen van ons, dat wij daarom met dezen medelijden zullen hebben.

Sir Edwin Arnold.

De geheele reis van het Koninkrijk van Strijd naar het Koninkrijk van Liefde is besloten in een proces, dat in zijn vollen omvang in de volgende woorden kan belichaamd worden: De regeling en zuivering van het gedrag.

Dit proces, indien slechts volhardend volgehouden, leidt tot volmaakt-heid. Men zal ook te zien krijgen, dat, als de mensen de macht over zekere krachten in zich zelf verkrijgt, hij kennis verkrijgt aangaande alle wetten, die in het rijk dier krachten heerschen; en door de onophoudelijke werking van oorzaak en gevolg in zich zelven te bespieden, tot hij haar verstaat, begrijpt hij ten laatste, hoe die werking met hare algemeene regelingen evenzeer voor het geheel der menschheid geldt. Terwijl hij bovendien inziet, dat alle wetten, waaraan menschelijke zaken onderworpen zijn, het direct gevolg zijn van de behoeften van het menschelijk hart, heeft hij zich zelven, door die behoeften te hervormen en te verwisselen, onder de leiding van andere wetten gesteld, die in overeenstemming met zijnen gewijzigden toestand arbeiden, doch ziet evenzeer, dat, nu hij de zelfzuchtige machten in zich zelven meester is geworden en te boven is gekomen, hij niet langer onderworpen kan zijn aan de wetten, die voor hun bestuur gelden.

Het proces is dus niet anders dan: de vereenvoudiging van het gemoed, een uitzuiveren uit het karakter van al, wat geen goud is. En als zoodoende de geest gezuiverd is, neemt de schijnbaar niet te peilen ingewikkeldheid van het heelal eenvoudiger en eenvoudiger voorkomen aan, tot gezien wordt, hoe het geheel zich oplost in en rust op slechts weinige niet te wijzigen Levenswetten; tot men eindelijk gewaar wordt, hoe deze alle in ééne bevat zijn, namelijk in Liefde.

Aldus vereenvoudigd in het gemoed, komt de mensen tot vrede, en nu begint hij werkelijk te leven.

Terugziende op het persoonlijke leven, dat hij voor altoos verlaten heeft, komt hem dit voor, eene verschrikkelijke nachtmerrie te zijn; maar terwijl hij met het geestelijk oog naar buiten en naar beneden blikt, ontwaart hij, dat anderen voortgaan het te leven. Hij ziet mannen en vrouwen, die strijden en worstelen, die lijden en sterven ter wille van wat hun door de milddadige hand van den Vader overvloedig geschonken werd, indien zij slechis hun vurig begeeren konden nalaten en zonder leed of hindernis wilden nemen, en zijn hart wordt vervuld van medelijden, en evenzoo van blijdschap, want hij weet, dat de menschheid eindelijk eens zal ontwaken uit haar’ langen en pijnlijken droom. Tijdens het eerste deel van zijne reis schijnt hij het menschdom ver achter zich te laten, en hij voelt zich bezorgd in zijne verlatenheid. Maar nu hij het hoogste verkregen heeft, nu hij de eindpaal bereikte, bevindt hij zich dichter bij de menschheid, dan ooit te voren; zoo zelfs, dat hij in haar diepsje binnenste leeft, dat hij in al hare zorgen met haar medegevoelt en tevens blijde deelt in al hare vreugde; want, wijl hij niet langer persoonlijke belangen behoeft te verdedigen, leeft hij geheel te midden der menschheid. Hij leeft niet langer voor zich zelven; hij leeft voor anderen; en aldus levend, smaakt hij de hoogste zaligheid, en de diepste vrede. Een tijd lang zocht hij naar Medelijden, Liefde, Zaligheid, Waarheid; maar nu i s hij inderdaad Medelijden, Liefde Zaligheid, Waarheid geworden ; en letterlijk mag van hem gezegd worden, dat hij heeft opgehouden eene persoonlijkheid te zijn, want al de persoonlijke bestanddeelen zijn vernietigd en slechts die hoedanigheden en beginselen zijn overgebleven, die volkomen onzelfzuchtig zijn. En deze hoedanigheden worden nu in het leven van den mensen toegepast, en vormen voortaan: het karakter van den mensch.

En terwijl hij heeft opgehouden, het eigen ik te beschermen, terwijl hij voortdurend in medelijden, wijsheid en liefde leeft, komt hij onder de bescherming van de hoogste Wet, de Wet van Liefde; nu begrijpt hij die Wet en bewust werkt hij met haar samen; ja, hij heeft zich onafscheidelijk met die Wet vereenzelvigd.

„Mij zelf vergetende, groei ik voor ’t Heelal”, en hij, wiens natuur medelijden, wijsheid en liefde is, kan onmogelijk eenige bescherming noodig hebben; want die Wetten zelve vormen de hoogste bescherming, wijl zij het werkelijke, het goddelijke, het onsterfelijke in alle menschen vormen, en de onvernietigbare werkelijkheid in de regeling van het Heelal uitmaken.

Hij behoeft geen genot meer te zoeken, want zijn natuur is Zaligheid, Vreugde, Vrede. En wat betreft het wedijveren tegen anderen, tegen wien zou hij wedijveren, hij, die zich zelven vol liefde met anderen vereenzelvigd heeft? Met wien zou hij strijden, die zich voor allen heeft opgeofferd? Wiens blinde, misleide en invloedlooze mededinging zou hij vreezen, hij, die de bron van alle zegening heeft bereikt en die uit de hand des Vaders al het noodige zal ontvangen? Terwijl hij zich zelven verloren heeft (zijn zelfzuchtig eigen ik), heeft hij zich zelven gevonden (zijne goddelijke natuur, Liefde); en Liefde en al de gevolgen van Liefde vormen zijn leven.

Nu kan hij vreugdevol uitroepen:

„Ik heb kennis gemaakt met den Meester van het Medelijden;
Ik heb mij getooid met het Kleed der Volmaakte Wet;
Ik ben het Koninkrijk der Groote Werkelijkheid binnengetreden.
Zwerven heeft opgehouden; want de rust is verworven;
Pijn en zorg hebben opgehouden, want ik ben tot den Vrede ingegaan;
Alle Verwarring is verdwenen; want Eénheid werd door mij ervaren;
Zonde is overwonnen, want Waarheid is mij geopenbaard!”

Is eenmaal de Levenswet der Overeenstemming of de Wet van Harmonie, van Gerechtigheid en van Goddelijke Liefde gevonden, dan worden alle dingen gezien zooals zij zijn, maar niet meer door de be-driegelijke middenstof van zelfzucht en meening; het heelal is één, en al zijn menigvuldige werkingen zijn de openbaring van ééne Wet.

Tot hiertoe werden in dit werk wetten besproken, en als hooger en lager aangeduid, en die onderscheiding was noodig; maar nu het Koninkrijk bereikt is geworden, zien wij, dat al de krachten, die in het menschelijk leven werkzaam zijn, verschillende openbaringen zijn van de Eéne Hoogste Wet van Liefde. Het is door de deugdzaamheid van deze Wet, dat de Menschheid lijdt, zoodat zij door de hevigheid van dit lijden eindelijk wijs zal worden, en daardoor de bron van haar lijden, die zelfzucht is, den rug zal toekeeren.

Wijl de Wet en de grondslag van het heelal Liefde is, volgt daaruit, dat alle zelfzucht met die Wet in strijd is, en een poging is, om de Wet te overwinnen of te miskennen, en als gevolg wordt iedere daad en gedachte van zelfzucht gevolgd door het zuiver evenredig aandeel van lijden, dat noodig is om hare uitwerking te vernietigen,om zoodoende de harmonie van ’t geheel te handhaven. Alle lijden is daarom gelegen in de beperking, die de Wet op-, of in den teugel, die Zij onwetendheid en zelfzucht aanlegt, en uit zulke pijnvolle beperking laat zij Wijsheid eindelijk te voorschijn treden.

Wijl er geen strijd en geen zelfzucht in het Koninkrijk heersenen, is er geen lijden, is er geen beperking; daar is volmaakte overeenstemming, evenwicht, rust. Diegenen, die er zijn binnengetreden, voldoen niet aan dierlijke neigingen (zij hebben er geene, om te volgen), maar leven in overeenstemming met de hoogste Wijsheid. Hunne natuur is Liefde; en zij leven in Liefde jegens allen. Nooit zijn zij bezorgd, hoe zich „een bestaan te verschaffen want zij zijn het leven zelf, wijl zij in het Hart des Levens leven; en zou er eenige stoffelijke of andere behoefte ontstaan, dan wordt er in dien nood onmiddellijk voorzien, zonder dat zij zich van hun kant behoeven bezorgd te maken of er voor moeten strijden. Worden zij geroepen eenig werk te ondernemen, dan dagen onmiddellijk geld en vrienden op, om dat werk tot stand te brengen. Wijl zij hebben opgehouden, hunne levenswetten te verkrachten, wordt door wettelijke kanalen onmiddellijk in hunne behoeften voorzien. Wordt eenige hulp of geld vereischt, dan wordt dit altijd door middel van goede menschen ontvangen, die of in het Koninkrijk zelve leven, of werkzaam zijn voor het voorzien in zulke behoeften. Zij, die in het Koninkrijk der Liefde leven, zien door de Wet der Liefde aan al hun nooden voldaan worden, vrij van alle onrust, evenzoo goed als degenen, die in het koninkrijk van het eigen ik leven, die slechts door strijd en lijden in hunne behoeften kunnen voorzien. Nu zij de wortel-oorzaak in hun hart hebben gewijzigd, hebben zij als gevolg al de vroegere gevolgen in hun innerlijk en uiterlijk leven veranderd. Zooals zelfzucht de wortel-oorzaak van allen strijd en lijden is, is Liefde de wortel-oorzaak van allen vrede en zaligheid.

Diegenen, welke in het Koninkrijk rusten, zien niet naar geluk uit, dat zij door eenige uitwendige bezitting zouden kunnen verkrijgen. Zij zien in, dat al zulke bezittingen slechts vergankelijke gevolgen zijn, die komen, wanneer men ze noodig heeft, doch die, nadat zij tot het doel gediend hebben, ook weer verdwijnen. Zij denken nooit aan deze dingen, (geld, kleeding, voeding enz.), behalve als bijkomstigheden en gevolgen van het ware Leven. Daardoor zijn zij vrij van allen angst en kommer, en terwijl zij in Liefde rust vonden, zijn ze de belichaming van het Geluk. Zij zijn onsterfelijk, wijl zij op de onvergankelijke Levenswetten van Reinheid, Medelijden, Wijsheid en Liefde berusten, en weten, dat zij onsterfelijk zijn; zij zijn één met God (het Hoogste Goed), en weten, dat zij één met God zijn. Nu zij het wezenlijke der dingen inzien, kunnen zij nergens iets voor veroordeeling vinden. Alle werkingen op aarde zien zij aan als instrumenten van de Goede Wet, zelfs die, welke voor kwaad gerekend worden. Alle menschen zijn in werkelijkheid goddelijk, hoewel onbewust van hunne goddelijke natuur, en al hunne handelingen zijn pogingen, zelfs hoewel vele ervan duister en machteloos zijn, om iets hoogers te bewerkstelligen. Van alle dusge-naamd kwaad zal men inzien, dat het op onwetendheid berust, zelfs die daden, welke van opzettelijk slecht zijn getuigen, zoodat veroordeeling ophoudt, en Liefde en Medelijden alles in alles wordt.

Doch men veronderstelle niet, dat zij, die kinderen van het Koninkrijk zijn, in gemak en traagheid leven (deze twee zonden moeten het eerst met wortel en tak uitgeroeid worden, als het zoeken naar het Koninkrijk wordt aangevangen); zij leven in eene vredevolle bedrijvigheid; inderdaad, zij slechts leven werkelijk, want, het leven voor het eigen ik, met zijne reeks van kwellingen, verdrietelijkheden en zorgen, is niet het werkelijke leven. Zij verrichten al hunne plichten met den meest nauwkeurigen ijver, afgescheiden van zelfzuchtige gedachten, en gebruiken al hunne middelen, zoowel als hunne krachten en vermogens, die veel krachtiger worden, om het Koninkrijk van Gerechtigheid in de harten van anderen op te bouwen, evenals in de wereld rondom hen.

Dit is het eerste werk — eerst door voorbeeld, dan door voorschrift. Nadat zij al ’t geen zij bezitten verkocht hebben (nadat zij alle eigenbelang in hunne bezittingen hebben laten varen), geven zij nu aan de armen (geven zij dus van hunnen rijken voorraad van wijsheid, liefde en vrede aan hen, die geestelijk nooden hebben, n.l. zij, die vermoeid en gebroken van hart zijn), en volgen den Christus, wiens naam Liefde is. En zij zorgen niet meer, maar leven in eeuwigdurende blijdschap, want hoewel zij het lijden der wereld zien, zien zij eveneens de eindelijke Zaligheid en de Eeuwige Toevlucht van Liefde, waarheen al degenen, die klaar zijn, nu komen mogen, en waartoe ten laatste allen zullen komen.

De kinderen van het Koninkrijk worden aan hun leven gekend. Zij belichamen of openbaren de vruchten van den geest — „liefde, vreugde, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtzinnigheid, matigheid, zelfbeheersching” — onder alle omstandigheden en wisselvalligheden. Geheel vrij zijn zij van toorn, vrees, achterdocht, jaloezie, grillen, angst en lijden. Terwijl zij in de Gerechtigheid van God leven, vertoonen zij hoedanigheden, die bepaald tegenovergesteld zijn aan die, welke in de wereld worden ontwikkeld, en die als dwaas door de wereld beschouwd worden. Zij vragen geen rechten; zij verdedigen zich niet; vergelden geen kwaad met kwaad; doen goed aan degenen, die hen trachten te beleedigen; openbaren denzelfden zachtzin-nigen geest jegens degenen, die zich tegen hen stellen en hen aanvallen, als jegens hen, die met hen overeenstemmen; oordeelen niet over anderen, en leven met allen in vrede.

Het Koninkrijk der Hemelen bestaat in volmaakt vertrouwen, volmaakte kennis, en volmaakte vrede. Alles is muziek, vriendelijkheid, en rust. Geen verbitteringen, geen slechte humeuren, geen ruwe woorden, geen verdenkingen, geen begeerten kunnen daar evenmin binnentreden als andere storende zaken. Zijne kinderen leven in volmaakte vriendelijkheid, vergevende en vergeven, terwijl zij anderen steeds met vriendelijke gedachten, woorden en daden tegentreden. En dat Koninkrijk is in het hart van iederen man en van iedere vrouw; het is hunne rechtmatige erfenis, hun eigen Koninkrijk; het hunne, om er n u binnen te gaan. Maar geen zonde mag er binnentreden; geen zelfzuchtige gedachte of daad mag zijn Gouden Poorten doorgaan; geen onzuivere begeerte mag zijne schitterende bekleeding besmetten. Allen, die zulks wenschen, mogen er binnentreden, maar allen moeten de prijs betalen, en die bestaat in — onvoorwaardelijk het eigen ik los te laten. „Indien gij wilt volmaakt zijn, verkoop al wat gij hebt”; maar om deze woorden wendt de wereld zich af „bedroefd, want zij is zeer rijk”; rijk aan geld, dat zij niet houden kan; rijk aan angst en vrees, die zij niet los kan laten; rijk aan eigenliefde, die zij gretig vastgrijpt; rijk aan smartelijke scheidingen, die zij gaarne zou willen ontvluchten; rijk in het jagen naar genot; rijk aan pijn en zorg; rijk aan strijd en lijden; rijk aan opwinding en smart; rijk in alle dingen, die geen rijkdommen zijn, maar arm aan die rijkdommen, die nergens anders dan in het Koninkrijk te verkrijgen zijn. Rijk in alle dingen, die op duisternis en dood betrekking hebben, maar arm in die zaken, welke Licht en Leven zijn.

Hij dan, die het Koninkrijk wil binnentreden en smaken, laat hij de prijs betalen en naar binnen gaan. Wanneer hij een groot en heilig geloof bezit, kan hij het n u doen, en vrij worden, door de zelfzucht, die hem tot heden eigen was en waaraan hij zich vastklemde, als een kleed weg te werpen. Als hij minder geloof heeft, moet hij meer langzaam zich boven deze zelfzucht verheffen, en door dagelijkschen strijd en geduldig arbeiden het Koninkrijk vinden.

De Tempel der Gerechtigheid is gebouwd en zijn vier muren zijn de vier levenswetten of levenswaarheden: Reinheid, Wijsheid, Medelijden, Liefde. Vrede vormt het dak, zijn vloer is vastberadenheid, zijne toegangspoort is onzelfzuchtige plichtsvervulling, zijn dampkring is bezieling en zijne muziek is de vreugd van het volmaakte. Hem op zijne grondvesten te doen schudden is niet meer mogelijk, en wijl hij eeuwig is en niet meer vernietigbaar, is er geen behoefte meer, om zich voor den dag van morgen bezorgd te maken. En is eenmaal het Koninkrijk der hemelen in het hart gebouwd geworden, dan denkt men niet meer met bezorgdheid, hoe men zich de stoffelijke benoodigdheden in ’t leven bezorgen zal, want nu men het Hoogste heeft gevonden, zullen alle andere dingen worden toegeworpen, de strijd voor het bestaan heeft opgehouden en in de geestelijke, verstandelijke en stoffelijke behoeften wordt dagelijks uit den algemeenen overvloed voorzien.

Deel II: Het hemelsche leven

1. Het Goddelijk inwezen

Het geheim van leven, van overvloedig leven met zijne kracht, zijne gelukzaligheid en zijne ononderbroken vrede, is te vinden in het Goddelijk Inwezen in ons binnenste, door daarin en daarvan te leven, in plaats van in die uiterlijke storende omstandigheden —de luidruchtigheden, verlangens en redetwisten, die den dierlijken en verstandelijken mensch kenmerken. Deze zelfzuchtige zaken vormen meer het uitwendige van het leven en moeten worden weggeworpen door een ieder, die tot het innerlijke Hart der dingen wil doordringen — tot het Leven zelve.

Niet te weten, dat binnen in u bestaat, wat onveranderlijk is, en in staat tijd en dood te trotseeren, beteekent nog niets te weten; het is enkel een vergeefsch spelen met onwerkelijke terugkaatsingen in den Spiegel van den Tijd. In uzelven niet die hartstochtlooze Levenswetten te vinden, welke door de vijandschappen en schijnvertooningen en ijdelheden der wereld niet bewogen kunnen worden, beteekent niets te bezitten dan begoochelingen, die verdwijnen, zoodra men naar ze grijpt.

Hij, die besluit, zich niet met uiterlijken schijn, schaduwen, begoochelingen tevreden te stellen, zal bij het diep doordringend licht van dat besluit, iedere voorbijsnellende hersenschim verjagen en in het wezen en de werkelijkheid van het leven treden. Hij wil leeren, hoe te leven, en hij zal leven. Hij zal geen slaaf van eenige hartstocht zijn, geen dienaar van eenige meening, geen toegewijde aan eene zotte dwaling. Terwijl hij het Goddelijk Inwezen in zijn eigen hart vindt, zal hij rein en kalm en sterk en wijs zijn, en onophoudelijk het Hemelsche Leven uitstralen, waarin hij leeft, — dat hij zelf is.

Als hij zich zelven ter ruste heeft gebracht in het Goddelijk Toevluchtsoord binnen in zich zelven, is een mensen vrij van zonde. Al zijne voorafgaande handelingen zijn als de door den vloed gereinigde en onbetreden zandige stranden; geen zonde zal meer tegen hem optreden, om hem te martelen en te beschuldigen en zijnen heiligen vrede te verstoren; de vlammen der wroeging kunnen hem niet meer zengen; evenmin kunnen de stormen van het berouw zijne woonplaats, dat Goddelijk toevluchtsoord van binnen, verwoesten. Zijne dagen in de toekomst zijn zaden, die ontkiemen zullen, en losbarsten in schoonheid en overvloed van leven; geen twijfel zal zijn vertrouwen schokken; geen onzekerheid hem zijne rust ontrooven. Het Tegenwoordige is het zijne; slechts leeft hij in het onsterfelijk Heden; en dit is als het eeuwig blauwe gewelf daarboven, dat zwijgend en kalm omlaag blikt, toch stralend van reinheid en licht op de, als voorbijgegaan, verworpen en met tranen bevlekte gezichten of voorkomens van eeuwen.

De menschen beminnen hunne begeerten, want er aan te voldoen komt ze voor, zoet en heerlijk te zijn; maar het einde is pijn en ledigheid ; zij beminnen de redetwisten van het verstand, want egoïsme komt ze hooggewenscht voor; maar de vruchten ervan zijn vernedering en zorg. Als de ziel het einde der belooning bereikt heeft en de bittere vruchten van het egoïsme heeft geoogst, is zij gereed de Goddelijke Wijsheid te ontvangen en het Goddelijke Leven binnen te gaan. Slechts de gekruisigde kan verheerlijkt worden; slechts door den dood van het eigen ik, kan de Heer van het Hart weder verrijzen tot het Onsterfelijke Leven en stralend staan op den Parel van Wijsheid.

Gij hebt uwe beproevingen ? Iedere uitwendige verzoeking is eene herhaling van een inwendige onvolmaaktheid. Door dit te weten, zult gij wijs worden en zult daardoor beproeving in levendige vreugde omzetten, terwijl gij het Koninkrijk zult bevinden daar te zijn, waar beproeving niet komen kan. Wanneer zult gij uwe lessen leeren, o kind dezer aarde? Al uwe zorgen schreeuwen tegen u ; iedere pijn is uw beschuldiger, en uwe verdrietelijkheden zijn slechts schaduwen van uw onwaardig en vergankelijk eigen ik. Het Koninkrijk der Hemelen is het uwe; hoe lang zult gij het verwerpen, terwijl gij den somberen dampkring van de Hel den voorkeur geeft — de hel van uw zelfzoekend eigen ik ?

Waar het eigen ik niet is, daar is de tuin van het Hemelsche Leven en

„Daar ontspringen de genezende wateren,
Die alle dorst lesschen ! En daar
Bloeien de onsterfelijke bloemen,
Die ieder pad met vreugde tooien.
Daarbinnen volgen talloos veel uren
Elkander, snel en zoet.”

De verloste kinderen Gods, de verheerlijkten naar lichaam en geest, worden duur gekocht en de koopsom is de kruisiging van het eigen ik, de dood van dat ik; eerst als zij dat alles van binnen hebben uitgezuiverd wat de bron van allen strijd is, leeren zij de algemeene Muziek kennen, het duurzaam Genot.

Leven is meer dan beweging: het is muziek; meer dan rust: het is Vrede; meer dan werk: het is Plicht; meer dan arbeid: het is Liefde; meer dan genieting: het is Zaligheid; meer dan een begeeren naar geld en positie en beroemdheid: het is Kennis, Doel, sterk en hoog Besluit.

Laten de onreinen zich tot Reinheid wenden en zij zullen rein zijn; laten de zwakken van karakter hunne toevlucht tot Kracht nemen en zij zullen sterk zijn; laten de onwetenden tot Kennis vlieden en zij zullen wijs zijn. Alle dingen zijn des menschen eigendom, en hij kiest, wat hij hebben wil. Vandaag kiest hij in onwetendheid en morgen zal hij met Wijsheid kiezen. Hij zal zijne eigene zaligheid uitwerken, of hij het gelooft of niet, want hij kan zich zelven niet ontvluchten, noch op een’ ander de eeuwige verantwoordelijkheid zijner eigene ziel overdragen. Door geen theologische uitvlucht kan hij de Wet van zijn bestaan bedriegen of verkrachten, die al zijne zelfzuchtige uitvluchten en verontschuldigingen voor verkeerd denken en verkeerd doen zullen vernietigen. Evenmin zal God voor hem doen, wat bestemd is door zijne eigene ziel tot stand te worden gebracht. Wat zoudt gij zeggen van een’ mensch, die, terwijl hij wenscht een huis te bezitten, waarin hij in vrede kan wonen, het bouwterrein kocht en dan neerknielde, om God te vragen, het huis voor hem te bouwen? Zoudt gij zoo iemand niet een’ dwaas noemen? En van een ander, die, nadat hij het land heeft gekocht, de bouwmeesters en bouwers en timmerlieden aan ’t werk zet, om het gebouw op te trekken, zoudt gij van hem niet zeggen, dat hij wijs is? Als met het bouwen van een stoffelijk huis, evenzoo is het met het bouwen van een geestelijk huis. Steen voor steen, reine gedachte op reine gedachte, goede daad op goede daad; zóó moet de woning van een vlekkeloos leven verrijzen, tot het daar eindelijk in de volle majesteit van zijne volmaakte afmetingen praalt. Niet door luim, of gave, of voorrecht verkrijgt een mensch geestelijke wezenheden, maar door ijver, oplettendheid, innerlijke kracht en streven.

„Sterk is de ziel, en wijs en schoon;
De zaden van Goddelijke macht zijn in ons allen.
Als wij willen, zijn wij dichters, heiligen, helden.”

Het geestelijk Hart van den mensch is het Hart van het Heelal en als hij dat Hart gevonden heeft, is hij in staat, alles te volbrengen. Hij vindt daar ook de Wijsheid, om de dingen te zien, zooals zij zijn. Hij vindt daar den Vrede, die goddelijk is. Binnen het Ikwezen van des menschen wezen is de Muziek, die de sterren beveelt — de Eeuwige Harmonie.

Hij, die Zaligheid wil vinden, laat hij zich zelven vinden; laat hem iedere begeerte, die tweedracht sticht, loslaten; evenzoo iedere gedachte, die disharmonie verwekt; iedere gewoonte en daad, die met liefde in strijd is, en hij zal Genade, Schoonheid en Eensgezindheid ontmoeten, die het niet te vernietigen wezen van zijn eigen bestaan vormen.

De menschen vluchten van geloof tot geloof, en vinden — onrust; zij reizen in vele landen en ontmoeten — teleurstelling; zij bouwen voor zich zelven schoone huizen en planten bevallige tuinen en maaien — verveling en ongemak. Niet eer dan dat de mensch tot de waarheid in zich zelven terugkeert, vindt hij rust en bevrediging; totdat hij het inwendige Huis van Vlekkeloos Gedrag bouwt, vindt hij de eindelooze en smettelooze Vreugde niet, en heeft hij die verkregen, dan zal hij haar in al zijn doen en op al zijne bezitting afdrukken.

Als een mensch vrede wil hebben, laat hij den geest van Vrede beoefenen; als hij Liefde wil ervaren, laat hij in den geest der Liefde wonen; als hij lijden wil ontvluchten, laat hem dan ophouden, het te veroorzaken; als hij goede dingen voor de menschheid wil verrichten, laat hij dan ophouden, min edele handelingen jegens zich zelven te verrichten. Als hij maar slechts de mijn zijner eigene ziel wil ontginnen, zal hij daar al de stoffen voorhanden vinden, om te bouwen, wat hij maar wil, en hij zal daar ook als middelpunt de Rots vinden, waarop hij veilig bouwen kan.

Hoe een mensch ook werkt, om de wereld te verbeteren, niets zal het hem baten, zoolang hij zich zelven niet verbeterd heeft. Dit mag op het hart geschreven worden als te zijn eene wiskunstig zekere grondwaarheid. Het is niet genoeg, reinheid te prediken: de menschen moeten zich van ’t toegeven aan lusten onthouden; niet genoeg, tot liefde te vermanen: zij moeten alle haat vlieden; niet genoeg, zelfopoffering aan te prijzen: zij moeten het eigen ik loslaten; niet genoeg met enkel woorden het Volmaakte Leven te bewonderen: zij moeten volmaakt zijn.

Als een mensen niet langer het gewicht zijner zonden dragen kan, laat hem tot Christus vlieden, wiens troon het middelpunt vormt van zijn eigen hart, en hij zal verlicht van hart worden, terwijl hij de blijdschap der Onsterfelijken binnentreedt.

Laat hij, die niet langer den last zijner opgehoopte geleerdheid of kennis kan torsen, zijne boeken, zijne wetenschap, zijne wijsbegeerte verlaten, en tot zichzelven terugkeeren, en hij zal inwendig vinden, wat hij uitwendig zocht en niet vond — zijne eigene goddelijkheid.

Hij, die God van binnen heeft gevonden, houdt op over God te redetwisten. Steunend en vertrouwend op die kalme kracht, die niet de kracht van het eigen ik is, leeft of beleeft hij God, doordat hij in zijn dage-lijksch leven de Hoogste Goedheid openbaart, die het Eeuwige Leven is.

2. Het Eeuwige Heden

Heden is de werkelijkheid, waarin tijd besloten ligt. Het is meer en grooter dan de tijd; het is een altijd-aan-wezige werkelijkheid. Het kent noch verleden, noch toekomst, en is eeuwig machtig en vermogend. ledere minuut, iedere dag, ieder jaar is een droom, zoodra zij voorbij zijn gegaan, en bestaat slechts als een onvolmaakte en onwerkelijke afbeelding in het geheugen, indien al niet geheel uitgewischt.

Verleden en toekomst zijn droomen; het heden is werkelijkheid. Alle dingen zijn nu; alle macht, alle mogelijkheid, alle werkzaamheid en handeling ligt in het heden. In het heden, dus nu niet te handelen en uit te voeren, is in ’t geheel niet handelen en niets te verrichten. In gedachte te beleven, ’t geen gij hadt kunnen doen, of te droomen over ’t geen gij meent te zullen gaan verrichten, is dwaas; maar berouw los te laten, niet bij voorbaat reeds te rusten, maar n u te doen en te werken, dat is wijsheid.

Als een mensch steeds in het verleden of in de toekomst verwijlt, mist hij het tegenwoordige; hij vergeet n u te leven. Alle dingen zijn nu mogelijk, maar ook alleen n u. Zonder wijsheid tot gids te hebben, en terwijl hij het onwerkelijke voor het werkelijke aanziet, zegt een mensch: „Als ik de vorige week, de vorige maand, het vorige jaar zoo en zoo had gedaan, zou het thans beter met mij zijn” of: „ik weet wat het beste is te doen, en dat zal ik morgen doen”. De zelfzuchtige kan niet het groote gewicht en de waarde van het tegenwoordige begrijpen, en is niet in staat het te zien als de wezenlijke werkelijkheid, waarvan verleden en toekomst slechts de ledige schaduwen zijn. Inderdaad mag naar waarheid gezegd worden, dat verleden en heden niet anders bestaan, dan als negatieve schaduwen, en in hen te leven — dat wil zeggen, in eene berouwvolle of zelfzuchtige beschouwing van beide — beteekent de werkelijkheid van het leven te missen.

Slechts nu heeft de mensch alle macht; maar dit niet wetend, zegt hij: „Het volgend jaar, of in zooveel jaar, of in zooveel levens zal ik volmaakt worden”. Maar zij, die bewoners zijn van het Koninkrijk Gods, die slechts in het heden leven, zeggen: „Nu ben ik volmaakt”, en terwijl zij nu alle zonde nalaten, en onophoudelijk de toegangen van den geest bewaken, ziende naar verleden of toekomst, terwijl zij ter linker- noch ter rechterzijde afwijken, blijven zij eeuwig heilig en gezegend. Nu is het de aangename tijd; nu is het de dag der zaligheid.

Zeg tot uzelven: Heden zal ik in mijn Ideaal leven; nu wil ik mijn Ideaal openbaren; ik zal nu zelve mijn Ideaal zijn; en ik wil niet luisteren naar iets, dat mij verleiden zou, mijn Ideaal los te laten; slechts naar de stem van mijn Ideaal zal ik luisteren. Als gij aldus besluit, en aldus handelt, zult gij van het Hoogste niet scheiden en zult eeuwig de Waarheid openbaren.

Houd op, iederen bijweg, dien ge tegenkomt, te gaan betreden; vermijd eiken kronkelenden zijweg, die uw ziel verleiden wil, zich naar het schaduwland van ’t verleden en de toekomst te laten heenvoeren en openbaar uwe ingeboren en goddelijke kracht nu. Treedt vooruit in „den open weg”.

Dat, wat gij woudt wezen, en hoopt te worden, kunt gij heden zijn. Niets-tot-stand-brengen woont in uw eeuwig uitstellen, en terwijl gij de macht tot uitstellen bezit, bezit gij evenzeer de macht iets te volbrengen: zie deze waarheid in en gij zult heden, en iederen dag de ideale mensch zijn, waarvan gij droomt.

Deugd bestaat hierin, dat men dag aan dag zonde bestrijdt; maar heiligheid bestaat in het verlaten van zonde, die ongezien en ongemerkt aan den kant van den weg wegsterft; en dit wordt gedaan, kan alleen verricht worden in het levende heden. Zeg niet tot uwe ziel: „Morgen zult gij reiner worden”; maar zeg liever: „nu zult gij reiner zijn”. Morgen is het voor alles te laat, en hij, die zijn hulp en redding op morgen verwacht, zal voortdurend falen en vandaag vallen.

Gisteren vielt gij? Toen deedt gij zonde, smartelijk te dragen? Hiervan uzelven bewust geworden, laat haar los, oogenblikkelijk en voor eeuwig; en waak dat gij thans niet zondigt, leder oogenblik, dat gij het verleden betreurt, blijft uwe ziel onbewaakt, om het binnenkomen van zonde thans te beletten. Gij zult niet stijgen, door het onherstelbaar verleden te betreuren, maar door het tegenwoordige te verbeteren.

De dwaze mensen, die liever het moerassige pad van uitstellen bemint, liever dan den vasten Hoofdweg van het Tegenwoordig Pogen, zegt: „Morgen: dan zal ik opstaan; morgen zal ik al mijn gebreken loslaten; morgen zai ik mijn voornemens uitvoeren”. Maar de wijze man, die het oogenblikkelijk gewicht van het Eeuwige Heden kent, staat vroeg op; mijdt den geheelen dag alle fouten; voert zijn plannen heden uit en doet zich zoodoende steeds vergezellen van kracht en vrede en ware beschaving.

Dat, wat heden gedaan wordt, blijft; dat, wat morgen zal gedaan worden, verschijnt niet eens, komt nooit tot stand. Het getuigt van wijsheid, zich niet te bemoeien, met wat nog verkregen moet worden, om de volle aandacht te schenken aan ’t geen is; en die aandacht moet gegeven worden met zulk een toewijding en met zulk een volmaakte inspanning van alle krachten, dat er voor naberouw geen gat open blijft, om in te kruipen.

Als iemands geestelijk inzicht bewolkt of verduisterd wordt door eigen bekrompenheid, zal hij zeggen: „Ik ben zooveel jaar geleden op dien dag geboren, en zal op den voor mij bepaalden dag sterven”.

Maar — hij werd niet geboren; evenmin zal hij sterven, want hoe kan dat, wat onsterfelijk, wat eeuwig is, onderworpen zijn aan geboorte en dood?

Laat iemand alle bedriegelijke voorstellingen loslaten, dan zal hij inzien, dat de geboorte en dood van het lichaam niets dan voorvallen zijn gedurende een eeuwige reis, en niet haar begin of einde.

Als men steeds terugblikt naar wat gelukkig begin mag heeten en altijd tuurt naar een mogelijk treurigen afloop, dan worden iemand’s oogen zóó verblind, dat hij zijn eigen onsterfelijkheid geheel gaat vergeten. Zijn ooren worden als toegestopt zóó, dat hij nooit de altijd aanwezige harmoniën der Vreugde hoort; en zijn hart wordt verhard, zoodat het niet in antwoord terug klopt op de maatvolle klanken van den Vrede.

Het heelal, met al wat het bevat, bestaat nu. Steek uit uw hand, o, mensch! en ontvang de vruchten der Wijsheid. Houd op met het voeden uwer begeerten, met uw zelfzuchtig zorgen, met uw dwaas berouw, en wees tevreden om te leven. Handel nu, dan wordt alles verricht; leef bij het heden en let erop, dat gij zijt te midden van Overvloed; leef voor het heden en weet en bedenk, dat gij volmaakt zijt.

3. De „Oorspronkelijke Eenvoud”

Het leven is eenvoudig. Te bestaan is eenvoudig. Het heeia! is eenvoudig. Het moeilijke, het samengestelde ontstaat daar, waar onwetendheid en zelfbedrog heerschen. De „Oorspronkelijke Eenvoud”, waarvan Lao-tze spreekt, is een uitdrukking, die het heelal betreft, niet zooals het schijnt, maar zooals het is. Als hij door het netwerk ziet, dat zijn eigen bedriegelijke voorstellingen weefden, dan ontwaart de mensch oneindige samengesteldheid en ondoordringbare geheimen, en verliest zich zelf in de doolhoven, die hij zelf schiep. Laat de mensch slechts zijn egoïsme of zelfzucht loslaten, en dadelijk zal hij het heelal in zijn oorspronkelijke frisch-heid zien. Laat hij slechts het bedriegelijk begrip van het persoonlijk „Ik” loslaten en te gelijk zal hij alle bedriegelijke denkbeelden, die afgeleid werden van dat bedriegelijk „Ik”, vernietigen. Aldus zal hij opnieuw „een kin-deke gelijk worden” en de „Oorspronkelijke Eenvoud” opnieuw vereeren.

Indien een mensch er in slaagt, om het eigen ik geheel te vergeten, wordt hij een spiegel, waarin de algemeene werkelijkheid volmaakt weerspiegeld wordt. Hij is ontwaakt, en leeft voortaan niet meer in droomen, maar in werkelijkheden.

Pythagoras zag het heelal in de tien hoeveelheden; maar zelfs dit eenvoudige kan verder herleid worden, en eindelijk zal men vinden, dat het heelal bevat wordt door de hoeveelheid Eén, want alle hoeveelheden en al hun oneindige verbindingen zijn niets dan openbaringen van het Eéne.

Houd op het leven te leven als iets, dat uit brokstukken bestaat, en leef het als een volmaakt Geheel; de eenvoud van het volmaakte zal dan ontsluierd worden. Hoe zal het deel het geheel kunnen omvatten ? Maar hoe duidelijk is het, dat het Geheel het deel omvat. Hoe zal, wat slecht is, het Heilige kunnen onderscheiden? Maar hoe duidelijk is het weer, dat het Heilige ziet, wat slecht is. Hij, die waarlijk Grooter wil worden, moet het mindere, het lagere, loslaten. Geen enkele vorm kan den cirkel insluiten, maar de cirkel omsluit alle vormen. In geen enkele kleur ligt het stralend licht besloten, maar in het stralend licht zijn alle kleuren aanwezig. Laat de mensch zich slechts van alle vormen van zelfzucht ontdoen en hij zal den Cirkel van Volmaaktheid leeren kennen. Laat hij, in de zwijgende diepten van zijn wezen, de verschillende kleuren van zijn gedachten en wenschen onderdompelen en hij zal verlicht worden door het Witte Licht van Goddelijk Weten. In het volmaakt muziek-accoord is de enkele noot, hoewel vergeten, toch ontegenzeggelijk aanwezig, en de waterdroppel wordt buitengewoon nuttig door zich zelf in den oceaan te verliezen. Zink zelf medelijdend weer terug in het midden der menschheid en gij zult de harmonieën van den Hemel doen weerklinken; vergeet uzelf in onbegrensde liefde jegens anderen en gij zult een’ arbeid verrichten, die eeuwig duurt en zuit één worden met den eeuwigen Oceaan van Zegening.

De mensch ontwikkelt zich uitwendig tot den omtrek van het Samengestelde en daarna inwendig terug tot de Centrale Eenvoud. Als een mensch ontdekt, dat het wiskunstig zeker voor hem onmogelijk is het heelal te verstaan, alvorens hij zich zelf kent, dan begint hij den weg te bewandelen, die tot de Oorspronkelijke Eenvoud voert. Hij begint van binnen uit te ontvouwen en als hij bezig is zich zelf te leeren kennen, ontvouwt hij tevens het heelal voor zich.

Houd toch op over God bespiegelingen te houden en vind het alomvattende Goede binnen in u zelf, dan zult gij het leege en het vruch-telooze inzien van al zulke bespiegeling en zult gij uzelf kennen als één met God, als deel van Hem.

Hij, die niet zijn geheime lusten, zijn begeeren, zijn toorn, zijn vastgeroeste meening over dit en dat kan loslaten, kan niets zien en evenmin iets weten. Hij zal in de school der Wijsheid een domoor blijven, al wordt hij in de wetenschappelijke wereld voor een geleerde aangezien.

Wil iemand den Sleutel der Kennis vinden, laat hij dan zich zelf vinden. Uwe fouten — dat zijt gij niet; zij vormen ook geen deel van u; zij zijn slechts ziekten, waarvan gij zijt gaan houden. Houd op, u langer aan hen vast te klampen en zij zullen zich niet langer aan u vasthechten. Laat ze wegvallen en gij zult opnieuw u zelf zien. Gij zult u zelf dan kennen als een Veelomvattend Wezen, een Onoverwinnelijk Beginsel, een Onsterfelijk Leven en een Eeuwig Goed.

De onreine mensen gelooft, dat onreinheid de goede toestand is, waarin hij verkeeren moet, maar de reine mensch kent zich zelven als een rein wezen; en deze, die alle Sluiers met zijn’ blik doordringt, ziet, dat alle wezens rein zijn. Reinheid is buitengewoon eenvoudig en heeft volstrekt geen bewijsgronden tot steun noodig; maar onreinheid is tot in het oneindige samengesteld en is steeds in allerlei bewijsvoeringen verward, die haar verdedigen moeten. Waarheid leeft uitsluitend haar eigen leven. Een vlekkeloos leven is de eenige getuige, die de Waarheid vergezelt. De menschen kunnen die getuige niet zien en zullen nooit haar als getuige erkennen, tot zij haar in zich zelve ontdekt hebben; en wanneer iemand haar gevonden heeft, wordt hij een zwijger voor zijn medemenschen. Waarheid is zoo iets volmaakt eenvoudigs, dat zij niet gevonden wordt daar, waar bewijsvoering en aanbeveling haar willen steunen; en zij is zoo stil, dat zij zich alleen door daden openbaart.

Zoo buitengewoon eenvoudig is de Oorspronkelijke Eenvoud, dat een mensch alles moet loslaten, alvorens hij haar kan waarnemen. Het groote hemelgewelf is indrukwekkend door de volmaakte leegte onder zich, maar de wijze mensch wordt eerst dan groot en onoverwinnelijk, als hij zich zelve geheel ledigt.

Zachtzinnigheid, Geduld, Liefde, Medelijden en Wijsheid — zij zijn de overheerschende deugden van de Oorspronkelijke Eenvoud; in ’t bijzijn van hen alle kan het onvolmaakte niet bestaan, ’t Is slechts Wijsheid, die de Wijsheid herkennen kan; daarom zegt de dwaas: „Niemand is wijs”. De onvolmaakte mensch zegt: „Een mensch kan niet volmaakt worden”, en daarom blijft hij zeker, wat hij is. Al zal zoo iemand zijn geheele leven met een volmaakt mensch omgaan, dan zal hij nog niets van diens volmaaktheid overnemen. Zachtzinnigheid zal hij lafheid noemen; Geduld, Liefde en Medelijden zal hij voor zwakheid aanzien; en Wijsheid zal hem voorkomen als zeer dwaas te zijn. Maar het vermo-gen, om onfeilbaar juist te onderscheiden, behoort tot het Volmaakt Geheel en woont niet in wat een deel moet heeten; daarom moeten de menschen aangespoord worden, zich van oordeelen te onthouden, tot zij in zich zelf het Volmaakte Leven hebben ontdekt.

Voor dengene, die de Oorspronkelijke Eenvoud bereikt, verdwijnt alle duisternis en de algemeene doorzichtigheid treedt helder naar voren. Hij, die de in hem wonende Werkelijkheid heeft gevonden, heeft de oorspronkelijke en algemeene Werkelijkheid ontdekt. Die het Goddelijk Hart kent, dat in hem woont, kent alle harten, en hij slechts kan de gedachten van alle menschen kennen, die over zijn eigene gedachten meester is geworden; daarom verdedigt de goede mensch zich zelven niet, maar kneedt de gedachten van anderen naar de zijne.

Evenals het twijfelachtige het slechte overtreft, evenzoo overtreft Zuivere Goedheid het twijfelachtige. Alle vraagstukken vinden hun oplossing, wanneer Zuivere Goedheid bereikt wordt. Daarom wordt de goede mensch de „Vernietiger der begoochelingen” genoemd. Welk lastig geval zou zich nog kunnen voordoen daar, waar geen zonde meer heerscht? O! gij, die zoo luidruchtig strijdt en nooit rust, trek u terug in de heilige eenzaamheid van uw eigen wezen en leef daarnaar. Zoo zult gij, terwijl gij Zuivere Goedheid vindt, den Sluier van den Tempel der Begoocheling in tweeën scheuren en zult het Geduld, den Vrede en de onovertroffen Heerlijkheid van het Volmaakte zien, want — Zuivere Goedheid en Oorspronkelijke Eenvoud zijn één.

4. De Onfeilbare Wijsheid

Een mensch behoort zich zelven hooger te stellen dan zijn bezittingen, dan zijn lichaam, dan zijn omstandigheden, dan zijn omgeving, ook hooger dan de meeningen van anderen over en hun houding jegens hem. Alvorens hij dit bereikt heeft, is hij niet sterk en standvastig. Hij moet ook kunnen staan boven zijn eigen wenschen en meeningen; en zoolang hij dit niet kan, is hij niet wijs.

De mensch, die zich met zijn bezittingen vereenzelvigt, zal gevoelen, dat alles is verloren, als hij hen verliest; hij, die zichzelf beschouwt als niets anders dan het product en het werktuig van omstandigheden, zal als een zwakkeling zelfs aan de minste slingeringen, die zich in zijn uitwendigen toestand voordoen, onderworpen zijn; en inderdaad zullen de onrust en pijn voor hem zijn, die enkel zijn doen en laten inricht naar de goedkeuring van anderen.

Zich van al het uitwendige te kunnen ontdoen en zeker en vast te steunen op de inwonende Deugd, dat is de Onfeilbare Wijsheid. Wie deze Wijsheid bezit, zal in armoede en in rijkdom geheel dezelfde blijven. De eerste kan hem niet van zijn kalmte, de laatste kan hem niet van zijn kracht berooven. Rijkdommen kunnen hem, die alle inwonende ondeugden heeft weggewasschen, niet besmetten, evenmin als het ontbreken van rijkdommen hem kunnen verlagen, die heeft opgehouden den tempel van zijn ziel te verlagen.

Te weigeren de slaaf te zijn van eenig uitwendig ding of gebeurtenis, door al zulke zaken en gebeurtenissen als voor uw nut en uw opvoeding te beschouwen, dat is Wijsheid. Voor den wijze gelden alle gebeurtenissen als goed; en wijl hij geen oog voor kwaad heeft,worden zij eiken dag wijzer. Zij benutten alle dingen en daardoor worden zij niet door allerlei zaken en gebeurtenissen beheerscht, doch beheerschen die alle. Zij zien al hun fouten, zoodra zij deze begaan hebben en aanvaarden ze als lessen van wezenlijke waarde, wijl zij weten dat er in de Goddelijke Ordening der dingen geen fouten gemaakt worden. Aldus bereiken zij snel de Goddelijke Volmaaktheid. Zij worden door niemand bewogen en toch leeren zij van allen. Van niemand vragen zij liefde, doch geven die aan een elk. Te leeren, en ongeschokt te blijven; lief te hebben, terwijl men zelf geen liefde ontvangt; daarin ligt de kracht, die nooit een mensch moet ontbreken. De man, die in zijn hart zegt: „Ik wil alle menschen onderwijzen en van niemand leeren”, zal noch leeren, noch geleerd worden, want hij is in zulk een’ geestestoestand, dat hij in zijn dwaasheid vastgeroest blijft zitten.

Alle kracht en wijsheid en macht en kennis zal een mensch in zichzelf vinden, maar niet zoolang hij egoïst is; hij kan ze alleen vinden, door gehoorzaamheid, nederigheid en gewilligheid om te leeren. Hij moet het Hoogere gehoorzamen en zich zelf niet verheerlijken, als hij het lagere dient. Hij, die zijn egoïsme voedt, berisping verwerpt, en evenzoo onderricht en de lessen der ondervinding, moet zeker vallen; nog erger: hij is reeds gevallen. Een groot Meester zei tot zijn leerlingen:

„Zij, die een licht voor zich zelve zijn, door slechts op zich zelf te vertrouwen, terwijl zij nooit op hulp van buitenaf rekenen, om steeds te leven in het licht, dat de Waarheid voor ze ontsteekt, zoodat zij hun heil enkel in de Waarheid zoeken, zij zien nooit uit naar hulp buiten zichzelven; welnu, zij zijn het, die onder mijne leerlingen degenen zijn, die de hoogste hoogten zullen bereiken. Maar zij moeten gewillig zijn om te leeren”.

De wijze mensch is steeds verlangend en begeerig om te leeren, maar nooit begeerig om te onderwijzen, want hij weet, dat de ware Leeraar woont in het hart van ieder mensch, en ten slotte daar door een ieder gevonden moet worden. De dwaze mensch, die zich veel door ijdelheid laat regeeren, is zeer gewillig om te onderwijzen, maar onwillig om onderricht te ontvangen, wijl hij niet den inwendigen Heiligen Leeraar heeft ontdekt, die van binnen huist en die wijsheid spreekt tot de ziel, die nederig luistert. Wees vol zelfvertrouwen, doch laat uw zelfvertrouwen heilig en niet zelfzuchtig zijn.

Dwaasheid en wijsheid, zwakheid en kracht zijn in het binnenste van den mensch, maar niet in iets uitwendigs te vinden, evenmin als zij ooit gevolg zijn van uitwendige oorzaken. Een mensch kan niet sterk zijn voor een ander, hij kan alleen sterk zijn voor zichzelf; hij kan niet voor een ander overwinnen; hij kan alleen zich zelf overwinnen. Gij kunt van een ander leeren, maar zelf moet gij het verrichten. Breek met alle uitwendige zaken en vertrouw alleen op de Waarheid, zooals zij zich binnen in u openbaart. In het uur der verzoeking zal geen geloofsbelijdenis, welke ook, u helpen; gij moet inwendige Kennis bezitten, waardoor gij in staat zijt de verzoeking te weerstaan. Een bespiegelende wijsbegeerte zal in den tijd van rampspoed blijken niets meer dan een schaduw te zijn; een mensch moet de inwendige Wijsheid bezitten, die een eind aan alle verdriet maakt.

Goedheid, die het doel is van alle godsdiensten, is zeer onderscheiden van de godsdiensten zelve. Wijsheid, die het doel is van iedere wijsbegeerte, is zeer onderscheiden van alle wijsbegeerten. De Onfeilbare Wijsheid kan enkel gevonden worden door voortgezette oefening in zuiver denken en in goed doen; door iemand’s geest en hart in overeenstemming te brengen met alles wat schoon, liefelijk en waar is.

In welken toestand de mensch zich ook bevindt, altijd kan hij de Waarheid vinden; en hij kan haar alleen vinden, door zijn tegenwoor-digen toestand zóó te benutten, dat hij sterk en wijs kan worden. Het verwijfd hunkeren naar belooning en de lafhartige vrees voor straf, moeten voor goed op zij gezet worden, om zich vroolijk aan de trouwe vervulling van al zijn plichten te wijden, terwijl men het eigen ik en eigen waardelooze genietingen vergeet, om sterk en rein en in zelfbedwang te leven; dan eerst zal de mensch de Onfeilbare Wijsheid vinden, en het Goddelijk Geduld en de Goddelijke Kracht.

„Nog nooit was een mensch in zulk een’ toestand geplaatst, dat hij geen Plicht en geen Ideaal had”. Hier of waar dan ook — maar ergens ligt uw Ideaal. Werk het vandaar uit; en al werkende : geloof, leef en wees vrij. Het Ideaal is in u zelve aanwezig, maar het beletsel, om het te berei-ken, is ook in uzelf; de toestand, waarin gij verkeert, is slechts de stof, waaruit gij uw Ideaal zult hebben te kneden. Wat komt het er op aan, of die stof van deze of die soort is, indien slechts de vorm, dien gij er aan geeft, heldhaftig en dichterlijk mag heeten ? O, gij, die zoo smartelijk lijdt in de gevangenis van het Bestaande, en die met zooveel aandrang de goden smeekt u een koninkrijk te geven, waarin gij alles naar uw wil kunt regelen en scheppen, herinner u deze waarheid: „dat, wat gij zoekt, is reeds binnen in u, hier en thans, indien gij slechts kondt zien.”

Al wat gij schoon en zegenrijk kunt noemen, is in uzelf aanwezig, doch niet in de welvaart van uw’ buurman. Gij zijt arm? Gij zijt inderdaad arm, zoo gij niet sterker zijt dan uw armoede. Gij hebt smarten geleden? Wel, wilt gij rampen doen ophouden, door ernaar te verlangen? Kunt gij een gebroken vaas in zijn vroegeren vorm herstellen, door er over te gaan zitten weenen, of een voorbijgegaan genot opnieuw smaken, door er over te gaan zitten schreien ? Er bestaat geen kwaad, dat niet verdwijnen zal, als gij het in wijsheid tracht te ontmoeten. De ziel, die Godgelijk is, treurt niet over dat, wat geweest is, of zijn zal, maar vindt altijd het Goddelijk Goede en neemt toe in wijsheid door iedere gebeurtenis.

Vrees is de schaduw van zelfzucht; zij kan niet bestaan, waar wijsheid is. Twijfel, angst en zorg zijn onwerkelijke schaduwen in de zuivere zelfzucht, maar hem zullen zij nooit verdriet bezorgen, die de duidelijk te onderscheiden hoogten zijner eigen ziel wil beklimmen.

Verdriet zal voor goed verdreven zijn voor hem, die de Wet van zijn bestaan begrijpt. Hij, die aldus begrijpt, zal de Hoogste Levenswet vinden, en hij zal inzien, dat zij Liefde is, en wel onvergankelijke liefde. Hij zal één worden met die liefde, en terwijl hij het al bemint, met een geest, die van alle haat en dwaasheid is vrijgemaakt, zal hij de bescherming der Liefde ontvangen, een bescherming, die niemand en niets vermag te weerstaan, Terwijl hij op niets aanspraak maakt, zal hij nooit iets verliezen; wijl hij geen genot zoekt, ondervindt hij ook nooit smart; en terwijl hij al zijn krachten aanwendt als middelen om te dienen, zal hij meer dan ooit leven in den hoogsten toestand van zegenen en gezegend worden.

Weet dit: gij maakt of vernietigt uzelf, gij staat of valt met wat gij zijt. Gij zijt een slaaf, indien gij wenscht een meester te zijn; gij zijt een meester, als gij bereid zijt, een slaaf te wezen. Bouw op uw dierlijke neigingen en verstandelijke overtuigingen, en gij bouwt op zand. Bouw op Deugd en Heiligheid, en vloed noch storm zullen uw sterke woning schokken. Dan zal de Onfeilbare Wijsheid u steunen bij iedere gebeurtenis en de Eeuwigdurende Armen u omhelzen en den vrede schenken.

5. De Macht der Zachtzinnigheid

De berg buigt zelfs niet voor den hevigsten storm, maar hij dient wel als schuilplaats voor den vluchteling en het lam; en hoewel alle menschen op hem treden, beschermt hij ze alle en drukt ze als ’t ware aan zijn’ ge-vaarloozen boezem. Evenzoo is het gesteld met den zacht-zinnigen mensch, die door niets en door niemand geschokt en gestoord, zich medelijdend buigt zelfs tot het diepst gezonken wezen, en, hoewel hij veracht mag worden, alle menschen opheft en vol liefde beschermt. Even grootsch als de berg is in zijn stille macht, is de goddelijke mensch in zijn stille Zachtmoedigheid; evenals diens vorm, is zijn medelijden zeer uitgebreid en verheven. Inderdaad is zijn lichaam, evenals de voet van den berg, in de laagten en in den mist geplaatst; maar het hoogste deel van zijn wezen baadt zich ononderbroken in wolkelooze heerlijkheid en leeft met de Stilten.

Hij, die Zachtmoedigheid heeft gevonden, heeft goddelijkheid bereikt; hij heeft verwezenlijkt het goddelijk bewustzijn en kent zichzelf als goddelijk. Hij ziet en weet, dat ook alle andere menschen goddelijk zijn, al weten zij het zelf niet, doordat zij in slaap zijn of droomen. Zachtmoedigheid is eene goddelijke hoedanigheid en als zoodanig almachtig. De zachtzinnige mensch overwint, door zich niet te verzetten, en terwijl hij toestaat, dat hij verslagen wordt, verkrijgt hij de Hoogste Overwinning.

De mensch, die een ander door kracht overwint, is sterk; maar de mensch, die zichzelf door Zachtmoedigheid overwint, is machtig. Hij, die een ander door kracht overwint, zal ook zelf door kracht overwonnen worden; maar hij, die zichzelf door Zachtmoedigheid overwint, wordt nooit door een ander overwonnen, want het menschelijke kan het goddelijke niet verslaan. De zachtmoedige mensch is overwinnend in zijn nederlaag. Socrates leefde te meer, doordat hij ter dood werd verwezen; eerst in den gekruisigden Jezus werd de Christus geopenbaard en terwijl Stefanus de steeniging onderging, vernietigde hij de pijnigende kracht der steenen. Dat wat wezenlijk is, kan niet vernietigd worden, slechts dat wat onwerkelijk is. Wanneer de mensch dat in zich vindt, wat wezenlijk is, wat voortdurend, blijvend, onveranderlijk is en dus eeuwig, bereikt hij het Wezenlijke en wordt Zachtzinnig. Alle machten der duisternis zullen op hem los stormen, maar zij zullen hem geen leed doen en eindelijk van hem vlieden.

De zachtzinnige man wordt herkend in den tijd der beproeving; wanneer anderen vallen, blijft hij staan. Zijn geduld wordt niet vernietigd door de dwaze hartstochten van anderen, en wanneer zij tot hem komen, „strijdt hij niet en schreeuwt hij niet”. Hij kent de eindelijke machteloosheid van het kwade, wijl hij het in zichzelf overwonnen heeft en leeft in de onveranderlijke kracht en macht van het goddelijk Goede.

Zachtmoedigheid is een der aanzichten van de werking van die onveranderlijke Liefde, die in het Hart van alle dingen leeft, en is daarom een hoedanigheid, die niet overwonnen kan worden. Hij, die in Zachtmoedigheid leeft, leeft zonder vrees, terwijl hij het Hoogste kent en ook het laagste in zijn macht heeft.

De zachtzinnige mensch schijnt in de duisternis en bloeit in de donkerte. Zachtzinnigheid kan niet pochen, noch zichzelf aanbevelen, noch naar populariteit streven. Zij wordt beleefd en toegepast, én wordt gezien of niet gezien; wijl zij een geestelijke eigenschap is, wordt zij slechts door het geestelijk oog opgemerkt. Zij, die niet geestelijk ontwaakt zijn, zien het niet; evenmin beminnen zij het, wijl zij verblind zijn en bekoord worden door wereldlijke zaken en verschijningen. De geschiedenis neemt ook al geen nota van den zachtzinnigen mensch. Haar vereering valt slechts op hem, die strijdt en naar grootheid voor zich zelf streeft. Maar de zijne is de roem van vrede en zachtheid.

De geschiedenis boekt slechts de aardsche handelingen, doch niet de hemelsche. En toch, hoewel hij in verborgenheid leeft, kan hij niet ongezien blijven (hoe kan licht verborgen blijven?); hij gaat zelfs door, licht af te stralen, nadat hij zich zelf uit de wereld heeft teruggetrokken, en wordt geëerd door de wereld, die hem niet kende.

Als de zachtmoedige mensch veronachtzaamd, verkeerd behandeld of niet begrepen wordt, rekent hij dit van niet het minste belang. Hij acht het de overweging niet waard en denkt er niet aan, er zich tegen te verzetten. Hij weet, dat al zulke wapens de meest machtelooze van alle schaduwen zijn. Aan hen, die hem het kwade geven, geeft hij het goede. Hij weerstaat niemand, en overwint daardoor allen.

Hij, die aan al zulke bejegening waarde hecht en zich tegenover anderen zoekt te verdedigen en te rechtvaardigen, verstaat niet, wat zachtmoedigheid is en begrijpt niet het geheim en de beteekenis van het leven. „Hij benadeelde mij, hij versloeg mij, hij deed mij pijn, hij beroofde mij”. — In degenen, die zulken gedachten huisvesting verleenen, zal haat nooit ophouden te bestaan, want haat kan nooit door haat eindigen. Wat zegt gij, heeft uw buurman kwaad van u gesproken? Wel, wat zou dat? Kan een onwaarheid of valschheid u schaden! Wat valsch is, is valsch en neemt een eind. Het is zonder leven, en zonder macht om iemand te kwetsen, die niet zoekt er door gekwetst te worden. Het is van niet de minste beteekenis voor u, dat uw buurman kwaad van u spreekt, maar het zou van groote beteekenis voor u worden, indien gij hem gingt weerstaan en gingt trachten uzelf te rechtvaardigen, want door aldus te handelen, geeft gij leven en duur aan uw buurman’s kwaadspreken, zoodat gij inderdaad gekwetst wordt en in verdriet komt. Neem alle kwaad uit uw eigen hart weg, dan zult gij het dwaze ervan inzien, om het in anderen te bestrijden. De slechte gedachte, handeling, of woord van een ander heeft geen vermogen om u te kwetsen, tenzij gij er leven ingiet door hartstochtelijk u er tegen te verzetten en zoodoende neemt gij het in uzelf op. Als iemand mij belastert, dan treft hem dat, doch mij niet. Ik heb slechts te doen met mijn eigen ziel en niet met die van mijn’ buurman. Al beoordeelt de heele wereld mij verkeerd, dan is dat nog mijn zaak niet. Mijn zaak is het, mijn ziel in Reinheid en Liefde te bezitten. Daar zal geen eind aan het strijden komen, tenzij de menschen ophouden zichzelven te rechtvaardigen, door zich te gaan verdedigen. Hij, die wil, dat oorlogen zullen ophouden, laat hem ophouden ook maar eenige partij te verdedigen — en vooral: laat hij zich zelf niet meer verdedigen. Niet door strijd kan vrede ontstaan; vrede ontstaat, door zich van strijd te onthouden. De overwinning van een’ Keizer is gelegen in den tegenstand zijner vijanden. Zij verzetten zich en vallen. Geef den Keizer, wat de Keizer vraagt en zijn glorie en macht verdwijnen. Dus door onderworpen te zijn, overwint de zachtmoedige mensch den sterken; maar hiermee wordt niet bedoeld een zich uitwendig onderwerpen als een slaaf; het is die innerlijke en geestelijke onderwerping, die vrijheid is.

Wijl hij geen rechten vraagt, wordt de zachtmoedige mensch niet geplaagd met zelfverdediging en zelfrechtvaardiging. Hij leeft slechts in liefde en komt zoodoende onder de onmiddellijke en levende bescherming van de Groote Liefde, die de Eeuwige Wet is in het heelal. Hij eischt niets voor zich; hij zoekt zich zelven niet; aldus komen alle dingen tot hem en het geheele heelal beschut en beschermt hem.

Hij, die zegt: „Ik heb Zachtmoedigheid beproefd, maar het is een „mislukking geworden”, zoo iemand heeft niet Zachtmoedigheid beproefd. Men kan haar niet bij wijze van proef toepassen. Zij wordt alleen verkregen door zelfopoffering, zonder eenig voorbehoud. Zachtmoedigheid bestaat niet alleen in het zich niet-verzetten tegen handeling; zij bestaat vóór alles hierin, dat men zich niet in gedachte verzet, door dus op te houden ook nog maar eenige zelfzuchtige, veroordeelende of vergeldende gedachte te voeden. De zachtzinnige mensch kan daarom niet beleedigd worden, of zelfs niet in zijn gevoel gekwetst worden, wijl hij boven haat, dwaasheid en ijdelheid verheven is.

Zachtmoedigheid is onfeilbaar.

O, gij, die naar het Hemelsche Leven streeft, tracht zachtmoedig te worden; vermeerder dag aan dag uw geduld en uwe verdraagzaamheid; belet uw tong eenig hard woord te spreken; onttrek uw geest aan alle zelfzuchtige redeneeringen en ga niet zitten peinzen over uw tekortkomingen; als gij zóó leeft, zult gij zorgvuldig in uw hart de reine en teere bloem van Zachtmoedigheid aankweeken, tot ten laatste haar goddelijke zoetheid en reinheid en schoone volmaaktheid in u geopenbaard zal worden en gij vriendelijk, vroolijk en sterk wordt. Zeg niet, dat gij omringd wordt door lichtgeraakte en zelfzuchtige menschen, maar verblijd u liever over den zegen, die er in gelegen is, dat uw eigen onvolmaaktheden u geopenbaard zijn geworden en dat gij hebt leeren inzien, hoe noodig het is binnen in u een voortdurenden strijd te voeren, om zelfbeheersching machtig te worden en om volmaaktheid te bereiken. Hoe meer hardheid en zelfzucht u nog beheerschen, hoe noodiger ’t voor u is, om zachtmoedigheid en liefde te gewinnen. Hoe meer anderen zoeken u te verongelijken, hoe noodiger het voor u is, u van onrecht te onthouden, en in liefde te leven; als anderen over Zachtmoedigheid, ootmoed, en liefde preeken, maar haar niet in praktijk brengen, wees niet verontrust en laat het u niet kwellen; zorg gij slechts in de stilte van uw hart, en wanneer gij met anderen in aanraking komt, deze dingen praktisch te beleven en al die deugden zullen zoo-doende zich zelven aanbevelen. En hoewel gij geen hoogdravend woord uif, en niet voor een vergaderde menigte spreekt, zult gij toch de geheele wereld onderwijzen. En als gij zachtzinnig wordt, zult gij de diepste geheimen van ’t heelal doorgronden. Niets blijft verborgen voor hem, die zich zelf overwint. Tot de oorzaak der oorzaken zult gij doordringen, en door de sluiers der begoocheling, de een na den ander, op te lichten, zult ge den binnensten Kern van Zijn bereiken. Doordat gij aldus één wordt met Het Leven, zult gij alle leven kennen, en terwijl gij de oorzaken ziet en de wezenlijkheden kent, zult gij over uzelf in ’t geheel niet meer beangst zijn en evenmin over anderen en over de wereld, maar gij zult inzien, dat alle dingen, die er zijn, slechts werktuigen zijn: raderen, door de Groote Wet gedreven. Bekleed met teederheid, zult gij zegenen, waar anderen vloeken; liefhebben, waar anderen haten; vergeven, waar anderen verdoemen; beschermen, waar anderen mededingend strijden; loslaten, waar anderen vasthouden; verliezen, waar anderen winnen. En in hun kracht zullen de laatsten zwak zijn; en in uw zwakheid zult gij sterk zijn; in den vollen zin van het woord zult gij heerschen. Hij, die geen ononderbroken teederheid bezit, heeft geen Waarheid:

„’t Is daarom, dat de Hemel, als hij een mensch wil zaligmaken, „hem met de deugd der zachtmoedigheid begiftigt”.

6. De rechtschapen mensch

De rechtschapen mensch is onoverwinnelijk. Geen vijand kan hem overmeesteren of hem verwarren, en hij heeft geen andere bescherming noodig, dan zijn eigen braafheid en heiligheid.

Evenals het onmogelijk is, dat kwaad Goed kan overwinnen, evenzoo kan de rechtschapen mensch niet door den onoprechte worden verslagen. Laster, nijd, haat, afgunst, boosaardigheid: zij kunnen hem niet treffen, noch hem eenig lijden veroorzaken, en zij, die trachten hem te beleedigen, eindigen slechts met oneer over zich zelf te brengen. De rechtschapen mensch, die niets te verbergen heeft, wijl hij geen handeling verricht, die geheim moet blijven, en die geen gedachten en

wenschen voedt, die anderen niet mogen weten, is onbevreesd en zonder schaamte. Zijn tred is vast; zijn lichaam kaarsrecht en zijn spraak is recht op den man of en zonder dubbelzinnigheid. Hij ziet iedereen recht in ’t gezicht. Hoe zou hij bevreesd kunnen zijn, die niemand onrecht doet? Hoe zou hij beschaamd kunnen zijn, voor wien dan ook, hij, die niemand bedriegt? En terwijl hij zich geheel aan alle kwaad onttrekt, kan hij nooit weer verongelijkt worden.

De rechtschapen mensch, die al zijn plichten met angstvallige nauwkeurigheid verricht, en alle kwaad is te boven gekomen, leeft onkwetsbaar. Hij, die de inwendige vijanden van ondeugd heeft verslagen, kan nooit door een uitwendigen vijand worden verslagen; evenmin vindt hij het noodig, ook maar eenige bescherming tegen hen te zoeken, wijl zijn rechtschapenheid hem een bescherming biedt, die in alle opzichten voldoet.

Maar de niet-rechtschapen mensen is kwetsbaar op bijna ieder punt; terwijl hij aan zijn hartstochten toegeeft, is hij de slaaf van vooroordeelen, aandoeningen en verkeerde denkbeelden; hij moet (dat verbeeldt hij zich althans) voortdurend lijden door toedoen van anderen. Het lasteren, de aanvallen en de beschuldigingen van anderen veroorzaken hem groot lijden, wijl zij een basis van waarheid in hem zelf vinden, en wijl hij de bescherming der rechtschapenheid mist, tracht hij zichzelf te rechtvaardigen en te beschermen, door tot vergelding en schoonschijnende bewijsgronden zijn toevlucht te nemen en zelfs tot uitvluchten en bedrog.

De gedeeltelijk rechtschapen mensch is te overwinnen in alle zaken, waarin hij in rechtschapenheid te kort schiet, en wanneer de rechtschapen mensch terugvalt van zijne oprechtheid en aan ééne zonde toegeeft, dan is zijn onoverwinnelijkheid verdwenen, want hij heeft zich daardoor daar geplaatst, dat aanval en beleediging hem juist bereiken kunnen, omdat hij eerst zich zelf beleedigd heeft.

Wanneer een mensch lijdt of beleedigd wordt door het toedoen van anderen, laat hij dan zich zelf nauwkeurig beschouwen, maar daarbij alle zelf-medelijden en zelf-verdediging op zij zetten; dan zal hij in zijn eigen hart de bron van al zijn lijden vinden.

Geen kwaad kan den rechtschapen mensch overkomen, die de bron van kwaad in zichzelven heeft toegestopt; terwijl hij in ’t Al-Goed leeft, en in gedachte, woord en daad van alle zonde afstand doet, kan hem immers niets anders dan goed overkomen; geen enkel persoon, geval of omstandigheid veroorzaakt hem lijden, want beheerscht te worden door de omstandigheden, wordt ten slotte voor goed beëindigd voor hem, die de banden van het kwaad verbroken heeft.

Zij, die lijden, die zorgen, die vermoeid en uitgeput zijn en gebroken van hart, zij zoeken steeds naar een toevluchtsoord, waar geen zorgen heerschen, een haven van eeuwigdurenden vrede. Laten zij hun toevlucht nemen tot een rechtschapen leven; laten zij thans komen en de haven van den zondeloozen toestand binnen stevenen, want nooit kan zorg den rechtschapen mensen overwinnen; lijden kan nooit hem treffen, die niet zijn geestelijk bestaan in zelfzuchtig leven verspilt; en hij kan niet door uitputting en zorg getroffen worden, wiens hart met allen en alles in vrede leeft.

7. Volmaakte Liefde

De Kinderen des Lichts, die in het Koninkrijk der Hemelen verblijven, zien het Heelal en ai wat het bevat, als de openbaring van ééne Wet: de Wet van Liefde. Zij zien liefde als de vormende, ondersteunende, beschermende en volmaakte Macht, onafscheidelijk verbonden aan en aanwezig in alle dingen, bezielde en onbezielde. Voor hen is Liefde niet alleen of slechts een levensregel, het is de Wet van Leven, het is het Leven zelf. Dit wetende, regelen zij hun geheele leven in overeenstemming met Liefde, zonder op hun eigen persoon te letten. Door aldus gehoorzaamheid aan het hoogste, aan de goddelijke Liefde te betoonen, worden zij bewust deelhebbers in de macht der Liefde en komen zoodoende tot volmaakte Vrijheid als Meesters van het Lot.

Het Heelal blijft in stand, juist doordat Liefde er het Hart van vormt. Liefde is de eenige macht, die voortbestaan mogelijk maakt. Als daar haat is in het hart van den mensch, maakt hij zich zelven wijs, dat de Wet wreed is, maar als zijn hart door Medelijden en Liefde verteederd wordt, ontdekt hij dat de Wet enkel Onbeperkte Vriendelijkheid is. Zoo vriendelijk is de Wet, dat zij hem tegen zijn eigen Onwetendheid beschermt. De mensch brengt echter door zijn strafbare pogingen om de Wet onderstboven te keeren, door namelijk ongeoorloofd groot gewicht aan zijn eigen persoonlijkheid toe te kennen, zoo ontzettend veel lijden over zich, dat hij eindelijk genoodzaakt is, in de diepte der hem toegebrachte wonden naar wijsheid te zoeken; en wanneer hij Wijsheid vindt, vindt hij Liefde, en kent haar als de Wet van zijn bestaan, als de Wet van het Heelal. Liefde straft niet; de mensch straft zichzelven door zijn eigen haten; door te pogen kwaad te doen voortduren, dat echter geen leven bezit, waardoor het kan voortbestaan; en door te pogen Liefde geweld aan te doen, die evenwel noch overwonnen, noch vernietigd kan worden, wijl zij deel uitmaakt van het Leven. Als een mensch zichzelf brandt, beschuldigt hij dan het vuur? Laat daarom een mensch, die lijdt, in zich zelven naar onwetendheid of ongehoorzaamheid zoeken.

Liefde is Volmaakte Harmonie, enkel Zaligheid, en bevat daardoor niets, dat naar lijden zweemt. Laat de mensch slechts geen gedachte denken en geen handeling verrichten, die met reine Liefde in strijd is, en lijden kan hem nooit meer treffen. Als iemand Liefde wil leeren kennen en deelhebben aan hare onsterfelijke Zaligheid, moet hij haar in zijn hart beoefenen; hij moet Liefde worden.

Hij, die steeds handelt, in den geest van Liefde, voelt zich nooit verlaten; hij zit nooit verlegen met eenig vraagstuk of moeilijkheid, want Liefde (onpersoonlijke Liefde) is te gelijk Kennis en Macht. Hij, die geleerd heeft, hoe lief te hebben, heeft ook geleerd, hoe iedere moeilijkheid te overwinnen, hoe iederen misslag in een succes te doen verkeeren, hoe ieder geval en iederen toestand te hullen in de kleeding van zegen en schoonheid.

De weg tot Liefde leidt over Zelfbeheersching, en door dien weg te reizen, bouwt een mensen zich zelf op in Kennis, terwijl hij dezen bewandelt en voortschrijdt. Als hij de Liefde vindt, treedt hij in het volle bezit van lichaam en geest door het recht der goddelijke Macht, die hij verworven heeft. Volmaakte Liefde werpt de vrees buiten. Liefde te kennen, beteekent te weten, dat er in ’t gansche Heelal geen schadelijke macht bestaat. Zelfs zonde, die de wereldsche en ongeloovige verbeelding als onoverwinnelijk teekent, openbaart zich dan te zijn een zeer machteloos iets, dat verdwijnt, dat verschrompelt en wegvalt voor de onweerstaanbare macht van het Goede. Volmaakte Liefde is volmaakte onkwetsbaarheid. En hij, die in zichzelf alle gedachten aan leed en alle wenschen om te kwetsen, heeft vernietigd, ontvangt de algemeene bescherming en weet, dat hij zelf onoverwinnelijk is.

Volmaakte Liefde is volmaakt Geduld. Drift en geraaktheid kunnen niet met haar samenwonen en evenmin haar naderen. Zij verleent aan iedere treurige gebeurtenis den geur der heiligheid, en doet verzoeking in goddelijke kracht verkeeren. Klagen is haar geheel vreemd. Hij, die liefheeft, weent over niets, maar ontvangt alle dingen en toestanden als hemelsche gasten; hij wordt daardoor voortdurend gezegend, en zorg kan zich nooit van hem meester maken.

Volmaakte Liefde is volmaakt Vertrouwen. Hij, die den wensch om te nemen heeft uitgeroeid, kan nooit gehinderd worden door de vrees voor Verlies. Verlies en winst — zij zijn hem beide gelijkelijk vreemd. Terwijl hij standvastig een liefhebbende houding aanneemt jegens allen en alles, en voortdurend en liefhebbend, terwijl hij zijn plichten getrouw waarneemt, werkzaam blijft, wordt hij door de Liefde beschermt en deze houdt nooit op hem met volle maten toe te meten alles, wat hij behoeft.

Volmaakte Liefde is volmaakte Macht. Het hart, dat met wijsheid liefheeft, beveelt zonder oefening iedere macht. Alle dingen en alle men-schen gehoorzamen hem, die het Hoogste gehoorzaamt. Hij denkt en zie, het is alreeds tot stand gebracht! Hij spreekt, en een wereld hangt aan en volgt al zijn eenvoudige uitingen. Hij heeft zijn gedachten vereenzelvigd met de Onvergankelijke en Onoverwinnelijke Krachten, en voor hem bestaat geen zwakte en evenmin onzekerheid meer. Elk zijner gedachten heeft een bepaald doel; ieder zijner handelingen is een vervulling; hij beweegt zich voort met de Groote Wet, zonder zijn onvolkomen ontwikkelden wil er tegen in te zetten, en aldus wordt hij een kanaal, waardoor de Goddelijke Macht met een ongehinderde en weldadige drukking vloeien kan. Zoo heeft hij dus de Macht zelve in bezit genomen. Volmaakte Liefde is Volmaakte Wijsheid. De man, die alles lief heeft, is de man, die alles weet. Wijl hij zorgvuldig de lessen van zijn eigen hart heeft geleerd, kent hij de moeilijkheden en verzoekingen van andere harten en past zich zelf daarbij aan, teerhartig en zonder vertoon. Liefde verlicht het verstand; zonder haar is het verstand blind en koud en levenloos. Liefde slaagt, waar het verstand te kort schiet; ziet, wanneer het verstand blind is; weet, als het verstand onwetend is. De Rede kan slechts door Liefde worden aangevuld en wordt ten laatste door haar als ingezogen. Liefde is de Allerhoogste Werkelijkheid in het Heelal en als zoodanig bevat het alle Waarheid. Onbeperkte Teederheid omvat en koestert het gansche Heelal; daarom juist is de wijze mensch zacht en kinderlijk en teeder van hart. Hij ziet, dat de eene zaak, die alle Schepselen noodig hebben, Liefde is, en hij schenkt haar overvloedig. Hij weet, dat in alle omstandigheden Liefde de kracht is, noodig om alles tot een goed einde te brengen en hij houdt op hard te zijn.

Aan het oog der Liefde worden alle dingen geopenbaard, niet als de uitkomst van samengestelde invloeden en gevolgen, maar in het licht van Eeuwige Grondslagen, waaruit alle oorzaken en gevolgen ontspringen, en waartoe zij alle terugkeeren. God is Liefde. Vandaar dat niets volmaakter is. Hij, die zuivere Kennis wil verwerven, laat hem zuivere Liefde vinden.

Volmaakte Liefde is volmaakte Vrede. Hij, die bij haar inwoont, heeft zijn reis door de hel van zorg voleindigd. In ’t bezit van een’ kalmen geest en een rustig hart, heeft hij zelfs alle schaduwen van verdriet doen vluchten, en kent het Leven, waarbij van dood geen sprake meer is.

Zoo gij in Kennis wilt volmaakt worden, wordt dan volmaakt in Liefde. Als gij het Hoogste wilt bereiken, zorg dan zonder ophouden, dat Uw hart steeds leeft in liefde en medelijden.

8. Volmaakte Vrijheid

Daar is geen slavernij in het Hemelsche Leven. Daar is Volmaakte Vrijheid. Dat is zijn grootste roem. De Hoogste Vrijheid wordt slechts door gehoorzaamheid verkregen. Hij, die aan ’t Hoogste gehoorzaamt, werkt samen met het Hoogste en beheerscht aldus iedere kracht binnen in hem zelve en iederen toestand buiten hem. Een mensch kiest het lagere en wendt zich van het Hoogere af, maar het Hoogere wordt nooit overwonnen door het lagere: daarin juist openbaart zich de Vrijheid. Laat een mensch het Hoogere kiezen en het lagere den rug toekeeren; dan zal hij zich zelf tot een Overwinnaar vormen en zal Volmaakte Vrijheid verwezenlijken.

Het aan onze neigingen over te laten, ons te regeeren, is de zwaarste slavernij; zich zelf te overwinnen: daarin alleen ligt de Vrijheid. De slaaf van het eigen ik bemint zijn ketenen en wil niet, dat ook maar één ervan breekt, uit vrees, dat hij daardoor verstoken zal zijn van een of ander genot, dat hij zoo gaarne smaakt. Hij is aan zijn genietingen en ijdelheden gehecht; er los van te zijn beschouwt hij als een ledigen en ongewenschten toestand. Zoo lijdt hij de nederlaag en maakt zich zelf tot slaaf.

Door zelfkennis wordt Volmaakte Vrijheid verkregen. Als iemand omtrent zich zelven onwetend blijft en zijn eigen begeerten, aandoeningen en gedachten niet kent, evenmin als de inwendige oorzaken, die zijn leven en zijn bestemming leiden, terwijl hij niet de minste controle over en geen begrip van zich zelve heeft, zal hij steeds de slaaf van hartstocht, zorg, lijden en wisselvallig fortuin blijven. Om het Land der Volmaakte Vrijheid te bereiken, moet men door de Poort der Kennis gaan. Alle uitwendige onderdrukking is slechts de schaduw en het gevolg van de werkelijke onderdrukking van binnen. Gedurende eeuwen hebben de onderdrukten om vrijheid geschreeuwd en toch zijn wel duizend standbeelden, opgericht voor mannen, die er hun leven voor gaven, niet in staat gebleken, ze die vrijheid te geven. Zij zelf kunnen ’t zich slechts geven; zij zullen het slechts vinden in gehoorzaamheid aan de Goddelijke wetten, die op hun harten zijn ingegrift. Laten zij hun toevlucht nemen tot de inwendige Vrijheid, en de schaduw van onderdrukking zal de aarde niet meer verdonkeren. Laat men op-houden zich zelf te onderdrukken, en geen mensch zal zijn broeder onderdrukken.

Menschen maken wetten voor een uitwendige vrijheid, maar gaan voort het onmogelijk te maken, zulk een vrijheid te verkrijgen, door een inwendigen toestand van slavernij te koesteren. De menschen zullen vrij zijn, als ze van zich zelf bevrijd zijn. Alle uiterlijke vormen van slavernij en onderdrukking zullen ophouden te bestaan, als de mensch ophoudt gewillig de onderworpen slaaf van hartstocht, zonde en onwetendheid te zijn. Vrijheid is voor de vrijen.

Terwijl de menschen zich aan zwakheid vastklampen, kunnen zij geen kracht hebben; zoo lang zij duisternis liefhebben, kunnen zij geen licht ontvangen; en zoo lang zij slavernij verkiezen, kunnen zij geen vrijheid genieten. Kracht, licht en vrijheid zijn nu voorhanden en kunnen verkregen worden door allen, die ze liefhebben, die naar haar bezit streven. Vrijheid is niet gelegen in gemeenschappelijk aanvallen, want dit zal altijd, als terugwerking, gemeenschappelijke verdediging te voorschijn roepen — vandaar strijd, haat, partijzucht, en de vernietiging van vrijheid. Vrijheid woont in persoonlijke zelf-overwinning.

De vrijmaking der menschheid wordt verijdeld en tegengehouden door het zich zelf tot slavernij doemen van den eenling. Gij, die tot God en mensch om vrijheid krijt, bevrijd uzelf.

De Hemelsche Vrijheid is vrijheid van hartstocht, van verlangens, van meeningen, van de overheersching van het vleesch en van de overheer-sching van het verstand — dit eerst, en dan zal alle uitwendige vrijheid als gevolg veroorzaakt worden. De Vrijheid, die van binnen aanvangt en zich naar buiten uitbreidt, totdat zij den geheelen mensch omvat, is een vrijmaking zoo volkomen, zoo alles omvattend, zoo volmaakt, dat niet één knellende keten ongebroken blijft. Bevrijd uw ziel van alle zonde, en gij zult als een bevrijd mensch, die zonder eenige vrees is, wandelen te midden van een wereld van vreesachtige slaven; en, u ziende, zullen vele slaven moed grijpen en zich met u vereenigen in uw heerlijke vrijheid.

Hij, die zegt: „Mijn wereldsche plichten vind ik vervelend; ik verlaat ze en ga in de eenzaamheid, waar ik zoo vrij als de lucht zal zijn”, en die denkt zoodoende vrijheid te verwerven, zal slechts een zwaardere slavernij vinden. De boom van Vrijheid wortelt in Plicht, en hij, die zijn zoete vruchten wil plukken, moet vreugd in Plicht ontdekken.

Blij gestemd, kalm en gereed voor alle werk is hij, die van zich zelf bevrijd is.

9. Grootheid en Goedheid

oedheid, eenvoud, grootheid — deze drie zijn één, en deze drieëenheid van Volmaaktheid kan niet gesplitst worden. Alle grootheid ontspringt uit goedheid, en alle goedheid is hoogst eenvoudig. Zonder goedheid is er geen grootheid. Sommige menschen gaan door de wereld als vernielende krachten, evenals een tropische wervelwind of een sneeuwval, maar groot zijn zij niet; zij verhouden zich tot grootheid als een sneeuwstorting tot den berg. Het werk, dat door grootheid gewrocht wordt, is duurzaam en beschermend, doch niet heftig en vernielend. De grootste zielen zijn de zachtmoedigste.

Grootheid is nooit opdringend. Zij werkt in stilte, zonder erkenning te zoeken. Dit is de oorzaak, dat zij niet gemakkelijk wordt waargenomen en erkend. Evenals de berg, verheft ze zich hoog in haar omvangrijkheid, zoodat degenen in haar onmiddellijke nabijheid, die haar beschutting en schaduw ontvangen, haar niet zien. Haar verheven grootheid wordt slechts gezien, als zij er zich van verwijderen. De groote mensch wordt niet door zijn tijdgenooten opgemerkt; de majesteit van zijn vorm wordt slechts aangegeven door den afstand in tijd tusschen hem en het nageslacht. Dit is de eerbied en de bekoring van verschil in tijd. De menschen houden zich bezig met de kleine zaken: hun huizen, boomen en landerijen. Weinigen beschouwen den berg, aan welks voet zij leven, en nog kleiner aantal beproeft hem te onderzoeken. Maar op afstand verdwijnen deze dingen en dan wordt de eenzame schoonheid van den berg waargenomen. Populariteit, luidruchtige opdringerigheid en oppervlakkig vertoon: al deze dieptelooze oppervlakkigheden verdwijnen ras en laten geen blijvend kenmerk achter; terwijl grootheid langzaam oprijst uit de duisternis, en voor eeuwig duurt.

Zoowel de Joodsche Rabbi’s als het gepeupel hadden geen oog voor de goddelijke schoonheid van Jezus; zij zagen slechts den ongeletterden timmerman. Voor zijn bekenden was Homerus slechts een blinde bedelaar, maar de eeuwen onthulden hem als Homerus, de onsterfelijke dichter. Twee honderd jaren nadat de boer van Stratford (en alles wat men omtrent hem wist) was verdwenen, begon men den werkelijken Shakespeare te onderscheiden. Alle waar genie, alle ware grootheid is onpersoonlijk. Het behoort niet aan den mensch, waardoor het wordt geopenbaard; het behoort aan allen. Het is een uitstorting van zuivere Waarheid: het Licht van den Hemel, dat op de geheele menschheid neerdaalt.

Ieder grootsch werk, iedere uiting van genie, in welken tak van kunst het ook zij, is een symbolische openbaring van onpersoonlijke waarheid. Het is universeel, en vindt een antwoord in ieder hart, in iedere eeuw en bij ieder ras. Als aan dit laatste iets ontbreekt, is het geen genialiteit, is het geen grootheid. Het werk, verricht om een godsdienst te verdedigen, verdwijnt; het is godsdienst, die leeft. Theorieën over onsterfelijkheid vervagen; de onsterfelijke mensch blijft voortbestaan; verklarende toelichtingen op de Waarheid vergaan tot stof; Waarheid alleen blijft. Dat slechts is waar in kunst, wat de Waarheid vertegen-woordigt; dat slechts heeft een lang leven, wat universeel en eeuwig waar is. En het Ware is het Goede; het Goede is het Ware.

Ieder onsterfelijk werk komt voort uit de Eeuwige Goedheid in het menschelijk hart en het wordt gekleed in de zoete en natuurlijke eenvoud van goedheid. De hoogste kunst is, evenals de natuur, kunsteloos. Zij kent geen kunstgrepen, geen pose, geen bestudeerde pogingen. Er zijn in Shakespeare geen tooneelkunstjes; en hij is de grootste der dramatisten, omdat hij de eenvoudigste is. De critici, die de wijze eenvoud van grootheid niet onderkennen, veroordeelen altijd het verhevenste werk. Zij kunnen tusschen het kinderachtige en het kinderlijke niet onderscheiden. Het Ware, het Schoone, het Groote is altijd kinderlijk, en is voortdurend frisch en jong.

De groote mensch is altijd de goede mensch; hij is altijd eenvoudig. Hij put uit, neen, leeft in de onuitputtelijke fontein van goddelijke Goedheid van binnen; hij woont in de Hemelsche Plaatsen; houdt voeling met de verdwenen grooten; leeft met het Ongeziene: hij ontvangt ingevingen en ademt de luchtstroomen des Hemels.

Hij, die groot wil zijn, laat hem leeren, goed te zijn. Hieruit volgt, dat hij groot zal worden, door geen grootheid te zoeken. Als een mensch grootheid tot doel van zijn streven kiest, zal hij bij waardeloosheid aanlanden; maar als hij poogt, niets te zijn, zal hij tot grootheid geraken. De begeerte om groot te zijn is een aanwijzing, dat men nog klein is, persoonlijke ijdelheid en zucht, om zich zelven op te dringen, bezit. De gewilligheid om ongezien te blijven, de volkomen afwezig-heid van zelfverheffing, is de getuige van het bewijs voor grootheid.

Kleinheid zoekt en bemint macht. Grootheid is nimmer gezaghebbend en zij wordt daardoor de met gezag bekleede, waarop de eeuwen een beroep doen. Hij, die zoekt, verliest; hij, die gewillig is te verliezen, wint alle menschen. Wees uw eenvoudig zelf, uw beter zelf, uw onpersoonlijk zelf, en stellig, ge zijt groot. Hij, die zelfzuchtig zoekt gezag te bekomen, zal slechts eindigen iemand te zijn, die, terwijl hij zich bevend verontschuldigt, bescherming zoekt achter den rug van erkende grootheid. Hij, die de dienaar van alle menschen wil worden, zonder persoonlijke invloed te bezitten, zal als een mensch leven en zal groot genoemd worden. „Woon in de eenvoudige en edele streken van uw leven, gehoorzaam uw hart en gij zult de voorwereld opnieuw voortbrengen”. Vergeet uw eigen klein persoonlijk zelf en val terug op het Universeel zelf, en ge zult het opnieuw voortbrengen, in levende en blijvende vormen, een duizend schoone ervaringen; ge zult binnen uzelf die eenvoudige goedheid vinden, die grootheid is.

„Het is even gemakkelijk groot als klein te zijn”, zegt Emerson; en hij uit daarmee een diepzinnige waarheid. Zich zelf te vergeten is het geheel van grootheid, zooals het het geheel van goedheid en geluk is. In een voorbijsnellend oogenblik van zich-zelf-vergeten wordt de kleinste ziel groot; vergroot dat moment onbepaald, en een groote ziel, een groot leven ontstaat. Werp uw persoonlijkheid weg (uw onbeteekenende verlangens, genietingen en strevingen) als een waardeloos kleed en woon in de liefhebbende, medelijdende en onzelfzuchtige streken uwer zie! en gij zijt niet langer klein — gij zijt groot.

Door persoonlijke invloed te eischen, daalt een mensch tot kleinheid af; als hij goedheid beleeft, verheft een mensch zich tot grootheid. De verwatenheid van den kleine mag gedurende eenigen tijd de nederigheid van den groote verduisteren, maar zij wordt eindelijk door haar verzwolgen, zooals de luidruchtige rivier zich verliest in den kalmen oceaan.

Zoowel de laagheid der onwetendheid als de trots op geleerdheid moet verdwijnen. Haar waardeloosheid is dezelfde. Zij hebben geen deel aan de Ziel der Goedheid. Indien gij wilt doen, moet gij zijn. Gij moet mededeeling niet voor Weten aanzien; gij moet u zelf kennen als zuivere Kennis. Gij zult niet geleerdheid met Wijsheid verwarren; gij moet uzelf leeren kennen als zuivere Wijsheid.

Zoudt ge een levend boek willen schrijven? Dan moet gij eerst leven; ge zult u omhullen met het geheime kleed van menigvuldige ervaring, en gij zult door genot en lijden, door vreugd en zorg, door overwinning en nederlaag dat leeren, wat geen boek en geen onderwijzer u kan onderwijzen. Ge zult van te leven, van uw ziel leeren; gij zult den Eenzamen Weg betreden en gij zult worden; gij zult zijn. Dan zult gij uw boek schrijven en het zal leven; het zal meer zijn dan een boek. Laat uw boek eerst in u leven, daarna zult gij leven in uw boek.

Zoudt gij een standbeeld willen houwen, dat eeuwen zal leven, of een schilderij malen, dat duren zal? Dan moet gij u zelf kennis verwerven van de goddelijke Schoonheid, die binnen in u woont. Gij moet de Onzienlijke Schoonheid begrijpen en bewonderen; gij moet de Beginselen kennen, die de ziel van Vorm zijn; gij moet de weergalooze symmetrie en volmaakte verhoudingen van het Leven, van het Zijn, van het Heelal waarnemen; als gij aldus het eeuwig Ware kent, zult ge het onbeschrijfelijk Schoone houwen of schilderen.

Zoudt ge een onsterfelijk gedicht willen schrijven? Dan moet ge eerst uw gedicht leven; ge moet rhytmisch denken en handelen; gij moet de nooit-falende bron van ingeving in de liefhebbende deelen van uw hart vinden. Dan zullen zonder inspanning onsterfelijke regels uit u voortkomen, en, evenals de bloemen van bosch en veld ais van zelf opschieten, zullen schoone gedachten in uw hart opwassen, gekleed in woorden, die bij haar schoonheid passen en die de harten der menschen zullen verteederen.

Zoudt gij zulke muziek willen componeeren, die de wereld vreugde schenkt en haar opheft? Dan moet gij uw ziel voor de Hemelsche Harmonieën geschikt maken. Gij moet weten, dat gij zelf, dat het leven en het heelal Muziek zijn. Gij moet de Levenssnaren tokkelen. Gij moet weten, dat Muziek overal is, dat zij het Hart van het Zijnde is; dan zult gij met uw geestelijk oor de Onsterfelijke Symphonieën hooren.

Zoudt gij het levende Woord willen prediken? Dan moet gij van uzelf afstand doen en dat Woord worden. Gij moet één ding weten: dat het menschelijk hart goed, dat het goddelijk is; gij zult ééne zaak leven: Liefde. Gij moet allen liefhebben, geen kwaad zien, geen kwaad denken, geen kwaad gelooven; dan, hoewel gij maar weinig spreekt, zal ieder uwer handelingen een macht zijn, ieder woord een voorschrift. Door uw zuivere gedachte, uw onzelfzuchtige daden, zult gij, hoewel zij schijnen verborgen te blijven, de eeuwen door tot ongetelde menigten van strevende zielen prediken.

Aan hem, die Goedheid kiest, terwijl hij alles opoffert, wordt» gegeven, wat meer is dan alles en alles omvat. Hij wordt de bezitter van het Beste, houdt voeling met het Hoogste en treedt in het gezelschap van de Grooten.

De grootheid, die zonder gebrek, open en Volmaakt is, is boven en meer dan alle kunst. Zij is de Volmaakte Goedheid in openbaring; daarom zijn de grootste zielen altijd Onderwijzers.

10. De Hemel in het Hart

Het gezwoeg in het leven eindigt, a!s het hart rein is. Als de geest in harmonie is gebracht met de Goddelijke Wet, houdt het wiel van zich afsloven op te draaien, en alle werk wordt herschapen in vreugdevolle handeling. De reinen van hart zijn als de leliën van ’t veld, die niet arbeiden, en die toch gekleed en gevoed worden uit de overvloedige voorraadschuur van het Al-Goede. Maar de lelie is niet slaperig, zij is onophoudelijk werkzaam, door voeding uit de aarde en de lucht en van de zon te betrekken. Door de Goddelijke Macht, die in haar woont, bouwt zij zich zelf, cel voor cel, op, terwijl zij zich opent voor het licht en groeit en ontluikt tot een volmaakte bloem. Evenzoo is het met degenen, die, nadat zij hun eigen wil hebben verzaakt, geleerd hebben in samenklank met den Goddelijken Wil te leven. Zij groeien in genade, goedheid en schoonheid, vrij van alle vrees, en zonder oneenigheid en gezwoeg. En zij werken nooit te vergeefs; geen enkele daad is waardeloos. Iedere gedachte, handeling en daad, die verricht wordt, is ondergeschikt gemaakt aan het Goddelijke Doel, en voegt iets toe aan de totaal-som van het geluk der wereld.

De Hemel is in het hart. Zij, die haar elders zoeken, zullen te vergeefs zoeken. In geen uitwendige plaats zal de ziel den Hemel vinden, totdat zij haar binnen zich zelf vindt; want, waarheen de ziel ook gaat, haar gedachten en begeerten gaan met haar; en, hoe schoon ook haar

uitwendige woonplaats mag zijn, als er binnen zonde is, zal er duisternis en droefheid buiten zijn, want zonde werpt altijd een schaduw op het pad, waarlangs de ziel treedt — de schaduw van zorg.

Deze wereld is schoon, voortreffelijk en wonderlijk schoon. Haar schoonheden en bezielende wonderen kunnen niet in getallen worden uitgedrukt. Toch komt zij het met zonden bevlekt verstand als een donkere en vreugdelooze plaats voor. Waar hartstocht en zelfzucht zijn, daar is hel, en daar zijn alle hellepijnen; waar Heiligheid en Liefde zijn, daar is de Hemel, en daar zijn alle vreugden van den Hemel.

De Hemel is hier. Zij is ook overal. Zij is altijd daar, waar een rein hart is. Het geheele heelal is overvloedig vol van vreugde, maar het hart, dat aan zonde geketend is, kan haar zien noch hooren, noch er in deelnemen. Niemand is, of kan willekeurig van den Hemel worden uitgesloten; ieder sluit zich zelf uit. Zijn Gouden Poorten staan eeuwig open, maar de zelfzuchtigen kunnen die niet vinden; zij treuren, maar zien niet; zij schreien, maar hooren niet. Slechts voor degenen, die hun oogen naar hemelsche dingen en hun ooren naar hemelsche klanken wenden, worden de gelukkige Toegangen tot het Koninkrijk geopenbaard ; zij treden binnen en zijn gelukkig.

Alle leven is blijheid, als het hart rechtschapen is, als het is gestemd volgens de zoete accoorden van heilige Liefde. Leven is Godsdienst, Godsdienst is leven, en alles is Vreugd en Blijheid. De krassende geluiden van gelooven en partijen, de zwarte schaduwen der zonde, moet ge voor eeuwig weg laten gaan; zij kunnen de Deur van het Leven niet binnentreden. Vreugd, Muziek, Schoonheid — deze behooren tot de Ware Orde der dingen; zij zijn van het weefsel van het heelal; van hen is het goddelijke Levenskleed geweven. Zuivere Godsdienst is vroolijk, niet droefgeestig. Hij is Licht, zonder duisternis of schaduw.

Wanhoop, teleurstelling, smart — zij zijn de weerkaatste aspecten van genotvolle opwinding, zelfzucht en begeerte. Geef de laatste alle op en de eerste zullen voor eeuwig verdwijnen; dan blijft de voortreffelijke Zegening des Hemels over.

Overvloedig en onvermengd geluk is het ware leven van den mensch. Volmaakte Zegening is het rechtmatig deel, dat hem toekomt; en wanneer hij zijn schijnleven verliest en het ware vindt, treedt hij in het volle bezit van zijn Koninkrijk. Het Koninkrijk des Hemels is des menschen Thuis; en het is hier en nu, en hij wordt niet zonder Gidsen gelaten, als hij het wil vinden. Alle zorgen, alle lijden des menschen zijn het gevolg van zijn zelf-gekozen vervreemding van de Goddelijke Bron, van het Al-Goede, van den Vader, van het Hart vol Liefde. Laat hem tot zijn Thuis terugkeeren, zijn vrede verwacht hem daar.

Zij, die Hemelsch van hart zijn, zijn zonder zorg en Jijden, omdat zij zonder zonde zijn. Wat de wereldschgezinde menschen moeiten noemen, beschouwen zij als aangename plichten van Liefde en Wijsheid. Moeiten behooren tot de hel; zij komen niet in den Hemel. Dit is zoo eenvoudig, dat het niet vreemd moest schijnen. Als gij de een of andere moeilijkheid hebt, is die in uw eigen geest en nergens anders; gij schept ze, ze is niet voor u gemaakt; ze is niet in uw werk; ze is

niet in dat uiterlijke ding. Gij zijt haar schepper en zij ontleent haar leven alleen aan u. Zie op al uw moeilijkheden als lessen, die geleerd moeten worden, als hulpmiddelen tot geestelijken groei, en vast: dan zijn ze niet langer moeilijkheden. Zij vormen te zamen een der Paden, die ten Hemel voeren.

Alles in Geluk en Vreugde te veranderen: dat is voornamelijk het werk en de plicht van den Hemelschgezinden mensen. Alles tot ongeluk en verlies te verlagen, is het proces, dat de wereldschgezinde mensch onbewust streeft te verwezenlijken. In Liefde te leven, is in Vreugde te werken. Liefde is de toovermacht, om alle dingen in kracht en schoonheid te herscheppen. Zij schept overvloed uit armoede, kracht uit zwakheid, het zoete uit het bittere, aanvalligheid uit wanstaltigheid, licht uit duis-ternis en verschaft alle zegenrijke toestanden uit haar eigen deugdelijk, maar te gelijk onverklaarbaar wezen.

Hij, die liefheeft, heeft nooit gebrek. Het heelal behoort aan Goedheid, en daarom behoort het aan den goeden mensch. Het kan door een ieder zonder beperking of inkrimping bezeten worden, want Goedheid en de overvloed, die aan Goedheid eigen is (stoffelijke, verstandelijke en geestelijke overvloed), is onuitputtelijk. Denk liefdevol, spreek liefdevol, handel liefdevol en in ieder uwer behoeften zal voorzien worden; gij zult niet in woeste plaatsen wandelen en geen gevaar zal u naderen. Liefde ziet met een onfeilbaar gezicht, velt een juist oordeel, handelt in wijsheid. Zie door de oogen der Liefde en gij zult overal het Schoone en het Ware zien; oordeel met het verstand der Liefde en gij zult geen aanleiding tot klagen geven en geen zorg veroorzaken; handel in den geest der Liefde, en gij zult onsterfelijke harmonieën aan de Harp des Levens ontlokken.

Maak geen schikking met u zelf. Houd niet op te streven tot uw geheele wezen van Liefde doordrongen is. Alles en altijd lief te hebben — dit is de Hemel der hemelen. „Laat er niets in u zijn, dat niet zeer schoon en zeer zachtmoedig is, en dan zal er niets buiten u wezen, dat niet in schoonheid en zachtheid toeneemt door de betoovering van uw tegenwoordigheid”. Al wat gij doet, laat dat in kalme wijsheid gebeuren en niet als gevolg van begeerte, aandrift of meening; dit is de Hemel-sche weg van handelen.

Reinig uw gedachtenwereld, tot er geen vlek in overblijft en gij zult ten Hemel stijgen, terwijl gij nog in het lichaam leeft. Ge zult dan de dingen der uitwendige wereld in allerlei schoone vormen gekleed zien. Als ge de Goddelijke Schoonheid binnen u zelven hebt ontdekt, neemt zij in ieder uiterlijk ding gestalte aan. Voor de tot schoonheid geworden ziel is de wereld schoon.

Onontwikkelde zielen zijn enkel ongeopende bloemen. De volmaakte Schoonheid ligt van binnen verborgen, en zal zich eens voor het volle licht des hemels ontsluieren. Als we hen aldus beschouwen, zien we hen op de plaats waar kwaad ontbreekt, en waar het oog slechts goed aanschouwt. Hierin ligt de vrede, het geduld en de schoonheid der Liefde — zij ziet geen kwaad. Hij, die aldus liefheeft, wordt de beschermer van alle menschen. Zelfs wanneer zij hem in hun onwetendheid zouden haten, beschermt en bemint hij ze.

Welke tuinman is zoo dwaas, om zijn bloemen te veroordeelen, wijl ze zich niet in een dag kunnen ontwikkelen? Leer lief te hebben, en gij zult de Goddelijke Schoonheid zien in alle zielen, zelfs in hen, die „ontaarden” worden genoemd, en zult weten, dat zij niet in gebreke zullen blijven op haar eigen tijd te voorschijn te treden. Dit is een der Hemelsche Visioenen; en hieruit komt Blijdschap voort.

Zonde, zorg, lijden — dit zijn de donkere strevingen van de ongeopende ziel naar Licht. Open de bloembladeren uwer ziel en laat het schitterende Licht binnenstroomen.

Iedere ziel vol zonde is een onopgelost accoord. Ten laatste zal zij het Volmaakte Accoord aanslaan en de vreugdevolle melodieën des Hemels inzwelgen.

Hel is de voorbereiding voor den Hemel; en uit het overschot harer verwoeste hutten worden de lustverblijven opgetrokken, waarin de volmaakte ziel wonen mag.

Nacht is slechts een voorbijgaande schaduw, door de wereld geworpen, en zorg is slechts een kortstondige schaduw, door het zelf geworpen. „Kom naar buiten in het zonlicht”. Weet dit, o lezer! dat gij goddelijk zijt. Ge zijt niet van het Goddelijke afgesneden, behalve in uw eigen ongeloof. Rijs omhoog, o Zoon van God, en schud de nachtmerrie van zonde af, die u gevangen houdt; aanvaard uw erfenis — het Koninkrijk der Hemelen! Verdoof uw ziel niet langer met de vergiften van valsche gelooven. Gij zijt niet „een worm in het stof”, tenzij gij verkiest het u te maken. Gij zijt een goddelijk, onsterfelijk, uit God-geboren wezen, en

dit kunt gij weten, als gij wilt zoeken en vinden. Klamp u niet langer vast aan uw onzuivere en verachtelijke gedachten, en gij zult weten, dat gij een stralende en hemelsche geest zijt, gevuld met alle reine en liefhebbende gedachten. Ellende en zonde en zorg zijn hier niet uw deel, tenzij ge ze ais zoodanig aanneemt; en als gij dit doet, zullen zij ook hiernamaals uw deel zijn, want deze dingen ’houden verband met uw ziels-toestand; zij zullen u volgen, waar gij ook gaat; zij zijn enkel binnen in u.

Hemel, niet hel, is uw deel hier en altijd. Er is enkel voor noodig, dat gij neemt, wat u behoort. Gij zijt de meester, en gij kiest, wien gij wilt dienen. Gij zijt de maker van uw toestand, en uw keus beslist uw lot. Waar gij om bidt en naar vraagt (met uw hoofd en hart,niet enkel met uw lippen), dat zult gij ontvangen. Gij wordt gediend, zooals gij dient. Gij wordt behandeld, naardat gij zelf bedingt. Gij zelf stapelt op in u zelf.

De Hemel is uwe; gij hebt maar binnen te treden en hem in bezit te nemen; en Hemel beteekent het Hoogste Geluk, Volmaakte Gelukzaligheid; hij laat niets te wenschen over; ook niets, om zich over te bedroeven. Hij is volmaakte tevredenheid nu en in deze wereld. Hij is binnen u; en als gij dit niet weet, is dit zoo, omdat gij er in volhardt, den rug uwer ziel er heen te keeren. Keer u om en gij zult het aanschouwen.

Kom en leef in de zonneschijn van uw wezen. Kruip uit de schaduwen en de donkere plaatsen. Gij zijt gevormd voor Geluk. Gij zijt een kind des Hemels. Reinheid, Wijsheid, Overvloed, Vreugd en Vrede — dat zijn de eeuwige Werkelijkheden van het Koninkrijk, en zij zijn uw eigendom, maar gij kunt ze niet in zonde bezitten; ze hebben geen deel aan het Koninkrijk der Duisternis. Zij behooren tot „het Licht, dat iederen mensen verlicht, die in de wereld komt”, het Licht van vlekkelooze Liefde. Zij zijn de erfenis van het heilige Christus-Kind, dat in uw ziel tot geboorte zal komen, wanneer gij gereed zijt, u van al uw onreinheden te ontdoen. Zij zijn uw werkelijk zelf.

Maar hij, wiens ziel veilig is, omdat uit haar het Wonderbare Christus-Kind geboren is, vergeet niet het werk, dat hij in de wereld behoort te verrichten.

[to home]